Nachtweduwe

Zachtjes fluisterzacht sluipt er een weduwe door de nacht. Op zoek naar dat wat ze niet vinden kan. Wetende dat ze het niet vinden kan diep in de nacht. Niet nu. Maar toch, toch zoekt de rust. De avonden leng ik eindeloos, een avond is nog geen nacht. Want in die nacht, die diepe donkere nacht weet je nooit wat er op je wacht. Een spook uit een ver verleden, een fiets waarop je niet fietsen kan. Of een oude koe? Tranen, heel vaak tranen of juist niet. Eindeloos wakker liggen met een hoofd wat niet van jou voelt. Zonder controle; in uit, in uit floepen gedachten die je niet wil hebben. Fundamenten voor dromen. Soms hele mooie en als je dan wakker wordt de deceptie en soms een fijn knuffelzacht gevoel. Het gevoel van dat wat je mist maar je koesterde.
Ik stel ze uit, voor mij moet de dag eindeloos duren, tot ik niet meer zoeken wil.

Hoi nacht daar ben je weer, schrale ogen prikken en zeggen dat ik nu slapen moet. Al uren.
En na een eindeloos gevecht zeg ik hem vaarwel, die dag. Die dag die morgen altijd weer veel te vroeg begint, waarop ik dan verzucht: oh had de nacht maar meer uren.

Advertenties

Vol hoofd

De afgelopen weken was mijn hoofd zo vol dat ik niet meer helder kon nadenken. Zelfs schrijven lukte me bijna niet omdat je om te schrijven toch op zijn minst inspiratie en de mogelijkheid om dingen op een rijtje te zetten moet hebben. Dat had ik niet, ik had ze echt niet meer op een rijtje. Mijn balans was zoek en je kon me met één vinger omduwen. En dat gebeurde ook meerdere keren. Ik voelde me stomp, ik voelde me verdrietig, ik voelde me moe, ontzettend moe. En ik kon niet helder nadenken. Mijn hoofd zat zo vol dat er te pas en te onpas dingen uitliepen. Woorden, tranen, energie. Dan stond ik weer te praten onder de douche. Als ik dat doe weet ik wel weer hoe laat het is. Waterleiding lek en de hoofdkraan kapot! Dan voer ik gesprekken met mijn onzichtbare zelf tegenover me, vertel ik dingen aan mensen die ik misschien pas over een week zie, of net gezien heb. Ik loop letterlijk over van alles wat er niet meer bij past.
Tranen, tja, het is ook gek eigenlijk, want maanden lang kan ik er met moeite een traantje uitpersen en dan zit ik ineens avond aan avond te huilen. Lig ik snikkend in mijn bedje en weet ik het niet meer, vraag ik aan andere weduwen tips tegen dikke huilogen. Huilend omdat het gewoon allemaal even tegen zit, omdat het niet lekker gaat. Niet omdat ik Aart mis, die mis ik pas als ik huil, dan mis ik iemand om tegen aan te schoppen. Eh ik bedoel te leunen natuurlijk.
Energie, de grootste aderlating was die van de energie, ik geloof dat mijn bedrading ook een opknapbeurtje nodig heeft. Als het niet lekker gaat dan gaat mijn kraantje niet dicht maar wijdopen en in plaats van dat ik dan wat energie spaar wordt ik druk en stuiterig. Ik knal dan zowat door mijn eigen geluidsbarrière. Maandag bijvoorbeeld…ik had koor… iets waar ik week na week naartoe leef. Toink, toink, toink. En dan word ik zo moe van mezelf, figuurlijk, want ik vind mezelf niet echt heel leuk als ik zo stuiterig ben, maar ook letterlijk. Je kunt me op het laatst gewoon opvegen dan. En het eindresultaat; een halve nacht met tranen, huilen omdat ik zo niet wil zijn, huilen omdat Aart er niet is om er over te praten en om me te vertellen dat ik heus wel leuk ben, ondanks mijn ADHD, dankzij mijn ADHD, huilen omdat ik zo over mijn eigen voeten struikel, huilen omdat ik eigenlijk gewoon intens verdrietig ben…
Het gekke is, met al dat gehuil en die vermoeidheid ben ik afgelopen weken één ding vergeten. Aart. Hij was er wel hoor, dat gaat niet weg, maar blijkbaar zat ik mezelf zo in de weg met mijn verdriet, vermoeidheid en rouw dat het helemaal niet meer daarover ging. Eigenlijk als vanouds… Want als ik niet lekker in mijn vel zat ging ik altijd ruzie zoeken met Aart. Andersom gebeurde trouwens ook regelmatig, dan ging hij gewoon een beetje roeren en porren zodat er wat uit zou komen. En als we dan uiteindelijk knallende ruzie hadden dan kwamen alle opgespaarde tranen vrij en kon ik eindelijk mijn hart luchten.
Ok, alle opgespaarde tranen zijn nog niet vrij gekomen, maar ik heb wel knallende ruzie gemaakt met mezelf en tranen gehuild die er hoognodig uit moesten. Mijn hart heeft weer een klein beetje ruimte. Hehe!

De rust is weer een beetje terug, de tranen weer opgedroogd (niet dat ik daar zo blij mee ben) en mijn stuiterigheid is weer teruggebracht naar eh… nou ja, normaal stuiterig?
En nu die rust er weer is denk ik ineens weer aan Aart. Het zit ‘m in de kleine dingen. Ik denk aan wat Aart gedacht zou hebben of gezegd zou hebben. In de supermarkt kijk ik stiekem naar de dingen die hij lekker zou hebben gevonden en vandaag zat ik met Lucas in een bruin café te lunchen en ik dacht aan hoe wij dat normaal samen altijd deden. Onszelf trakteren op een broodje na een moeilijk gesprek. Eigenlijk klopt er geen barst van, ik zat echt genoeglijk herinneringen op te halen terwijl ik even daarvoor nog bij de notaris zat om te praten over de afhandeling van de erfenis. Aart zou zich hebben omgedraaid in zijn graf als hij had geweten wat voor een ellende ik daardoor op mijn bordje krijg. Gelukkig weet hij van niks, nu is het aan mij om dit naar eer en geweten af te handelen. En dan eet ik in mijn eentje een broodje in een café, en ben ik daar gewoon trots op. Ik ben niet alleen omdat ik zielig ben, ik ben alleen omdat ik weduwe ben, dan mag dat, dan mag je alleen zijn. En dus ga ik alleen een broodje eten in een café en geniet ik daar nog van ook. Van Aart geleerd jongens, van die geweldige man van mij!
Oké, mijn kind was ook bij mij, maar die lag in cognito verstopt in de wagen, mensen kunnen net zo goed gedacht hebben dat ik net alsof deed want hij heeft geen kik gegeven de hele tijd dat ik daar was. En ik was ook niet echt alleen, ik was met Aart en dacht aan hoe hij me geleerd heeft flexibel te zijn en van het leven te genieten. En toevallig is dat vandaag best goed gelukt!
En ik heb niet eens hardop tegen hem gepraat in dat café.

Dat jij er bent

En in weer zo’n donkere eenzame nacht sluip ik naar het kamertje van mijn zoon. Míjn zoon! Ik leg hem recht, dek hem nog eens toe, streel over zijn haartjes en wring me in een onmogelijke bocht over de rand van zijn ledikantje om zijn hoofdje te kussen. Ik hoor een zachte zucht. Ik leg zijn speentje terug in bed, zijn knuffels recht en zachtjes fluister ik: “ik ben zo blij dat jij er bent”.
Hij hoort me niet, hij ligt onschuldig diep te slapen en ik ben blij dat hij het allemaal niet meekrijgt. Die verdrietige doorwaakte nachten waarin ik spook en ik in bed liggen afwissel met zachtjes rondsluipen.
Ik ben zo blij dat hij er is, dat ik mijn liefde nog op hem kan botvieren. Dat ik ’s nachts getroost kan worden door hem even zachtjes aan te raken. Mijn kind, mijn zóón.
Hij kan mij niet vertellen dat het allemaal wel goed komt met mooie woorden. Hij slaat geen troostende arm om me heen. Hij trekt hoogstens aan mijn haar als hij de kans krijgt of probeert eens een hapje uit mijn arm en brabbelt papapapapa. Hij hoeft dat ook niet te doen, hij is mijn kind en als ik hem zie wéét ik dat het goed komt. Het, ja, datgene wat nu enigszins ondefinieerbaar maakt dat het niet goed ís. Als ik naar hem kijk denk ik aan al die mooie momenten die wij samen nog gaan krijgen. Aan hoe ik hem zal vertellen over papa, hoe verliefd die op hem was en hoe hij hem mee nam naar zijn werkkamer op zolder om hem te laten slapen in de wasmand. Hoe hij dan uren naar hem zat te kijken en totaal vergat wat hij daar aan het doen was. Hoe hij glom van trots als hij het over hem had.
En als ik naar hem kijk en hem driftig hoor brullen dan denk ik: als jij op je vader én je moeder lijkt krijg ik nog heel wat met je te stellen. En stiekem moet ik dan een beetje glimlachen, we waren me een stelletje.

Zelf doen

Ja, daar zit je dan, tranen ergens diep verstopt in je keel proberen hun weg te vinden. Moe, ja ik ben moe en heel verdrietig. Ik weet vandaag even niet meer waarom, ik weet alleen dat ik ze voel, die opgesloten tranen diep in mijn keel. Ik wil ze graag huilen, maar komen doen ze niet, ze blijven halverwege steken en geven me het gevoel dat ik moeilijk kan slikken. Droge ogen, kúrkdroge ogen, geven aan dat ik van hen in elk geval niets hoef te verwachten.
Vanavond was Lucas aan het mopperen, hij was ook moe, we hadden gisteren een drukke (leuke!) dag, hij deed vandaag al drie slaapjes, maar het was niet genoeg. Ik merkte dat het gewoon even te veel was. Ik wilde gewoon even geen worstelpartij op het aankleedkussen bij het tandenpoetsen en uitkleden. Hij werkte daar uiteraard niet aan mee, want als je net ontdekt hebt dat je je ook om kunt draaien en weg kunt kruipen en dat er een heleboel spannende dingen op de commode liggen, dan blijf je niet netjes op je rug liggen natuurlijk. Ik voelde me boos, ik zei tegen hem dat ik graag wilde dat hij ophield omdat ik het al stom genoeg vind dat ik het élke dag weer moet doen, élke dag weer hetzelfde riedeltje. Ik wiiiihiiiil niet meer wilde ik het liefst roepen. Maar Lucas had zelfs geen boodschap aan de houtgreep. Het voorlezen bestond uit zo snel mogelijk de zinnen uit dikkie dik opdreunen en ondertussen proberen mijn kind er van te weerhouden de bladzijden aan flarden te scheuren. Gezellig joh. Ik legde hem gauw in bed en zei zoals elke avond: “slaap lekker Lucas, ga maar lekker slapen, tot morgen.” en maakte daarbij het gebaar voor slapen. Daarna verdween ik gauw uit zijn kamer, opgelucht dat hij niet begon te huilen. Hèhè, eindelijk even rust.

Tien minuten later miste ik hem alweer en sloop ik zijn kamer nog een keertje in om hem te zoenen. Half wakker nam hij ze in ontvangst om zich vervolgens nog eens lekker om te draaien. Hoe blij ik dan ook ben dat hij lekker is gaan slapen. Sommige avonden wil ik het liefst bij hem op zijn kamer gaan zitten en naar hem kijken en met hem knuffelen. Alleen het is zo zielig dat hij dan elke keer wakker wordt. Zijn behoefte is duidelijk een andere dan de mijne.

Ja, op zo’n avond voel ik me alleen, voel ik de vermoeidheid over me heen kruipen, voel ik de zwaarte van de voorbije dag maar ook de zwaarte van de komende. Dan voel ik ze drukken, die dagen met bijbehorende tranen en lijkt alles even hopeloos.

In feite zijn er ook genoeg dingen hopeloos. Ik zie bijvoorbeeld Aarts oudste kinderen nooit meer. Ik heb geschroomd hier over te schrijven omdat de situatie pijnlijk is en ik de zaken niet wil verergeren. Maar ik heb besloten hier toch, een heel klein tipje van de sluier op te lichten. Gewoon omdat ik echt verdrietig ben dat de zaken zo gelopen zijn. Dat Lucas zijn twee oudste broers nooit ziet, dat zijn twee oudste broers hem niet zien opgroeien, niet meegenieten van het opgroeien of Aart in hem herkennen zoals anderen dat doen. Ik ben verdrietig omdat de reden dat ze niet komen volgens mij niet ligt in het feit dat zij me niet willen zien, maar door de relatie van hun moeder met mij. Ik hoop dat ze snappen dat ondanks alles mijn deur nog steeds voor ze op een kier staat en dat ze op een dag weer bij me op de stoep staan.

Het afhandelen van de erfenis is ook hopeloos. Er worden dingen van mij geëist waar ik verdrietig van word, nog niet aan toe ben. Ik moet knopen doorhakken over dingen waarvan ik niet eens weet waar de knopen liggen. Het is raar want het gaat niet over mij, eigenlijk niet. Het gaat over Aart, over Aart en zijn kinderen. Over wat Aart voor ogen had, over de toekomst, een goede toekomst. Maar hoe kan ik nou bepalen over een toekomst waarvan ik niet weet hoe die er misschien uit ziet omdat ik de eigenaren van die toekomst nooit zie, nooit spreek. Ik weet niets over hun wensen en verlangens, niet wat ze nodig hebben of wat ze doen. Ik wil ze graag helpen, maar het vervelende is, ik zie ze niet, spreek ze niet. Ik kan ze niet vragen of ze herinneringen willen, of ze spullen willen hebben. Ik kan ze niet de gelegenheid geven om nog eens in zijn werkkamer rond te snuffelen voor ik deze uitruim. Ik kan ze niet vragen om samen mij dingen uit te zoeken. Ik kan ze niet knuffelen(ok, puberjongens zijn sowieso behoorlijk onknuffelbaar over het algemeen) en samen delen in het verdriet waarvan ik zeker weet dat zij het ook hebben. Het kan niet want ik zie ze nooit.
Er wordt aan mij getrokken, er hangen dingen boven mijn hoofd die ik niet mee wil maken maar om ze af te wenden moet ik dingen beslissen die ik nog helemaal niet kan beslissen in deze wirwar van emoties.

Ik moet het zelf doen. De verantwoordelijkheid is enorm want ik hak hier de knopen door. Ik maak de beslissingen en ik draag ook, helemaal alleen, de consequenties. Niet alleen voor mezelf, maar ook voor Lucas en die andere twee, die hier weliswaar misschien minder van voelen omdat ze er nauwelijks weet van hebben, maar ik heb touwtjes in handen die ik helemaal niet in handen wil hebben.
Ik wil niet kiezen. Ik wil gewoon dat alles weer goed komt.

 

Van het witte paard

Aart, waar ben je nou als ik je nodig heb? Vandaag mis ik jouw twee armen om me heen nog harder. Ineens ben je zo ver weg terwijl ik je stem wil horen, je geruststellende woorden wil horen zeggen en je handen op mijn rug wil voelen.
Vandaag ben ik gestruikeld over mijn eigen voeten, maar jij hielp mij niet met opstaan. Nu lig ik nog op de vloer en dat is allemaal jouw schuld. Het is er koud en ik probeer te bedenken hoe ik dit nou zelf moet doen. Ik kan het niet. In gedachten hoor ik je stem zeggen dat ik me wel een beetje aan stel, dat het allemaal zo erg nog niet is. Maar voor even is de paniek de baas, mijn controledrang groter dan mijn ratio en jij bent er niet. Niet om me van wijze raad te voorzien, niet om me op af te reageren of als boksbal te gebruiken. Niet om me te vertellen dat ik best een beetje raar doe en niet om er met me over te praten totdat ik dat zelf eigenlijk ook wel vind. Vandaag stapelt mijn paniek zich op, vliegt een angst mij naar de keel als een ongenode gast.
Vandaag vind ik het stom dat je dood bent. Omdat ik wil doen wat ik altijd deed als ik zo’n bui had. Volkomen onredelijk, ik wil tegen je schreeuwen dat het allemaal stom is. Dat wat ik wel en niet wil volledig met elkaar in conflict zijn en dat ik het allemaal stom, stom, stom vind en dat jij me niet begrijpt wat nog veel stommer is. En dan wil vervolgens grote verdrietige tranen in jouw armen huilen omdat het me allemaal te veel is. Ik wil dan gewiegd worden in jouw armen ook al was ik volkomen onredelijk. Ik wil dan snotterend tot rust komen en zoute zoenen met je zoenen om dan tot de conclusie te komen dat de oplossing eigenlijk best wel voor de hand ligt. Maar je bent er niet. En die oplossing zie ik ook niet.
Vandaag ben jij niet mijn prins op het witte paard Aart, want prinsen doen zoiets niet en al helemaal niet op een wit paard.

Om tegen aan te leunen

Ja, verdriet is overal. Ik denk aan Aart en er is verdriet. Ik denk elke dag aan Aart, niet één keer maar ontelbare keren. Het zit hem in de kleine dingen, de herinneringen zijn verbonden aan álles wat ik doe. Er is veel verdriet want er zijn veel herinneringen van die ruim 11 jaar samen.
Tóch is het niet alleen verdriet wat die herinneringen oproepen. Zo adviseert hij me soms vanuit die herinneringen. Dan weet ik wat hij gedaan of gezegd had en dat steunt me. Hij helpt me spullen vinden die ik kwijt ben en als ik een moeilijk gesprek moet voeren. Soms moet ik zo sterk aan Aart denken dat ik bijna tegen hem aan kan leunen. Dan kan ik me bijna nestelen in zijn grote armen en koester ik me in deze warme gedachten. Dan is het verdriet eventjes weg en is er alleen nog maar een warm gevoel van hoe fijn dat was. Ik ben liefgehad en dat heeft duidelijk zijn nawerking. Ik heb nog steeds lief, ik houd van die man die er niet meer is, die geen input meer levert in deze liefde. Ik houd van wat we samen hadden, van die stomme eigenaardigheden die hij had. Ik houd van wat er was en door van wat er was te houden kan ik dat nu nog voelen. Wij samen, het was niet dat verdriet wat ik nu vaak voel, het was juist geluk, ja en ruzie, slaande ruzies en eigenwijze discussies en gemopper, het moet niet te zoetsappig worden. Maar verdriet voelde ik nooit als het over ons samen ging en eigenlijk is dat eeuwig zonde van dat moois wat we hadden.
Nu is samen niet meer samen, maar ik ben heel gelukkig geweest. De blauwdruk van dat geluk ligt voor altijd opgeslagen in één van die chaotische laatjes in mijn hoofd. Nu heb ik geen man meer, maar wel mooie herinneringen om af en toe tegen aan te leunen.

Een jaar geleden (5) – naar huis

IMG_0789

Vier januari tweeduizenendertien was het zo ver, na zeveneneenhalve week in het ziekenhuis mocht Aart eindelijk naar huis. Jippie, eindelijk weer samen zijn. Het betekende ook dat ik weer naar huis kon. Vlak na kerst werd er ingebroken, ik was die middag weggeweest, bij Aart op bezoek en kwam tegen zessen thuis. Ik deed de deur open en liep nietsvermoedend naar binnen. Wat heeft die kat nu weer gedaan dacht ik toen ik de troep zag en vervolgens stonden mijn nekharen recht overeind. Mijn kat maakt geen deuren en laden open en zeker niet allemaal! Binnen een halve minuut besefte ik dat er was ingebroken. De deur had ik achter me op slot gedaan, brrrr. Ik rende zo gauw ik kon weer naar buiten en terwijl ik 112 belde (ik meende ook nog wat te horen in huis) ging ik naar de buren. Daar heb ik gewacht tot de politie er was, die kwamen pas een uur later. Naar binnen gekomen door een raam in de woonkamer aan de achterkant en het hele huis lag overhoop. Mijn matras op de grond, overal kledingstukken en spullen. Ze hadden álle kleine spullen van waarde meegenomen. Mijn zusje kwam naar me toe en uiteindelijk nam zij de kat mee en vertrok ik naar mijn ouders, ik durfde daar niet alleen daar te blijven slapen.

Toen ik de dag na oud & nieuw terug kwam om het raam nog wat beter dicht te maken bleek er opnieuw ingebroken te zijn, ditmaal waren ze teruggekomen voor mijn computer. Toen voelde ik me helemaal onveilig en wilde ik voor geen goud alleen terug naar huis.
Dus die dagen dat Aart éindelijk weer in Amersfoort in het ziekenhuis lag zat ik in Amsterdam bij mijn ouders. Het was dus ontzettend fijn dat Aart naar huis kwam! In de auto moest ik stapvoets over elke hobbel, het deed hem zo veel pijn! Thuis moest hij van mij in de auto blijven zitten terwijl ik keek of het huis veilig was. Omgekeerde wereld, normaal zou hij dat hebben gedaan, maar het feit dat hij het zonder meer accepteerde zei veel over hoe hij zich daadwerkelijk voelde, ook al hield hij zich zo groot mogelijk.
Gek genoeg voelde ik me met Aart er bij onmiddellijk veilig in huis. Wie wil er nou inbreken met zo’n grote vent naast me. “Ha, lachte Aart elke keer schamper, ze duwen me met één vinger om.” maar goed, dat wisten die inbrekers niet natuurlijk.

Het was het begin van een hele zware periode. Toen, die dag dat hij thuis kwam een jaar geleden, dachten wij nog dat dat héél fijn was. Ik kwam daar gauw van terug. Aart was mijn Aart niet meer, hij was vreselijk humeurig. Oké dat was dan wel typisch Aart want dat kon een enorme mopperpot zijn, maar hij was ook gewoon ronduit onaardig. Hij was zo gewend geraakt aan de verzorging in het ziekenhuis dat hij dat nu van mij ook verwachtte. En toen ik niet 3 keer per dag met een karretje met appelsap, sinaasappelsap, koffie en thee langs bleek te komen werd hij nog boos ook. Het was zwaar want terwijl ik rust moest houden vanwege de veelvuldige harde buiken die een vroeggeboorte zouden kunnen inluiden, zeker na die blindedarmontsteking, moest ik ook voor Aart zorgen. Ik moest hem helpen met douchen want dat durfde hij niet alleen. Hij douchte zittend op een krukje en was boos dat hij nu nóg niet kon douchen op het moment dat hij dat zelf wilde. Ik moest boodschappen doen en voor hem koken, elke avond en het moest nog zoutarm zijn ook. Dat was overigens wel heel dankbaar, want hij vond het heerlijk! Ik moest de hele dag door dingen voor hem halen, hem gezelschap houden en al zijn pillen uitzoeken. Dat waren er verschrikkelijk veel en hij kon het niet zelf, hoe graag hij dat ook wilde, zijn hoofd liet hem in de steek. Het functioneerde voor geen meter; en dat voor een renaissance man! Hij kon niet lezen, hij kon niet schrijven, televisie kijken vond hij verschrikkelijk maar was het enige wat nog wel een beetje lukte. En zitten en dutten in een stoel. Heel regelmatig moest de dokter gebeld worden, ook dat kon of wilde hij niet meer zelf. Hij kon het gewoon allemaal niet overzien, voelde zich gevangen in zijn lijf en opgezadeld met zichzelf. Er kon geen grapje af, mijn lieve humorvolle Aart vond grapjes niet meer leuk. Hij huilde, voor het eerst van mijn leven zag ik hem huilen, omdat hij onder de douche wilde maar ik hem op dat moment niet kon helpen. De huisarts kwam, we belden met de huisarts, we gingen naar de huisarts en weer naar de huisarts en naar het ziekenhuis en naar de eerste harthulp. Er waren vele slapeloze nachten voor ons allebei door pijn en benauwdheid, angst en gewoon, slapeloosheid. We maakten er het beste van, probeerden ons normale leven weer een beetje op te pakken. Aarts pijn werd wat minder en zijn humeur klaarde wat op maar echt vooruit ging het ook niet.

Na een ruime maand thuis aanmodderen ging het echt niet meer. Aart had het weer stikbenauwd en we gingen naar de huisarts (in opleiding). Niets aan de hand, hij moest maar thuis afwachten. Die nacht (ik weet niet eens meer precies wanneer dat was) werd hij alsmaar benauwder, om 8 uur belde ik opnieuw de huisarts, we mochten weer langskomen. Saturatie 83%…dat was wel een beetje weinig. Of ik hem misschien naar de eerste harthulp kon brengen. Dus dat heb ik gedaan en een opname van een week volgde. Aart hield veel vocht vast en moest aan het zuurstof. Na een week mocht hij ineens naar huis. Ik was het er niet mee eens, maar Aart wilde zo graag weg daar dat ik hem toch maar ben komen halen. Drie dagen later zaten we weer op de eerste harthulp, weer stikbenauwd en ja, weer een opname van een week. Uiteindelijk bleek Aart een zeldzaam syndroom te hebben, het Dressler syndroom, een steriele ontsteking van zijn hartzakje. Alleen de symptomen waren bij hem net als bij al zijn vorige klachten weer net een beetje anders dan normaal.

Het is geen tijd om vrolijk op terug te kijken, die eerste 6 weken waren afzien en Aart was diep ongelukkig. Daarna werd het gelukkig wel wat beter en begon hij er weer een klein beetje zin in te krijgen. Maar die tijd daarvoor…nee, die hadden we beiden liever overgeslagen denk ik. Vannacht droomde ik over Aart, ik weet eigenlijk niet eens meer precies wat, maar het was best fijn. Hij liep rond in een boxershort en aftands hemd, dat deed hij in huis heel vaak. Het was fijn om weer eens over hem te dromen. Bij het wakker worden besefte ik ook dat ik geen zin had om terug te kijken naar deze tijd vorig jaar. Hoogste tijd dus om ook eens even vooruit te kijken, het onbeschreven blad van 2014 in.