De deceptie van een geit en andere overpeinzingen

Illustratie: Wendel Jacobs

Illustratie: Wendel Jacobs

Daar zit ik dan, rechtop in bed. Uit Lucas’ kamer komen zachte protestgeluiden. Ik heb hem zojuist bevrijd van een veel te warme deken. De deken die zijn altijd woest maaiende armen juist in toom houdt.
De dag werd vanmorgen gekleurd door felle zon, hoewel ik niet wakker wilde worden en dreigde even diep weg te zinken in het donkere hol van mijn bed werd ik uiteraard keurig gewekt door het enige totaal van mij afhankelijke wezen hier in huis die een ontbijt wenste. Of misschien was het niet eens zo zeer ontbijt als wel contact, aandacht en een beetje plezier. Wie ben ik om dan in bed te blijven liggen?

Nadat ik mij met veel moeite uit mijn bed had gehesen en twee poepluiers, een papfles en een ochtenddutje verder was besloot ik Lucas kennis te laten maken met zijn eerste echte geit. Een schaap was ook goed trouwens, of een konijn, paard, koe als het maar lief en aaibaar was.
Het was een heerlijke wandeling, dat moet ik vaker doen dacht ik. Park Schothorst lag er op deze zaterdagmorgen verlaten bij, geen vrolijke uitgelaten gezinnen, geen papa’s en mama’s met hun kroost. Ik voelde me alleen terwijl ik daar liep. Dit had ik met Aart willen doen nu, dit was ons doel. Kleine kneuterige dingetjes weer kunnen doen, een gezin zijn.
Die geit werd een deceptie. Na een lange omweg vind ik eindelijk de geiten, het zijn er twee en een veldje verder staan ook nog twee schapen. Wat wil een mens nog meer. Het is uitgestorven en als ik eindelijk de ingang heb gevonden blijkt het hek op slot te zijn. Geen geit voor Lucas. Erger nog, geen geit voor mij. Ik ben een beetje verzot op die beesten en zag eindelijk een mooi excuus om te gaan geitknuffelen. Vanuit de verte kon ik naar ze zwaaien. Dag geitjes. Lucas had alleen oog voor de bomen maar kauwde verder heel tevreden op zijn duim. Ook goed.

Eenmaal thuis met Lucas in bed voor zijn middagdutje ga ik doen wat ik al de hele week had moeten doen. Een sinterklaasgedicht schrijven. Nou doe ik dat altijd op het laatste momen, gewoon zoals dat hoort bij Sinterklaas, maar deze keer is toch anders. Ik vier dit jaar geen Sinterklaas, wil het liefst ook eigenlijk vergeten dat die er is al gaat dat moeilijk als een hele pietenfanfare in je oor blaast bij het boodschappen doen. Toch besloot ik al een hele tijd geleden mee te doen met lootjes trekken. De cadeautjes versturen we via de post. Het is een gekke worsteling dat gedicht, zoals altijd wordt de dichtader geraakt als ik een tijdje heb zitten ploeteren maar tegelijk voel ik ook die brok in mijn keel.

Ik denk aan jaren van Sinterklaasvieringen met Aart. Op de dag zelf sloten we ons op in onze kamers en gingen we dichten. We schreven voor elkaar en voor zijn oudste kinderen. Soms wisselden we ideeën uit door via het trapgat te brullen. We verdeelden de cadeautjes: “Schrijf jij hierbij wat? Dan neem ik die!”.
Meestal gingen we als we lekker op dreef waren nog door na het verplichte aantal gedichten en hadden we voor ieder twee of soms zelfs drie (mits er genoeg cadeautjes waren).
Ik vier dit jaar geen Sinterklaas, ik heb mezelf een pauze gegeven, hoef dit jaar echt nog niet. Ik merk dat ik moet slikken elke keer als ik met het fenomeen geconfronteerd wordt en ik voel buikpijn en een leeg hart als ik denk aan al die gedichten die ik nooit meer zal krijgen. Liefdesbetuigingen, standjes of mooie overdenkingen kreeg ik via Sinterklaas. Een mijter met een staf en een hartje tekende hij eronder zodat ik wist dat ze van hem kwamen. Dat wist ik sowieso.
Lieve Sint, ik heb dit jaar maar één wens op mijn verlanglijstje: mag ik ‘m terug?

De rest van de dag kan ik het verdriet niet meer van me afschudden. Ik denk aan Sinterklaas vorig jaar wat we niet vierden. Dat zouden we dit jaar wel inhalen. Ik denk aan kerst. Dit jaar ga ik naar Terschelling, vorig jaar zat ik bij Aart in het ziekenhuis met lekkere hapjes. Dit jaar neem ik geen kerstboom. Of heel misschien een hele kleine.
Ik denk aan oud & nieuw en aan hoe 2013 ons jaar zou worden. Ja, want zo rot als 2012 eindigde kon 2013 toch nooit worden. Ik luidde het jaar in zonder Aart, die lag te slapen in zijn ziekenhuisbedje terwijl ik Amsterdam bij mijn ouders mijzelf beloofde dat het echt beter zou worden in 2013, ik wist het zeker.
Ik denk aan oud & nieuw dit jaar. Wat moet je met zo’n gedrocht van een dag? Ik heb geen plannen want ik heb geen zin om iets te organiseren. Ik wil iets fijns, warms en gezelligs maar ik ben bang voor het verdriet wat ik met me meebreng. Dat wil ik niemand aandoen. Ik voel me verschrikkelijk alleen en het gevoel kan ik niet van me afschudden.

Daar zit ik dan in bed, in de kamer van Lucas is het inmiddels stil. Ik heb Aarts trui van zolder gehaald en aangetrokken, hij moet mij troosten. Ik ruik eraan maar hij was zeker nog schoon toen hij hem mee naar boven nam want hij ruikt fris, alsof hij niet al zes maanden daar lag op de zolder. Ik zit hier alleen in bed.

Advertenties

Spiegelbeeld

Illustratie: Wendel Jacobs

Illustratie: Wendel Jacobs

In de hoek van de slaapkamer zie ik bewegingen. Heel even hoopvol kijk ik naar de hoek van de kamer. Daar hangt een spiegel die mijn bewegingen vangt. Voor Lucas is zijn spiegelbeeld genoeg voor een brede lach gevolgd door verlegen wegduiken voor zijn nieuwe vriendje. Ik weet, ik ben het zelf maar.
Nog even spiek ik door de kier van de slaapkamerdeur naar de gang. Ik hoop twee benen te zien die van de zoldertrap naar beneden komen, twee blote benen, maar helaas zie ik niks en hoor ik niks. Ik weet het, vergeefse hoop.
Sinds een tijdje is de slaapkamer niet meer die van ons maar van mij alleen. Mijn kleren hangen aan de haakjes, mijn schoenen slingeren rond. Naast me in bed de babyfoon. Geen stapels boeken op de plank boven mijn hoofd, geen rondslingerende badjas met vieze papieren zakdoekjes in de zakken. Op het bankje liggen alleen nog twee doosjes Diele met honingsmaak. Eigenlijk eet ik ze niet maar staan ze daar nog een beetje voor Aart.
Geen vluchttas meer op het bankje. Wij hadden er allebei eentje staan. Mijn vluchttas ging op het laatst elke controle mee naar het ziekenhuis. Toen ik de laatste keer opgenomen werd kwam hij goed van pas, ik kon zo de taxi in. Ook die van Aart stond er door schade en schande wijs geworden en is heel wat keren meegegaan als we weer eens richting het ziekenhuis moesten.
Het is eigenlijk maf hoe ervaren je raakt in zulke situaties en hoe je went aan abnormale dingen. Tot voor kort stond er een bloeddrukmeter op de plank boven de plek waar Aart ooit sliep en die tas dus op het bankje. Gewoon normaal beeld geworden maar bij het opruimen er van besefte ik dat het dat niet was. Het was verdrietig beeld van hoe de ziekte gewoon stiekem ons huishouden was binnengeslopen en er zonder dat ik dat door had onderdeel was geworden. Zelfs nadat meneer Ziek de patiënt al had meegenomen. Weg ermee!
Daar lig ik dan in mijn eentje in bed met slechts het gezelschap van mijn babyfoon en mijn spiegelbeeld. Nooit meer wakker worden naast mijn beste vriend, mijn fijnste knuffelbeer, mijn allerliefste, mijn praatpaal en mijn honingbeertje (ja nu mogen jullie braken, Aart maakte er een sport van het zoetigheidsgehalte in onze relatie zo goed mogelijk op peil te houden). Nooit meer in zijn zij porren omdat hij snurkt, nooit meer ruzie om de dekens. Nooit meer een boos “Lig nou toch eens stíl” van de andere kant van het bed. Nooit meer horen hoe hij je liefkozend prinses op de erwt noemt omdat je elk zandkorreltje en elke vouw weg probeert te krijgen omdat je anders niet kunt slapen.
Ik lig nu alleen in bed heb het tweepersoonsdekbed helemaal voor mij alleen, ik heb Aarts elektrische deken ingepikt want die van mij is korter en we hebben nooit meer ruzie over dat iemand met een willekeurig lichaamsdeel over de helft ligt. Aart hoeft niet te klagen, elke nacht slaap ik keurig op mijn helft; alleen, maar wel alsof hij me elk moment een por kan geven omdat ik te ver uit steek. Ik zal nooit meer te ver uitsteken, oké? Als ik dat beloof kon je dan weer terug?

Dag spiegelbeeld, dag lege kant van het bed, dag lange nacht, ik ga slapen.

Een druiventakje

druiventakje

Mijn hand zweeft boven de prullenbak, ik houd een takje vast van de druiven die ik net at. Op het laatste moment bedenk ik me, niet doen! Druiventakjes moet je áltijd bewaren!
Vijf maanden geleden had ik ze voor het laatst in huis. Aart had ze gekocht en ik heb ze laten wegrotten in de koelkast want eten kon ik ze niet. Aart was gek op druiven, er stond bijna altijd wel een bakje voor hem klaar. Ik verdenk hem er van dat hij vooral graag druiven at vanwege zijn hobby. Net zoals hij graag ijsjes at vanwege zijn hobby. Want het moet leuk zijn, niet duur, zo’n hobby en zelf gemaakt is natuurlijk het allerleukst.
Altijd als ik druiven wilde eten hield Aart een pleidooi voor de takjes ervan. Of ik ze wilde besparen, een tweede leven wilde gunnen als boom of struik.
Soms ontdekte hij dat ik druiven gegeten had omdat het doosje leeg was, weggegooid. Altijd zag ik dan weer die lichte paniek in zijn ogen waarop ik dan geruststellend kon zeggen: “ik heb ze bewaard hoor”. Pfoeh…opluchting!

Vandaag kocht ik voor het eerst in 5 maanden weer druiven. Niet voor mezelf maar om Lucas te laten proeven. Geen groot succes, hij sabbelde een half uurtje op een halve druif, spuugde hem toen uit en gooide de andere doormidden gesneden druiven op de grond. Misschien had hij toch liever een takje gehad. Dus besluit ik ’s avonds maar om aan de druiven te gaan, zonde om ze te laten liggen en eigenlijk zijn ze natuurlijk best lekker.
Daar sta ik dan met een druiventakje in mijn hand. Ik wil naar boven rennen om het te brengen, dat was meestal wel goed voor een dikke knuffel en een zoen. Mijn hemel wat heb ik zin in een knuffel en een dikke zoen.

Het druiventakje gebruik ik maar voor deze blog, dan heeft het in ieder geval nog een doel. Ik loop ook nog even over zolder en grasduin tussen de bomen. Heel even zie ik in gedachten Aart daar zitten en mezelf bij hem staan, mijn handen op zijn schouders, allebei voor over gebogen kijkend naar zijn laatste project. Ze staan er nog, de bootjes waar hij mee bezig was, over zijn stoel hangt een trui. Ik besef dat zelfs zijn domein langzaam steeds meer van mij wordt. Die trui heb ik daar gehangen, zijn lievelingstrui, zacht, warm rood. Gered van de muffigheid op zijn werkkamer en daarom op de voorzolder over een stoel gehangen, zijn stoel. Die bootjes, ik heb ze al talloze keren in mijn handen gehad. Met elke beweging die ik maak wis ik zachtjes weer wat sporen, dat moet omdat ik hier woon. En met elk spoor dat ik zachtjes wis komt ook het gemis.

Een jaar geleden (2)

Ondanks dat Aart in het ziekenhuis lag ging ik toch naar koor, ik moest gewoon even van me af zingen. Heilzaam en gewoon even vergeten, proberen door te gaan met mijn leven. Zo was het precies een jaar geleden en zo is het nu nog.
Op de fiets naar huis kreeg ik buikpijn, mijn darmen dacht ik, tja 18 weken zwanger, het rommelde er op los daarbinnen. Ik ging naar bed met twee paracetamol want het deed best pijn maar helaas leek het maar niet te helpen. Ik ging naar de wc maar ook dat bracht geen verlichting. De uren van de nacht gleden voorbij en ik moest aan Aart denken die er misschien wel net zo bij lag in zijn ziekenhuisbedje. De pijn was niet te harden maar morgen zou het beter zijn. Dat moest, dat kon niet anders want dan moest ik weer naar Aart, met hem knuffelen, voor hem zorgen en dingen voor hem regelen. Het was zes uur, ik lag te huilen in bed. Ik wilde de dokterspost niet bellen want ik wilde niet met een ambulance weggebracht worden. Het was een déjà vu, ik wilde gewoon niet ziek zijn en ook niet Aart achterna. Om 8 uur belde ik de huisarts dat ik zo’n buikpijn had, de assistente zei dat ik de verloskundige maar moest bellen. Op mijn vraag of ik dan het spoednummer moest bellen antwoordde ze: “dat kan ik niet beoordelen”. Daar lag ik dan, mijn pijn verbijtend, ik keek op de klok, de verloskundigenpraktijk ging pas om 9 uur open. Ik belde Aart in de wetenschap dat het ziekenhuisleven vroeg zou zijn begonnen. Hij schrok van mijn gesnik, dacht dat er iets vreselijks was maar deed wat hij altijd deed. Hij bracht me tot reden en sommeerde me onmiddellijk de verloskundige te bellen.
Ik trok een schone onderbroek aan en een joggingbroek en een bh zodat ik de verloskundige goed kon ontvangen. Ik liep met mijn handen op mijn buik voorover gebogen rondjes door het huis. Stiekem, stiekem wist ik het wel maar ik wilde het niet weten. Ik ben níet ziek, niets aan de hand, gewoon buikpijn, kan gebeuren. Buikgriep of zo en ik heb ook geen koorts dus niks aan de hand.
De verloskundige zei het gelijk, het zou zo maar een blindendarmontsteking kunnen zijn, maar “we gaan alles checken”. Omdat ik alleen was bracht ze me in haar auto naar het Elisabeth-ziekenhuis waar de Gynaecologie zit, in een rolstoel duwde ze me door de gangen, elk hobbeltje deed pijn. Ik weet nog dat mijn telefoon ging toen ik voor de lift stond, ik had een afspraak…in het Elisabeth. Of ik misschien later kon. Ik herinner me nog steeds de absurditeit van dat telefoontje.
Op de afdeling moest ik wachten tot er een gynaecoloog kwam, ik zat in de harde rolstoel en raakte steeds verder weg, ze haalden een bed voor me want ik viel bijna flauw van de pijn. Het inwendige onderzoek wat even later volgde maakte het niet heel veel beter. Gepor in mijn buik en een inwendige echo wezen uit dat ik niet aan het bevallen was en dat met het kindje in mijn buik alles goed was. Dat wist ik, dat heb ik eigenlijk de hele tijd geweten, ik had gewoon buikpijn.
Ja zei ze: “Het is 25 jaar geleden dat ik co-schappen chirurgie liep, maar ik denk toch aan een appendicitis”. Ik dacht dat niet kon, ik heb dat soort dingen niet, ik heb gewoon buikgriep, meer niet.
Ik moest naar de Lichtenberg waar de eerste hulp zat, waar Aart was, ik was zo blij dat ik naar Aart kon. Maar met de ambulance wilde ik niet, écht niet. Ik ging nog liever op de fiets. Mijn moeder bracht me de hobbelige weg van het Elisabeth naar de Lichtenberg (met de auto uiteraard), ik zal ‘m nooit vergeten.
Daar mocht ik eindelijk Aart knuffelen die wit zag van vermoeidheid en zorgen. Na een half uurtje moest hij weg, hij moest echt even gaan liggen. Ik ging nergens heen.
Na een uur wachten en nog altijd heel veel pijn, iets anders dan paracetamol mocht ik niet hebben omdat ik zwanger was, mocht ik uiteindelijk weer in zo’n ijskoude harde rolstoel naar de kelders van het ziekenhuis voor een echo. Een hoop gepor en geduw in mijn buik, een paar dames die verwonderd naar mijn kindje keken (ze doen daar alleen maar blinde darmen en andere aandoeningen, geen kindjes). Of ik even wilde aanwijzen waar de pijn zat. En ja, eindelijk die blindedarm gevonden, duidelijk ontstoken. Nee dacht ik nog, dat kan niet, ik heb gewoon buikpijn. Morgen ben ik beter en dan ga ik weer voor Aart zorgen. Ik kan niet geopereerd worden want ik heb een kindje in mijn buik.
Het kon wel, die middag nog ging het gebeuren. Eerst moest er een infuus geprikt worden. De eerste zuster probeerde twee keer, de tweede zuster één keer, toen kwam er een broeder die het ook nog eens probeerde en toen stuurden ze me zonder infuus naar de pre-operatiekamers. Daar werd ik nogmaals misgeprikt en uiteindelijk kreeg ik maar een infuus in mijn elleboog. Het meest pijnvrije infuus wat ik ooit gehad heb.
Ik lag op een koude harde tafel, de chirurg die me ging opereren gaf me een hand, ik kon hem niet goed zien want ik had mijn bril niet op, hij wel dacht ik. Ik vroeg of het geen kwaad kon voor mijn kindje dat ik geopereerd werd. Hij zei dat het beter was van niet, maar dat ze het mildste van het mildste zouden gebruiken en dat ik ook niet door kon lopen met zo’n blindedarm. Ik gaf me over, zei dat het dan maar moest. De infuusvloeistof werd ingespoten en een hele tijd later werd ik wakker. Mijn zorgverzekering € 5269,30 en ik een bijna gesprongen blindedarm armer.

Tot nooit meer ziens!

Klaar

Illustratie: Wendel Jacobs

Illustratie: Wendel Jacobs

Ik ben er klaar mee. Op 29 oktober schreef ik er over, EMDR, toen zou ik mijn eerste sessie de volgende dag hebben. Ik was gespannen, ik vond het maar een vreemde methode en wist niet zo goed wat ik er van moest vinden. Een soort wondertherapie met oogbewegingen of klikjes, ik wist het ook niet zo goed. Het is dat het wetenschappelijk bewezen is dat het werkt én dat ik van veel mensen gehoord heb over de goede resultaten anders had ik er van Aart nooit aan mogen beginnen. Aart hield niet zo van wazige dingen, hij was zelfs abonnee van Skepter een tijdschrift waarin alle pseudowetenschap aan de kaak wordt gesteld. Op de website van Skepter staat overigens een kritisch artikel over EMDR waarin weliswaar het effect van EMDR inderdaad omschreven wordt maar waarin ook niet uitgesloten wordt dat dit resultaat ook op andere manieren te behalen valt. Mij maakt het niet uit, als het maar werkt. En Aart, tja als die had geweten dat ik door zijn dood EMDr moest gaan volgen had hij zich vast wel twee keer bedacht. Alternatieve geneeswijzen vond hij als vloeken in de kerk en psychologen at hij het liefst rauw. Nou ben ik niet zo beïnvloedbaar, ik verslind psychologen bij het leven maar dan wel graag goed gaar gestoomd. Gelukkig weet ik inmiddels dat er een hele geschiedenis aan vooraf is gegaan en dat hij, zolang hij er van overtuigd was dat het me niet zou schaden en wellicht zelfs zou helpen wel achter me stond. Op dus naar de EMDR!

Inmiddels heb ik twee sessies achter de rug en ik moet zeggen dat het nog waziger is dan ik had gedacht. Een psycholoog met iets meer neushaar dan mij lief is en een vreemdsoortige cactus in zijn kamer die vlak naast mij zittend van papier allerlei dingen voorleest en vraagt volgens de protocollen van de EMDR en die vervolgens met zijn hand voor mijn ogen begon te zwaaien. Maar het moet gezegd, er gebeurden gekke dingen. Die eerste sessie was heel heftig, mijn grootste angst, mijn eeuwige flashback en het beeld wat ik het liefst zo gauw mogelijk wegdrukte moest ik vol in de ogen kijken en daarna nog voller. Als ik dacht dat ik het akeligste had moest ik nog eens even lekker inzoomen op het akeligste van het akeligste. Nou geloof me, dat is akelig! Halverwege de sessie voelde ik me al af en toe alsof ik zweefde boven de grond en ik had moeite mijn ogen open te houden en gek genoeg zakte ook het heftige gevoel bij het beeld weg zoals wanneer je op je blote voeten op een zompig wad loopt. “Wendel, als je een cijfer moet geven aan de emoties die je voelt bij dit beeld, waarbij 10 de meest heftige emotie is en 0 neutraal, welk cijfer zou je dan geven?”. Ik begon ‘de sessie’ bij 10 en eindigde ‘m met 4, dus.
Toen ik na de sessie naar huis wilde moest ik mezelf overigens eerst even bij de kladden grijpen en met beide benen op aarde neerzetten. Dat gevoel heeft drie dagen geduurd, ik wist niet dat een mens zo moe kan zijn!

Vandaag had ik de tweede sessie en ik moest al voor die begon tot mijn stomme verbazing concluderen dat ik inderdaad nauwelijks nog flashbacks had, dat ik het beeld bewust moest oproepen en dan nog steeds niet die hele heftige emoties voelde als in het begin. Ik dacht dat het wel klaar was ook, ik kon me niet voorstellen dat het nog minder zou kunnen worden. En toch gingen we door en toch moest ik tot mijn stomme verbazing erkennen dat er nog meer vanaf kon. Soms wilde ik dat bijna niet, dan wilde ik zeggen: “nietus, ik voel nog steeds een 10 want dat hoort”, maar ik voelde het niet, ik voelde het heel langzaam zachtjes steeds verder van me afglijden tot op het punt waar ik nu ben beland. Het doet me verdriet om aan de hele gebeurtenis terug te denken, maar het specifieke beeld roept nauwelijks extra emoties op, laat staan paniek, kippenvel en angst.

Ik ben klaar! Twee sessies en ik ben gewoon alweer klaar. Iets in mij blijft een beetje narrig zeggen dat het niet waar kan zijn en ondertussen verdenk ik de psycholoog er stiekem van dat hij me gehypnotiseerd heeft en dat ik mezelf niet ben. We zullen zien…de tijd zal het leren en dan wil ik nu graag honderd jaar slapen.

Een jaar geleden (1)

11 november 2012 naaide ik dit speelkleed voor Lucas.

11 november 2012 naaide ik dit speelkleed voor Lucas.

Het is begonnen, het grote der ‘jaar geledens’.
Gisteren een jaar geleden was er nog niets aan de hand. Nou ja er was genoeg aan de hand, maar dat wisten we gelukkig nog niet. Ik was 17 weken zwanger, Aart was 1,5 week daarvoor gestopt met roken en voor het eerst in jaren van stoppogingen ging dat niet gepaard met onuitstaanbaar chagrijnige buien en onredelijk gedoe. Misschien was de naderende komst van Lucas voldoende stok achter de deur om echt te willen, het was wel de reden om op dat moment een stoppoging te doen.
’s Avonds zaten we bij de Italiaan te eten en Aart had grote plannen, hij was in een opperbest humeur en voelde zich goed. Hij zou nu ook éindelijk gaan afvallen, hij zou weer gaan sporten. Ik moest het eerst zien dan geloven, Aart had wel vaker grootse plannen wat zijn gezondheid betreft maar uiteindelijk kwam daar zelden echt wat van terecht. Hij had ook plannen waar ik stiekem om moest grinniken, de marathon lopen bijvoorbeeld. Toen ik een beetje besmuikt zei dat ik dat wel heel ambitieus vond halveerde hij hem alvast. Ik zag het al voor me, die grote zware man die zijn knieën kapot zou rennen op een marathon. Dat kon zelfs 30 kilo minder niet voorkomen. We maakten grapjes en ik riep dat hij dan zo’n tanig oud ventje zou worden. Dat ‘oud’ vond hij niet zo geschikt en ‘ventje’ was ook niet helemaal hoe hij zichzelf wilde bestempelen, maar met tanig kon hij het wel vinden. Dus we spraken af, Aart zou een tanig ventje worden en we bezegelden het met een high five.

Amper 6 uur later zag het er in huize Brouwer heel anders uit. Het was een uur of 4 ’s nachts, Aart maakte me wakker want hij had het stikbenauwd. De paniek sloeg toe bij hem en hij begon steeds sneller te ademen. Ik probeerde hem gerust te stellen dat hij nog niet blauw zag en belde de huisartsenpost. Het was een hoop gedoe aan de telefoon, terwijl ze gingen overleggen, wat een eeuwigheid duurde, raakte Aart steeds meer in paniek. Na een hele poos kwam de assistente terug aan de lijn met de mededeling dat hij maar even in een zakje moest blazen, zou wel hyperventilatie zijn. Het zakje deed niks en Aarts paniek werd alleen maar groter. Of we misschien even langs konden komen…nou nee, ik kon geen man van boven de 100 kilo in de auto hijsen of opvangen als hij van de trap lazerde. Na veel gemor beloofden ze een arts te sturen. In het half uur tussen het bellen en dat de arts kwam riep Aart meermalen dat ik maar een ambulance moest bellen. Ik bleef kalm, zei dat ik dat onmiddellijk zou doen als het slechter zou gaan, maar dat hij niet blauw zag, nog op zijn benen stond en geen andere klachten had en dat hij dus vooral rustig moest blijven ademhalen. De arts kwam en liet hem in een anti-hyperventilatieapparaatje (leuk woord voor galgje) blazen. Hielp niks, wat de arts maar raar vond, kom op zeg, als je benauwd bent en in paniek heb je toch zeker last van hyperventilatie. Pas daarna besloot hij ook maar eens de saturatie (zuurstofgehalte in het bloed) te meten. Oeps, 83% was wel erg laag en bovendien heeft iemand met hyperventilatie juist een hele hoge saturatie.
Met een door de dokter lousy geprikt infuus werd Aart toch maar  met een ambulance naar het ziekenhuis gestuurd ‘op verdenking van longembolie’.
Ik ging rustig wat spullen pakken en stapte niet veel later ook in de auto. In het ziekenhuis zei ik tegen Aart dat ik hem ’s middags wel weer mee naar huis zou nemen, ik had zelfs al wat kleren voor hem meegenomen (want hij was de ambulance ingegaan in zijn ondergoed).

Na de ct-scan was het wel duidelijk dat hij geen longembolie had…nee dat niet. Het was ook duidelijk dat daar iets zat wat er hélemaal niet goed uit zag, op het blote oog zagen ze al dat de aorta flink verwijd was.
Dat was het, het begin van alle ellende, het begin ook van het einde. Of nou ja, het was natuurlijk al veel eerder begonnen. In de weken erna bleek dat zijn hele vaatstelsel aan gort lag, zijn linkernier was afgestorven en zijn hart niet goed functioneerde. De artsen stonden voor een raadsel, hoe kon iemand zo jong, zonder erfelijke factoren in de familie zo’n slechte binnenkant hebben? Zelfs met slechte leefgewoonten kon je dat niet voor elkaar krijgen zonder op zijn minst in de aanleg al een flink probleem te hebben. Wat dat probleem was is nooit duidelijk geworden overigens.

Vandaag een jaar geleden begon alle ellende. Aart werd opgenomen in het ziekenhuis en bleef daar uiteindelijk ruim 8 weken. Komende tijd zijn er veel ‘een jaar geledens’, een sentiment waar ik helemaal niet zo van houd, maar waar ik nu toch tegenaan loop omdat elke dag onder een vergrootglas ligt. Het is een gek besef dat een jaar en een dag geleden nog alles oké leek. Een jaar geleden zeiden we tegen elkaar dat hij vast ’s middags weer naar huis mocht, ’s middags zeiden we dat het misschien een paar dagen zou duren, en dan… Maar hij was ziek, veel zieker dan wij een jaar geleden op deze dag konden overzien.

Een jaar geleden alweer, een jaar geleden pas.

Droom

Illustratie: Wendel Jacobs

Illustratie: Wendel Jacobs

Het komt niet vaak voor dat ik droom. Tenminste, niet dat ik weet. Over het algemeen slaap ik maar zulke kort stukjes nacht dat er volgens mij weinig tijd overblijft om te dromen. Als ik dan toch gedroomd heb ontglipt die droom me vaak voor ik goed en wel wakker ben en kan ik hem met de beste wil van de wereld niet meer te pakken krijgen.

Vanmorgen werd ik om 6.15 u wakker, ging naar de w.c. en sliep daarna weer verder, niks wat me herinnerde aan een droom. Een uurtje later werd ik wakker van Lucas vrolijke geluidjes uit de kamer naast de mijne. Ik haalde hem op en samen in mijn kamer sliepen we nog wat verder. Uiteindelijk lag ik nog een beetje wakker te worden terwijl Lucas al lang klaar voor de dag was. Zo gaat dat wel vaker, sinds ik regelmatig maar een paar uur per nacht slaap ben ik ineens geen ochtendmens meer.

Ik gaf Lucas de fles en speelde wat op mijn ipad terwijl Lucas probeerde zelfstandig het laatste restje pap uit de onderkant van de fles te lurken toen ineens een gedachte in me opkwam: ‘Aart is niet dood.’. Hmmm vreemde gedachte, ik weet heel zeker dat dát niet klopt. Ineens komen er meer beelden en snap ik het, ik heb gedroomd. Waar mijn dromen normaal vervliegen als ik ze niet even goed beet pak, is deze blijven hangen door het onderwerp.

Ik droomde dat Aart niet dood was, dat ik mensen moest gaan vertellen dat het niet klopte. Die mensen vonden dat maar raar dus ik zei: “Ja we dachten wel dat hij dood was, maar dat was toch niet zo.”. In mijn hoofd spelen de beelden van hoe ik hem vond zich af, maar aan het einde was hij niet dood maar ging hij toch weer ademen. Hij was wel bijna dood en we hadden echt een tijdje gedacht dat hij dood was, maar uiteindelijk kwam hij weer uit het ziekenhuis en was hij weer thuis. Hij ging Lucas zou voorlezen zoals we hadden afgesproken. Maar, in mijn droom was ik ook realistischer dan verwacht want ik droomde ook dat hij dan nu wel bij me was gebleven maar dat het toch elk moment gepiept kon zijn. Ik kon me goed voorstellen hoe akelig dat zou zijn als een soort vooruitblik op de toekomst. In het echt weet ik natuurlijk wel hoe dat voelt. Ik melde me af bij een lotgenotengroep wat ik eigenlijk heel jammer vond want het was daar zo gezellig en fijn. Ze waren zo blij voor me dat mijn man toch nog leefde maar dat ze me zouden missen en ik riep: “Don’t worry, I’ll be back!”.

Dat klopt, Aarts hernieuwde leven eindigde met het eindigen van die droom. Jammer de bammer!