Voorleespapa

Illustratie: Wendel Jacobs

Illustratie: Wendel Jacobs

Toen ik zwanger bleek te zijn wist Aart het al, hij zou voorleespapa worden. Hij zei dat hij misschien geen echte voetbalpapa of huttenbouwpapa zou worden, maar dat hij wel een goede voorleespapa zou zijn. Deal! Zeiden we tegen elkaar, ik word wel huttenbouwmama dan.
Toen hij ziek was voelde hij zich regelmatig schuldig over zijn vege lijf en het gebrek aan energie voor wat dan ook. Maarrr….zeiden we dan tegen elkaar, jij wordt voorleespapa, een hele lieve leuke voorleespapa! Wie wil er nou niet zo’n leuke voorleespapa?
Dat hij dat goed kon wist ik al want ik heb hem jarenlang horen voorlezen aan zijn twee oudste zoons. Die hingen als hij voorlas aan zijn lippen en o wee als er een keer niet voorgelezen werd, dat was de grootste straf die er maar kon zijn. Soms moest hij meerdere keren per dag voorlezen, maar áltijd las hij voor voor het naar bed gaan. Soms urenlang, dan werd het veel te laat. Soms dezelfde boeken keer op keer en onvermoeid verzon hij dan gekke of mooie stemmetjes voor de verschillende karakters. Er ging iets heel rustgevends uit van die warme diepe stem die zonder haperen voorlas. Hij kon dat echt heel goed.
Toen Lucas geboren was bladerde Aart verrukt in elk boek wat we van het kraambezoek kregen. Hij kon niet wachten! Hij zou voorleespapa worden, misschien dan wel geen voetbalpapa, maar wie heeft er nou een voetbalpapa nodig als je een liefhebbende voorleespapa hebt?!
Soms probeerde ik Aart zo ver te krijgen dat hij 5 of 8 weken oude Lucas voor zou lezen, gewoon om naar zijn stem te kunnen luisteren, Lucas…en ik. Maar hij vond dat echt onzin. Hij hield wel hele gesprekken met hem over wat hij later zou worden (astronaut en hockeyer) en over andere wereldzaken maar voorlezen dat kon écht nog niet. Hij kon niet wachten tot Lucas ‘oud genoeg’ zou zijn om écht door hem voorgelezen te worden. Niet uit een prentenboek maar uit Tommy Station en uit het Chinese sprookjesboek, van Don quichot en Robinson Crusoe en uit  Ilias en de Odyssee.

Een week geleden heb ik eindelijk Lucas kamer fatsoenlijk opgeruimd en plek gemaakt voor hem om te spelen. De schommelstoel staat nu bij het raam met een schemerlampje, op het kastje een rij boeken. En toen was het zo ver. Die stoel staat daar al tijden werkeloos te wachten op zijn bewoner en de boekjes smachten ernaar om gelezen te worden. Dus pak ik sindsdien elke avond een boekje en lees ik Lucas voor, verzin ik leuke stemmetjes, voor elk karakter een. Soms moet ik even slikken, want dit was zijn plekje en zijn taak. Maar op die momenten denk ik heel hard aan hem en lees voor zoals ik denk dat hij dat gedaan zou hebben. Ik heb nog wel wat oefening nodig. Ik val soms uit mijn rol, haal stemmen door elkaar en lees de geit voor met de stem van de mol en ben nog bezig met poepgeluiden als er alweer gepraat moet worden. Ik had het graag gehoord, Aart, serieuze voorleespapa die poepgeluiden zou maken bij ‘De kleine mol die wilde weten wie er op zijn kop gepoept heeft’. Hij had het vast met verve gedaan hoewel ik me wel afvraag of ze zo levensecht zouden zijn geweest als ik ze doe. Want hee, als ik dan voorleespapa moet zijn dan doe ik het ook goed. En Lucas? Lucas vind het geweldig. De eerste keer schaterde hij het uit, nu zit hij steeds vol verbazing omhoog te kijken naar wat voor fratsen ik allemaal uithaal en moet lachen als ik een raar stemmetje op zet. Van poepgeluiden is hij inmiddels niet meer echt onder de indruk dus doe ik mijn stinkende best ze tot in de puntjes te perfectioneren.

Advertenties

Een beetje breken

Illustratie: Wendel Jacobs

Illustratie: Wendel Jacobs

Ooit hadden wij een onmogelijke liefde. Onmogelijk in de beginselen van ons bestaan, onmogelijk door onze karakters. Zeventien was ik en Aart noemde me een guppie. Drieënveertig was hij, ik noemde hem een wijze man. Met grote ogen keek ik naar hem op, wilde zijn wat hij was, niet worden maar zo zijn. Zo wijs, zo belezen, zo warm en zelfverzekerd. Iets in hem raakte mij vanaf het allereerste contact. Ook al was hij een nukkige, eigenwijze man. Beschadigd ook zonder dat hij daar ooit over sprak. Andersom raakte iets in mij hem ook want we raakten aan elkaar verknocht. We mailden onze diepste zielenroerselen met elkaar, we zaten op terrasjes en gingen uit eten en we praatten en praatten. Ik had graag nog willen vragen wat hij nou precies in dat guppie zag, waarom hij vriendschap met me sloot?

Zeventien was ik en Aart zei: “Je bent verliefd op mij he?”, ik heb nog geprobeerd te ontkennen, maar het was waar, tot over mijn oren. Maar het was een onmogelijke liefde, hoe kon een meisje van zeventien met een man van drieënveertig? Maar het moest, het was hopeloos, ik was reddeloos verloren want ik wilde alleen nog maar met hém verder. Het kon me niet schelen dat het niet kon, ik wist het gewoon. Hij had mij geraakt waar nog nooit iemand mij geraakt had. Ik ging ervoor, zocht toenadering, probeerde die veel te lange man te zoenen vanaf een trapje in een portiek. Hij had mij veel te goed in de gaten, wilde wel maar het kon gewoon niet. Hij deed een stapje achteruit, zei: “Zoek nou een vent van je eigen leeftijd.”. Maar ik wist het gewoon, wij moesten samen verder. Het kon grandioos mislukken of geweldig mooi worden maar voor minder ging ik niet.

Het was onmogelijk, dat bleek. Een paar jaar later woonden we samen. Gek werden we van elkaar. Daar zat ik dan met een nukkige man in een éénkamerwoning van iemand anders die haar SM-spullen gewoon in de laatjes van haar kasten had laten liggen. De muizen namen daar ’s nachts de boel over en zaten overdag soms gewoon naast je op het bed. Op het tapijt waarin de haren van de eigenaresse verweven waren lagen de koffers waaruit we leefden. Ik studeerde, hij werkte ’s nachts aan zijn stukken.

Hij had ontelbaar veel gelezen, ik snapte soms maar de helft van wat hij zei. Hij rustig en ik explosief, hij kon niet tegen ruzie, ik wist niet eens hoe je anders dan schreeuwend over iets moest praten waar je het niet mee eens was. Hij was vaak nukkig en eigenwijs maar ook een echte gentleman. Lief, warm, hartelijk maar ook een botte boer. Leefde soms het liefst als een kluizenaar en werd gék van mijn gebabbel en drukke aanwezigheid en ik, ik wilde meer, meer, meer!

Ik ging de reizen maken die ik altijd al wilde maken maar die hij al gemaakt had. Hij dreigde het uit te maken als ik niet ging en meende het. Hij kon niet met mij verder als ik stil bleef staan, ik kon niet met hem verder als ik mijn dromen niet waar kon maken. Ik ging vijf maanden in Paraguay wonen, vrijwilligerswerk in Marokko doen en rondreizen door Guatamala, Hondaras, Belize en Mexico en elke reis kreeg ik meer heimwee, wilde ik steeds liever thuis zijn bij Aart en kreeg ik minder behoefte tegen hem te schreeuwen. Ik leerde wie ik was en daarmee groeide ook onze relatie.

Met de jaren kwam onze liefde steeds meer bij elkaar, konden we elkaar steeds beter lief hebben zonder dat het als een onstabiel explosief was. We leerden elkaar te waarderen als wie we waren. Heel langzaam vonden wij onze weg totdat het onomkeerbaar was, onontkoombaar was. We konden niet meer zonder elkaar, met elkaar zijn werd voor ons allebei een noodzaak. We waren door de gevechten die we samen geleverd hadden om bij elkaar te blijven met elkaar verbonden geraakt.

De laatste jaren raakten we met elkaar vergroeid, het was alsof onze liefde met ieder jaar wat erbij kwam alleen maar dieper werd. Twaalf jaar waren we samen, bouwden wij steentje voor steentje op wat we uiteindelijk hadden. Iets wat Aart graag “waaaaare liefde” noemde en we bezegelden door onze trouwringen tegen elkaar aan te laten klikken.
We werkten allebei grotendeels vanuit huis en toen besloten we dat het tijd werd voor een liefdesbaby zoals Aart dat sentimenteel noemde. Ik mag dat vast niet zeggen, want Aart wilde niet sentimenteel gevonden worden. Maar hij was het wel. Behalve ik was er niemand gelukkiger ter aarde toen hij hoorde dat ik zwanger was.

In de periode dat hij ziek was groeiden we nog verder naar elkaar toe. We leerden andere kanten van elkaar kennen die ons héél goed bevielen. Aart had bewondering voor mijn kracht, leunde op mij en bleef maar zeggen dat hij het zonder mij nooit gered had. Hij wilde me elke dag zien, het liefst had hij mij ’s nachts onder zijn ziekenhuisbed verstopt. Ik leerde Aart kennen op zijn kwetsbaarst en ook die Aart was een hele mooie man.

En toen, toen kregen wij een kind. Veel te vroeg en piepklein. Ik moest er aan wennen, wennen ook dat het mijn baby was, maar toen dat eenmaal tot me doordrong, wauw! Aart was op slag verliefd. Zó mooi, zo lief vond hij hem. Hij zat te kirren bij zijn wiegje ook al kon hij soms nauwelijks overeind zitten en hij schepte tegen iedereen op dat hij zo’n mooi wijs kind had gekregen.
Het was alles wat wij wilden. Samen zijn, samen vechten, samen liefhebben. Elkaar en ons kind. Lucas, we zouden hem overspoelen met liefde. Hij zou misschien niet met zijn vader kunnen voetballen, maar Aart zou een echte voorleespapa worden. Liefde zou hij krijgen, misschien wel meer dan goed voor hem was. De toekomst had misschien niet meer alle kleuren van de regenboog, maar rood was zeker nog niet verdwenen.

In die liefde, volledige ware liefde, volmaakt gelukkig met elkaar en ons gezin barstte op een dag ineens een bom. De ene dag stonden we nog op zijn werkkamer te swingen op Robbie Williams ‘Rock DJ’, knuffelden we samen met Lucas en zongen we liedjes terwijl ik achter de naaimachine zat en hij zijn boeken opruimde en de volgende dag was alles ineens over, verkleurde zelfs de kleur rood van de regenboog naar grijszwart.

Het was op die dag dat ik besloot een moddermasker te dragen, de huid er onder te laten helen buiten het naakte felle zonlicht waar iedereen het kon zien. Nu het masker droog is moet ik vooral niet bewegen. Niet praten, niet huilen, niet lachen en als ik schreeuw dan vliegen de spetters er vanaf.
Ik wil nu schreeuwen, ik wil nu huilen zonder modderstroompjes op mijn gezicht. Mijn masker heeft zijn functie gehad, maar nu is het tijd voor dat rauwe licht. Voorzichtig peuter ik het eraf.
Het is niet mooi hierbinnen, ik waarschuw jullie vast.