Alleen is maar alleen

20130830-085337.jpg

Prrrfy, iehoehoehoe, Aaaaaah, ieieieie, ihahihahiii. Met zijn beentjes in de lucht en gillend van plezier ligt Lucas naast me. Kwart over zeven vond híj een mooie tijd om op te staan. Ik wat minder. Op zich vind ik het een prima tijd hoor, maar als je dan tot half vijf hebt wakker gelegen omdat je weer moet wennen aan thuis zijn en je verbeeld dat die vlooien die je besprongen bij thuiskomst alsof je hét hapje van de maand was je achtervolgd zijn tot in je bed dan is kwart over zeven rijkelijk vroeg. Dan doe je een poging met een flesje en een speentje in de hoop dat hij zomaar spontaan nog een paar uur gaat slapen maar helaas, voorlopig tevergeefs (dus schrijf ik deze blog maar).
Op zulke momenten mis ik Aart niet alleen als persoon, maar ook als paar armen en benen.
‘Aaaaart, neem jij Lucas even dan ga ik nog even slapen’. Nou vergeet het maar, geen Aart te bekennen.
Sommige dingen zijn écht niet handig alleen, andere dingen gewoon minder prettig. Kijk dat je als Lucas net slaapt niet even naar de supermarkt kan lopen is wel vervelend en dat ik voor álles wat ik wil doen waarbij kleine kinderen niet gewenst zijn nu oppas nodig heb is erg vervelend. Maar mijn dagje gisteren deed me beseffen hoeveel energie het kost om alleen te zijn.
Nadat ik alle zooi van de vakantie bij elkaar geschraapt had en weer enigszins logisch in tassen en koffers in de auto had gepropt, de boel weer netjes aangeveegd had en de kat gevangen had toog ik met mijn auto naar de boot die me van Terschelling terug naar het vaste land moest brengen. Op de boot aangekomen moest ik terwijl ze de rest van de boot vol stouwden met auto’s zo snel mogelijk de kinderwagen, Lucas, de kat én de luiertas zien uit te laden. Met behulp van een medewerker met walkie talkie en neongeel hesje kwam ik uiteindelijk in de lift terecht (alleen bediend door personeel) waar hij op het knopje van het bovenste dek duwde want dat was minder druk, minder warm én je kon naar buiten. Eenmaal op het bovenste dek kwam ik tot een aantal conclusies, als je alleen bent denken mensen dat ze oeverloos tegen je aan mogen praten, soms is dat leuk, maar niet als de persoon in kwestie een bemoeizuchtige tang is, ik was de draagzak vergeten, ik had een dek lager zullen gaan zitten zodat ik eten kon halen, ik zat kilometers bij de wc vandaan en Lucas had vandaag in totaal nog maar een uur geslapen dus hoogste tijd voor een dutje (waar hij ook al aan begonnen was in de auto).
Ik besloot uiteindelijk maar met mijn portemonnee in mijn achterzak en Lucas op mijn arm de steile trap naar de catering gelijk af te dalen voor ik al te lange rijen tegen kwam, de boot schommelde of Lucas net weer sliep ook al had ik geen trek. Op de terugweg moest ik zien én niet van de trap te vallen, én Lucas vast te houden en mijn dienblad met drinken, salade en friet recht te houden. Toen ik boven kwam zei de bemoeizuchtige oudere vrouw met wie ik tegen wil en dank al eerder had zitten praten: “heb je dat helemaal alleen gedaan. Had ‘m aan mij gegeven!” Ja, Lucas dus. “Hij is toch nog niet eenkennig” voegde ze er nog aan toe. Nee dat klopt, dacht ik bij mezelf, maar vind u het heel erg als ik mijn kind niet aan een wildvreemde bemoeizuchtige oudere dame geef die Lucas in eerste instantie voor een meisje aanzag? Ja, dat vond ze erg, maar ik snoerde haar de mond met een “Ik ben gewend het alleen te doen”. Je zag haar denken en de vraagtekens in haar ogen, maar ik heb er maar niet aan toegevoegd: ‘ja mijn man is namelijk dood dus nu ben ik alleen met Lucas’.
Nou ja de rest van de reis verliep betrekkelijk rustig, af en toe moest ik ineens met de oudere dame praten, ze had dezelfde ereader als ik en vond dat ik een hoesje moest kopen zoals zij had, knielen op een bed violen vond ze wel een beetje een heftig boek en haar man leest altijd met grote letters en toen mocht ik weer verder lezen zij ze. Toen Lucas sliep snelde ik gauw twee kilometer naar de wc en daarna haastte ik me naar de lift omdat de automobilisten werden opgeroepen naar de auto’s te gaan. Pas 15 minuten later kon ik me in de lift proppen met een man met hond die bang was voor de kat en de kat die bang was voor de hond. Beneden aangekomen bleek dat ik was ingebouwd en er met de kinderwagen niet meer door kon naar de auto. Dus…wagen geparkeerd, Lucas op de ene arm, luiertas over de andere schouder, zijdelings schuivend tussen de auto’s door, voordeur open, luiertas dumpen, achterdeur open, Lucas dumpen, Lucas stoot hoofd, Lucas troosten, Lucas vastmaken anders vergeet ik dat. Kat halen, schuifelen tussen auto’s door, kat via achterklep proberen naast Lucas te krijgen. Ondertussen concluderen dat je in de eerste rij auto’s staat die van de boot af moet en ze al beginnen te rijden. Terug schuifelen, wagen uit elkaar halen, met losse onderdelen in je hand proberen zonder auto’s te beschadigen terug te komen. Wagen precies zoals hij er uit kwam terug proberen te zetten anders past ie niet, achterklep dicht, gaat niet, de auto die voor me staat start zijn motor, wagen opnieuw er in doen. Klep dicht. In de auto springen en wegrijden. Buiten de boot parkeren want Lucas zat nog niet goed vast, concluderen dat zijn broek nat is, luier verschonen op de bestuurdersstoel, Lucas terug in de stoel, deze keer goed vast en dan eindelijk ready to go. Nou ja, moet nog even tanken en dat allemaal terwijl ik ivm met inbraakangsten graag voor het donker thuis wilde zijn…niet gelukt.
Oh en had ik al gezegd dat ik eenmaal thuis belaagd werd door vlooien die me beten en wakker hielden?
Potver Aart, ik vind alleen zijn helemaal niet leuk!

Lucas slaapt bijna, ik ga ook nog een poging doen…

Advertenties

Geliefden

20130822-040457.jpg

Boven in bed ligt een lief stel. Lief omdat ze mijn vrienden zijn en lief omdat ze geliefden zijn. Lief omdat ze lief voor elkaar zijn en elkaar stangen waar nodig. Ergens is dat bijzonder geruststellend. De wereld is niet vergaan want er is nog liefde. ‘Ware liefde!’ riep Aart vaak, alsof het een soort bezwering was die dat moest bewerkstelligen. Het werkte in ieder geval prima en we bezegelden dat vaak door onze trouwringen tegen elkaar aan te stoten.
Elke liefkozing die ze van elkaar stelen geeft mij een warm gevoel en tegelijk weemoedige pijn. Het zijn de liefkozingen van mensen die al jaren samen zijn, zo gewoon. Nu ze er niet meer zijn tussen mij en Aart is voor mij de vanzelfsprekendheid ineens voorbij.
Elke nacht liggen ze boven samen in bed (denk ik, ik kan niet door het plafond heen kijken) en ik lig beneden, alleen in het grote bed en staar naar het plafond. Ik zou er bijna tussenin willen kruipen, de liefde voelen. Het besef dat het niet zo lekker zal liggen in de spleet van de twee tegen elkaar geschoven bedden houd mij tegen.
Op zulke momenten doe ik mijn bedlampje aan en kijk naar mijn slapende baby, zo mooi en onschuldig, zo veel liefde. En toch kan het niet vervangen wat ik mis omdat mijn liefde voor Lucas een andere liefde is. Samen zijn en je toch eenzaam voelen is een verdriet wat ik de laatste tijd pas echt goed heb leren kennen. Ik sta aan de zijlijn van de liefde.

Fietsend over het eiland met mijn vrienden schrijf ik een beetje heen over de paden die we vorig jaar samen volgden. We zitten op hetzelfde terras, we fietsen over dezelfde paden. Vandaag aten we bij het restaurant waar we vorig jaar besloten dat dít het goede leven was en dat we er helemaal niet zo ver voor hoefden te reizen.
Deze winter, toen de hel op aarde was losgebarsten stelde het vooruitzicht van ons geplande bezoek aan het eiland ons gerust en we bedachten dat we onze vrienden mee zouden nemen naar dit restaurant om ze te bedanken voor alle steun en goede zorgen. Dat was toen het nog samen was. Nu gingen we met z’n drieeneenhalven om ze nog meer te bedanken. het was heerlijk genieten, een gezellige avond maar ook die schim van Aart die stiekem een beetje naast me zat. Ik zou hem willen knuffelen, rozig en ietwat aangeschoten van de drank en nagenietend van deze fijne avond.

Nu zo alleen in bed voelt de nacht zo leeg, maar overdag zijn daar mijn lieve vrienden die zachtjes een heel klein beetje het gat vullen. Met hun aanwezigheid. En met liefde.

Jan-Willem, Emmy, bedankt voor al die goede zorgen, bedankt voor de fijne week die jullie me bezorgen. Bedankt voor de liefde.

Dwomen en pawadijs

20130813-100551.jpg

Ooit volgde ik op de kunstacademie een lezing van een professor die Wudi heette. Zijn achternaam ben ik vergeten, maar de lezing ging over dromen en het paradijs. Een romantisch onderwerp wat tot mijn kleurrijke verbeelding spreekt. Waar de lezing inhoudelijk over ging weet ik echter niet meer want Pwodessow Wudi had één gebrek. Hij kon de R niet uitspreken en had het pertinent over dwomen en het pawadijs. Dit samen met het feit dat hij onderuitgezakt aan een tafel zijn lezing van papier oplas maakte het voor mij vrijwel onmogelijk er ook maar iets van op te steken. De lezing is mij echter altijd bij gebleven door het hilarische aspect ervan. Vanaf dat moment was Pwofessow Wudi een geliefd persoon in ons huishouden die we er regelmatig bijhaalden om R-loze gesprekken te voeren.
Dromen, het zijn bijzondere dingen, ik merk het de laatste tijd vaak. Ze kunnen fijn zijn om te dromen maar akelig om van te ontwaken, ze kunnen je in de war maken, wekken en verwarmen.
Een tijdje terug probeerde mijn droom mijn onderbewustzijn er van te overtuigen dat het NIET WAAR was dat Aart dood was. Het werd een hevige discussie waarin mijn droom zei dat Aart gewoon in het ziekenhuis was en nog leefde en ik steeds riep dat hij écht dood was. Uiteindelijk kwam hij in mijn droom binnenlopen en moest ik concluderen dat mijn droom toch gelijk had. Tot ik wakker werd en onmiddellijk het besef had dat het een droom was geweest, want de andere kant van het bed was leeg.
Een paar dagen terug had ik een andere droom. Ik lag ’s avonds in bed en miste die knuffel, een paar armen om me heen en gefluisterde gesprekken.
Die nacht droomde ik dat ik verliefd werd op een Barry Atsme look-a-like, maar dan iets langer en dunner en wat jonger. Hij was acteur (goh) en woonde in een vreemdsoortig landhuis samen met een hoop kunstenaars waarvan ik er eentje kende. Ik kwam hem ergens tegen en vond hem gelijk leuk. Hij mij ook maar hij was bang dat ik alleen maar troost zocht. Ik vond het véél te snel, maar hij was zó leuk. Bij het afscheid gaf hij mij een zoentje. Later zei zijn beste vriend dat hij normaal nooit zo reageerde en dat hij normaal veel terughoudender was. Ik was verkocht!
Veel verder dan dat ging de droom niet maar ik werd er heel behaaglijk van wakker, voelde me bijna vertroeteld en geknuffeld. Deze keer was het helemaal niet erg dat het niet echt waar was want voorlopig heb ik echt wel even genoeg aan een droom.
Bawwy Atsma, hewe I come!

20130813-100749.jpg

Upcycle

Lucasbroekje1

‘Ashes to ashes, dust to dust’ klinkt een zware stem in mijn hoofd. De stem galmt door de ruimte. Het is een beetje raar, maar dit regeltje keert de laatste tijd regelmatig terug in mijn hoofd. Een googlebeurtje leert mij dat het een gebed is, wat dit alles nog wat vreemder maakt. Want wat moet ík nou met een gebed? Het is denk ik meer het idee van de levenscyclus dat mij aanspreekt. Het idee dat alles gemaakt word van de aarde en daar ook weer naar terugkeert. Veel poëtischer wordt het voor mij trouwens niet, ik zie dan voor me hoe de wormen leven van de aarde die ontstond toen ik mijn bosje bloemen composteerde. Wat zou er gebeuren als ik Aarts as uitstrooi over zee? Zouden de vissen er naar happen alsof het vissenvoer is?

Die cyclus in mijn hoofd strekt zich ook uit tot Aarts spullen. Er is zo veel waar herinneringen aan kleven maar ook niet meer dan dat. Wat moet ik met zijn oude uit elkaar vallende badjas die mij veel te groot is? Ik herinner me hoe vervelend ik het vond als hij die aanhad als ik met hem knuffelde, dan trok ik hem open zodat ik mijn wang op zijn T-shirt er onder kon leggen en de warmte voelen.
Wat moet ik met die leren jas die hij veel droeg toen ik hem leerde kennen, waar hij jarenlang bijna in woonde en waarin zijn belangrijkste spullen zaten, zijn portemonnee en zijn paspoort. Die jas die hij wel eens om mijn schouders legde als ik het koud had, maar die zo zwaar is dat ik er niet mee kon lopen.
Wat moet ik met dat oude overhemd wat hij na jarenlang dragen een tweede leven gaf als schilderoverhemd? Een tot de draad versleten boord en vol met vlekken op de voorpanden waarin hij regelmatig voorovergebogen zat te schilderen op die minuscule poppetjes van hem. Als hij niet per ongeluk nog zijn gewone kleding aanhad en dan vergat dat acrylverf eenmaal opgedroogd echt met geen mogelijkheid uit je kleding gaat. Of nog mooier, die ene broek die erg leek op een andere broek die al lang schilderbroek was geworden vanwege de vele vlekken.  Aart dacht dat die twee broeken één waren en dat die vlekken er dus uit gingen in de was. Dus smeerde hij er lustig op los op zijn nog wél goeie en schone broek. Wat dat betreft had Aart sowieso nogal veel ‘schilderkleding’.

In mijn recente creatiedrang en verwoede pogingen om overal wat van te maken ben ik aan het naaien geslagen, ik heb een draagzak genaaid voor Lucas en een luifeltje voor boven zijn wagen, een hoesje voor mijn e-reader en nu wilde ik dus een broekje naaien. Met een beetje hulp van mijn moeder kwam ik tot de conclusie dat het stofje wat ik ervoor wilde gebruiken bepaald te klein was en dus doken we in de kledingkast om te zien of we misschien een oud kledingstuk konden vinden. Mijn moeder is namelijk de koningin van het upcyclen. Upcyclen is helemaal hip en happening tegenwoordig, je maakt van iets ouds, een dekbedovertrek, een kussensloop, een oud kledingstuk of iets anders wat klaar is om weggegooid te worden want niet meer bruikbaar in de huidige staat, iets nieuws. En in plaats van recyclen noem je het upcyclen omdat je het niet terugbrengt tot grondstoffen maar gebruik maakt van de vorm die het nu heeft.

In de kast vond ik Aarts oude schilderoverhemd en dat bleek dus uitermate geschikt voor upcycle. Mijn moeder tekende en knipte het patroon, ik naaide het in elkaar.
En zo kon het gebeuren dat Aarts dierbare verfoverhemd nu door Lucas wordt gedragen als broekje. Nu hoop ik maar dat Lucas niet zijn vaders talent tot vlekken maken heeft geërfd want dan is er geen redden aan.

Lucasbroekje2

Nachtelijke ontmoetingen, nachtelijke ontboezemingen

20130802-022612.jpg

Het is bijna 2.00 uur in de nacht. Ik lig in bed met holle ogen van vermoeidheid maar de slaap kan ik niet vatten. Alweer niet. Lucas ligt naast me al uren woelig te slapen, inmiddels bijna overdwars in zijn bedje.

Mijn hoofd zit vol gedachten, barstensvol gedachten over Aart. Over wat ik allemaal nog op wil schrijven, hier op dit blog en over mijn herinneringen en over wat ik mis en wat ik nog zou willen. Het liefdesromannetje wat ik van de weeromstuit las eindige in een anti climax met een ‘oh lieveling’ gelijk was mijn liefde over, gadverdamme, smerig taalgebruik. Ik had Aart graag willen laten gruwelen van afgrijzen door dat dan tegen hem te zeggen. ‘Oh lieveling!’ en dat dan op ongepaste momenten.

Op de achtergrond hoor ik in de verte een goederentrein razen en mijn gedachten dwalen af naar hoe Aart van die stadse geluiden hield. Hoe hij als we ’s nachts lagen te praten en een trein hoorden vertelde over hoe hij van die geluiden genoot. Soms hoorden we een motorrijder rondjes rijden om ons blok, ik vond dat maar een vreemde hobby en ook behoorlijk irritant. Aart genoot er juist van, hij zei dat die geluiden hem een vertrouwd gevoel van in de stad zijn gaven. Alsof hij er naar verlangde ook ’s nachts bevestiging van de bewoonde wereld te krijgen.

‘S nachts…
‘S nachts hadden we regelmatig ontmoetingen. Dan ging ik naar de wc en hij ook, of hij bleek al lang op te zijn of ik kwam hem tegen in de keuken met een stapel boterhammen terwijl ik op zoek was naar een appel. Dan gaven we elkaar een knuffel in de gang in het voorbijgaan of zoenden we elkaar in de keuken. We maakten grapjes over dingen die er niet toe deden en vaak besloten we dan maar weer samen terug te gaan naar bed. Soms volgden urenlange serieuze gesprekken, andere keren gierden we het uit van meligheid. We hadden we vaak de beste gesprekken en de grootste lol.

En nu lig ik in dat grote bed, alleen, we hadden net van plek geruild zodat ik dicht bij Lucas kon slapen. Ik hoor lieve geruststellende geluidjes naast me en bedenk me dat ik niet denk dat Lucas voor zijn tiende verjaardag in zijn eigen kamer mag gaan slapen ’s nachts. Ik lig in bed en staar in het donker en telkens weer zijn daar die duizenden gedachten. Alle mooie dingen die nu ook verdrietig zijn houden me wakker en ik zou gewoon zo graag nog eens midden in de nacht tegen Aart willen zeggen: ‘Ik houd van je … Ik houd verschrikkelijk veel van je’.