Alleen

Alleen. Daar zit ik dan, een loodzware week achter de rug met een belastingaangifte waar je u tegen zegt, gesprekken over de afhandeling van de erfenis, een naar onderzoek aan mijn heup een doodziek kind, nieuwe medicatie en ga zo maar verder. Ik ben moe en toe aan rust. Rust kreeg ik ook want op de een of andere manier gaan allerlei leuke afspraken niet door, allemaal met een andere goede reden. Het komt goed uit, ik heb ook zin om lekker in de tuin in de zon te gaan zitten met een boek en geen gesleep of gedoe met een kind dat eigenlijk nog niet zo lekker is.

Waarom voel ik me dan ineens zo verschrikkelijk verdrietig? Waarom overvalt mij ineens een gevoel van eenzaamheid? Terwijl Lucas zit te spelen zit ik hier stiekem een potje te huilen. Ik heb ineens helemaal geen zin meer in dit weekend, ik wil geen zon. Ik wil vies pestweer zodat ik een goede reden heb om met mijn boek in bed te kruipen, diep onder de dekens met mijn elektrische dekentje aan wat mij opwarmt.

Eigenlijk raakt het aan een gevoel wat ik al een hele tijd bij mij draag. Eenzaamheid. Een gevoel wat ik maar niet van me af kan schudden, iets wat ik bij me heb, elke dag weer. Het maakt niet uit hoeveel mensen ik om me heen heb, hoe fijn iedereen me ook steunt. Ik voel me voortdurend alleen. Zelfs de aanwezigheid van Lucas kan me daarbij niet helpen. Ik kan het wel een stukje van me afschuiven, even wegdenken voor een tijdje. Ik kan genieten van de leuke dingen die ik doe, het zijn ook kleine oplaadmomentjes. Het is ook niet zo dat ik elk moment dat ik alleen ben, ’s avonds op de bank, andere weekenden dat ik (meestal bewust) geen afspraken heb, huilend in een hoekje weg kruip. Ik vind dat helemaal niet zo erg. Maar soms overvalt mij dat gevoel van alleen zijn, helemaal alleen.

Het was ook eigenlijk Aart die dat intense gevoel van eenzaamheid bij mij verbrak toen ik een relatie met hem kreeg. Het is een gevoel wat ik al jaren bij mij draag, ingegeven door het bewustzijn dat niemand mijn ooit echt helemaal zal begrijpen. Zelfs ikzelf niet. Maar Aart kwam er dicht bij in de buurt. Niet dat hij alles maar dan ook alles van me wist en snappen deed hij het al helemaal niet. Maar bij hem vond ik een soort rust in die eenzaamheid, voelde ik me eindelijk niet meer alleen op de wereld. En ik weet niet wat het is, maar zo voel ik me nu wel weer. Ik ben op mezelf aangewezen, ik ben op mezelf teruggeworpen. Ik ben de enige die er altijd is en altijd zal zijn zolang ik leef. De enige op wie ik dus ook echt kan bouwen. Ik kán ook op mezelf bouwen, de tijd heeft me geleerd dat ik een sterke vrouw ben, ik heb vertrouwen in mijn kunnen en weet van mijn onkunde.

Maar die eenzaamheid, die sluipt weer stiekem onder mijn huid. Het is een gevoel wat ik af en toe op een zijspoor kan zetten als ik merk dat mensen er voor me zijn, als ik me gekoesterd voel. En hoe eenzamer ik me voel, eenzaam diep vanbinnen, want verder naar de oppervlak heb ik nergens last van, hoe eenzamer ik me voel, hoe groter de behoefte om gekoesterd te worden. Liefde, de liefde van Aart koesterde me, ik voelde me gewenst en ik kon het gevoel van eenzaamheid opzij schuiven. Ik was me er altijd van bewust dat het er was, ergens diep van binnen. Maar het was een overbodig gevoel geworden, want ik werd gekoesterd, het gevoel bedekt met de mantel der liefde.

Nu vervaagt die liefde, zachtjes uitgevlakt door de tijd en nog maar een schaduw van wat hij daadwerkelijk was. Liefde die ik nog geef vooral, die ik uitstraal maar die niet ontvangen word en niet geretourneerd door Aart. Wel in gedachten, maar niet in het lijfelijke gevoel van twee armen om je heen die je áltijd weer dat geborgen gevoel kunnen geven, die je koesteren en die samen met jou de weg van de eenzaamheid bewandelen. Want eenzaam, dat waren we samen.

Advertenties

Dokter Bob

Sinterklaasgedicht van Aart aan mij over dokter Bob, jaren geleden.

Sinterklaasgedicht van Aart

Een jaar of zeven geleden deed dokter Bob zijn intrede in huize Brouwer. Na al heel wat heupgelazer kwam ik bij een serieuze orthopeed in Amersfoort terecht. Na de eerste of tweede afspraak vroeg Aart mij wanneer ik weer naar dr. Bob moest. Verwarring alom want ik was er toch echt van overtuigd dat deze dokter Hans heette. Ik verbeterde hem en zei dat ik dacht dat zijn voorletter J. vast voor Johannes stond, Hans dus. Maar tot mijn irritatie én hilariteit bleef het dokter Bob. Toen dokter Bob me doorverwees naar andere specialisten kwam ik er achter dat dokter Bob diep zat bij Aart. Ze heetten namelijk allemaal dokter Bob voor Aart. Het was wel makkelijk, er kwamen er zo veel voorbij dat we écht niet al die namen konden onthouden. Één arts werd door Aart na een eerste ontmoeten onmiddellijk weer onttroond, de beste man was de titel dokter Bob niet waardig. Aart vond het maar een pennenlikker en een ambtenaar, dag dokter Bob.

Hoewel het hem gruwelijk irriteerde dat ik van dokter naar dokter moest, omdat hij nu eenmaal zelf een hekel had aan ziek zijn, ziekten, ziekenhuizen en alles waar maar het woord dokter of ziekenhuis in voor kwam, was hij wel mijn trouwe steun en toeverlaat. Hij ging elke enigszins belangrijke afspraak mee om als mijn tweede paar oren en kritisch echtgenoot te functioneren. Hij stelde de vragen die ik vergat en samen bespraken we wat er nóu toch weer ging gebeuren. Bij slecht nieuws of wederom onzekerheid troostte hij mij met een dikke knuffel. En daarna moest ik er maar over ophouden want er over práten wilde hij niet.

Toen ik op een gegeven moment wel 4 dr. Bobs had begon hij wel een beetje te zuchten te te steunen. Maar naar dokter Bob in Delft ging hij altijd trouw mee. Hij wilde met eigen ogen zien dat zijn vrouw daar goed behandeld zou worden, wie in mijn vrouw snijdt, snijdt in mij leek hij soms wel eens te denken. Hij legde dr. Bob regelmatig het vuur aan de schenen over de te verwachte resultaten. En toen dokter Bob besloot de boel maar eens uit de kom te trekken teneinde er in te kunnen hakken en zagen zat Aart in de centrale hal op mij te wachten tot ik van de uitslaapkamer af mocht. Hij zat aan mijn bed en maakte steevast grapjes met de buren. Of over de buren.

De voorgaande maanden heb ik het bewust rustig gehouden met alle dokter Bobs, ik had wel even wat anders aan mijn hoofd.  Maar nu is het grote feest weer begonnen. Dokter Bob #1 sneed in mijn vinger om die grote bult weg te halen die in de weg zat, de tweede bobbel ‘crushte’ hij en passant nog even met zijn vingers. Dokter Bob #2 stuurde me naar dokter Bob #3 die me een 4th opinion gaf en weer terugstuurde naar dr. Bob #2 die daarop besloot met te pesten met een fijn onderzoekje met naalden in gewrichten, contrastvloeistof en een half uur doodstil liggen in een mri-herrieding. Dokter Bob #4 die overigens zeker weten Hans heet, pielt ondertussen in mijn ADHDerige hoofd met medicijnen waar ik bar slecht op reageer en dr. Bob #5 probeert vanaf die zelfde kant mij aan het slapen te krijgen. Ik reis van Ede naar Zeist naar Delft en ook het ziekenhuis in Amersfoort verblijd ik met bezoekjes. En ik weet het zeker, Aart was boos geweest. Boos op al die dokter Bobs dat ze me zo pijnigden. En dan had ik stoer gezegd dat het heus allemaal wel goed zou komen, gewoon even tanden op elkaar.

Maar hemeltjelief, wat zou ik graag Aarts dokter Bob gemopper willen horen, zijn oordeel willen horen over wat de medicatie met me doet en vooral gewoon, gezellig samen in de auto naar Delft, Voorburg, Leiderdorp of andere uithoeken. En dan gezellig keuvelend na afloop een strand opzoeken, een wandelingetje maken, onze geliefde zeelucht opsnuiven, knuffelen en zoenen op het strand. Want op het strand moet er altijd gezoend worden, dat vraagt er gewoon om. En daarna naast elkaar aan een tafeltje, een beetje tegen elkaar aan zittend genieten van heerlijke sushi. Aart onder het genot van sake, want ik rijd toch en ik onder het genot van, ja iets fris dus. En dan ’s avonds naar huis rijden in het donker en na 10 minuten gesnurk naast je horen terwijl hij je wel wakker zou houden tijdens de rit naar huis.
Ik mis dokter Bob, ik mis zijn hardnekkige aanwezigheid in huize Brouwer. Nu is het gewoon dokter Hans, dokter, Ralph, dokter voornaamonbekend, dokter Reinier (enz.) want er is geen Aart om ze stug allemaal dokter Bob te noemen. Ik mis twee armen die me altijd steunen.

Een jaar geleden (8) hieperdepiep Hoera! (?)

Lucas 1 jaar

‘Een jaar geleden’s, daar zijn er een heleboel van. Maar geen enkele van het afgelopen jaar had tot nu toe dat gouden randje wat deze dag heeft. Een jaar geleden lag ik op deze dag in mijn ziekenhuisbedje te wachten op de gynaecoloog. Eerder die week was ik weer opgenomen, deze keer met een bloeddruk van 210/140, onacceptabel en een duidelijk signaal dat ik niet zwanger kon blijven rondlopen tot aan de veertig weken. Ik was 35 weken zwanger, te vroeg natuurlijk, maar de baby had een hele goede kans buiten de buik met deze termijn. Twee keer kreeg ik een ballonkatheter om zo mijn bevalling op gang te brengen. Helaas was ik eerder die nacht weer ziek geworden en was mijn bloeddruk ondanks het infuus en 12 bloeddrukverlagende pillen op een dag toch weer te hoog geworden. Ik had een tweede infuus gekregen en de mededeling dat ik nuchter moest blijven omdat mijn kind de volgende dag, woensdag, hoe dan ook geboren moest worden. Als ik voldoende ontsluiting had dan zouden ze mijn vliezen breken en het via de natuurlijke weg proberen en ander zou ik een keizersnede krijgen.
Ik moet stiekem nog een beetje gniffelen om die nacht. Ik wist dat het niet goed was toen ik op het belletje drukte, hoewel je van een hoge bloeddruk niet heel veel voelt herkende ik inmiddels de pijn in mijn lever en de vage drukkende hoofdpijn. Aart lag naast me op een stretcher in afwachting van de bevalling en werd wakker van alle poeha. Toen iedereen even weg was om te overleggen zei ik tegen Aart: “gauw, geef me chocoladekoekjes, ze gaan me vast zometeen vertellen dat ik nuchter moet blijven en ik heb honger”. Mijn partner in crime en ik aten gauw een halve doos koekjes leeg voordat de arts en verpleging weer terugkwamen en inderdaad, ik kreeg wat ik voorspeld had, ik moest nuchter blijven. Het verhaal over het klysma wat ik vervolgens ’s cohtends kreeg en de uitgevallen ballonkatheter zal ik jullie besparen maar ik weet nog dat ik tegen de verpleegkundige die het me mededeelde riep: “welja, ik krijg alles wat ik nooit gewild had. Nou vooruit dan maar weer.”
Om 10 uur kwam de gynaecoloog en tot ons grote geluk voelde ze dat ik voldoende ontsluiting had om de vliezen te breken. Ik ben nog steeds nieuwsgierig hoe ze dat nou deed want het voelde heel raar, als scheurend rubber en ineens liep er een plens vruchtwater uit me. Daarna werd ik naar de verloskamer gebracht en moest ik op het hoge verlosbed klimmen. Wát een martelwerktuig! Daar had ik sowieso al nooit op willen bevallen, maar nu moest ik er ook nog eens op gaan liggen, hard en oncomfortabel, alsof ze daarmee willen voorkomen dat bevallingen te lang duren. Eten wilden ze me liever niet geven, maar ik kwam zowat óm van de honger dus ik was écht niet van plan op een lege maag te gaan bevallen. Nou een beschuitje met jam mocht wel. “Gadver” riep ik, “dat lust ik niet hoor, doe nou maar gewoon een boterham met kaas!”. Uiteindelijk na wat gehannes mocht ik wel crackers met kaas en ook wel een appel en wat thee. Crackers met kaas ben ik blijven eten totdat de weeën op gang waren, toen had ik geen tijd meer, die appel is er nooit van gekomen maar heeft Aart uiteindelijk opgegeten omdat hij door alle drukte was vergeten te eten. De thee was uiteindelijk mijn redding. Ik wil iedereen adviseren om te bevallen met lauwe thee, dat is echt geweldig en precies wat een vrouw nodig heeft op zo’n moment.

Helaas kwamen mijn weeën maar half op gang dus werd ik na een uurtje aangesloten op een infuus met weeënopwekkers. Dat zorgde overigens even voor wat hoofdbrekens voor de gynaecoloog want ik had al twee infusen en deze medicatie mocht niet tegelijk met die andere twee door één infuus. Er was even sprake van dat ik een derde infuus zou krijgen maar gelukkig besloot men één medicijn te stoppen waar ik toch al niet al te lang mee door mocht gaan. Ik lag al op dat verlosbed met twee infusen, een blaaskatheter, een bloeddrukband een ctg-band om mijn buik en een draadje op het hoofd van Lucas om zijn hartslag te meten, ik vond het wel mooi geweest. De weeënopwekkers deden hun werk, binnen no time vlogen de weeën me om de oren. Puffen op altijd is kortjakje ziek had ik gelezen dus dat deed ik braaf. Totdat ik hyperventilerend in paniek raakte en een kordate verpleegkundige me vertelde dat ik misschien beter gewoon in drieën kon puffen. Dat is inderdaad in een weeënstorm misschien verstandiger, je moet namelijk ook nog af en toe ademhalen. De weeënopwekkers werden uiteindelijk maar uitgezet want ik had wee op wee op wee. Dat hielp helaas nauwelijks, mijn lichaam vond het blijkbaar wel een goed idee om de baby er zo snel mogelijk uit te werken.

Ik heb bijna de hele bevalling mijn ogen dicht gehad, af en toe sommeerde ik Aart me thee te geven. Deed hij het niet snel genoeg dan werd ik boos. Thee, lauwe thee moest het zijn. Eerst wilde ik dat persé uit een gewoon glas maar uiteindelijk zei ik: “doe het nou in zo’n verrekte tuitbeker man, dit wérkt toch niet?!” Arme Aart had het wel te verduren. Niet dat ik nou zo’n enorme bitch was en lelijke dingen zei, maar hij was doodziek en ik liet hem maar rennen. En toen de kordate verpleegkundige weg moest omdat iedereen op de afdeling tegelijk besloten had te gaan bevallen pufte Aart met me door de weeën heen tot hij zelf bijna van zijn stokje ging. Behalve wat losse commando’s lag ik totaal in mezelf gekeerd en geconcentreerd op de bevalling weeën weg te puffen. Ik heb me nog nooit zo verbonden gevoeld met mijn lichaam als toen.

Om 10 uur werden mijn vliezen gebroken, om 11 uur kreeg ik weeënopwekkers, om 12 uur had ik 5 cm ontsluiting, om 13 uur had ik 6 cm ontsluiting. Om 13.30 u kwam de verpleegkundige vragen of ik misschien pijnstilling wilde. Ik had inmiddels al een anderhalf uur durende weeënstorm. “NEE!” Riep ik. “Wacht! wat hebben jullie?”. En zo geschiede dat ik om 13.30 u een prik in mijn been kreeg zodat ik een héél klein beetje op adem kon komen. Daarna verdween iedereen weer uit mijn kamer behalve Aart. Een klein half uur later voelde ik ineens énorme persdrang. “Aart” riep ik, “ik moet persen”. Waarop Aart zei dat hij al op het belletje gedrukt had. Omdat dacht dat dat niet snel genoeg zou gaan zette ik het op een gillen: “HELP! HELP!” riep ik. Het was even door mijn hoofd geschoten om brand brand te roepen maar ik dacht dat help ook wel effectief zou zijn in een ziekenhuis. En inderdaad, binnen een paar seconden stonden er drie mensen aan mijn bed. “Puffen, puffen, puffen” riep de verpleegkundige, “ander scheur je uit, dat zou zonde zijn”. Ja dacht ik, dat zou zonde zijn dus ik deed een halfslachtige poging tot puffen. En daarna mocht ik persen, nou ik kón ook niks anders meer. Ik voelde niet eens weeën, mijn lijf gooide gewoon in één grote ruk mijn kind er uit. Het was een soort niet tegen te houden oerdrang.

“Wendel, doe je ogen eens open, hij is er”. Voorzichtig deed ik mijn ogen op en daar was mijn kind, hij huilde schrille kreetjes. Mijn piepkleine baby, geboren met 35 weken en 3 dagen. Ik kreeg hem op mijn borst onder de deken. Heel even mochten we genieten met zijn drieën, toen werd hij meegenomen door de kinderarts en kornuiten.

IMG_0863

De rest van de dag verliep minder feestelijk. Aart ging met Lucas mee en ik lag in mijn eentje bij te komen van de bevalling. Ik was er zonder kleer- of andere scheuren vanaf gekomen en voelde me prima. Maar ik mocht niet naar mijn kind, ik was te ziek en het was verschrikkelijk druk op de afdelingen. De hele middag heb ik liggen brullen van ellende, ik wilde mijn kind, ik wilde bij zijn eerste voeding zijn, ik wilde hem aanraken en bekijken. Maar het kon niet. Aan het einde van de middag was ik in staat om alle infusen en katheters er uit te rukken en desnoods kruipend naar de neonatologie te gaan toen een voedingsassistente mij druipend van tranen aantrof in mijn bedje en niet veel later terug kwam met een verpleegkundige die me verzekerde dat ik in élk geval die dag mijn kind nog zou zien.

Dat werd uiteindelijk om 22 uur ’s avonds. Lucas werd met couveuse en al naar mijn kamer gebracht en ik mocht een uur lang met hem op mijn blote borst liggen. Genieten! En het mooiste was, dat kleintje dat maar niet op temperatuur wilde komen in zijn eentje in de couveuse, trok helemaal bij en dat bleef zo tot hij een aantal dagen later al uit de couveuse mocht.

Het was een dag van uitersten, extreem geluk, een bevalling die ik ondanks de heftigheid van de weeënstorm, zo nog eens over zou willen doen vanwege het oergevoel. Maar dat verdriet omdat ik niet naar mijn kind mocht, datzelfde oergevoel dat maakte dat ik het gevoel had dat dat móest! Ik hoop zoiets nóóit meer mee te maken!

Vandaag is het ook een dag van uitersten. Ik ben zo trots op Lucas, zo trots op alles wat hij doet. Ik ben zo dol op mijn ventje. Een jaar alweer, ik weet nog steeds niet of ik daar nou om moet lachen of om moet huilen. Een jaar is voorbij gevlogen, een jaar waarin verschrikkelijk veel is gebeurd. Maar een jaar is ook een mijlpaal, mijn kind is geen 0 meer maar 1, hij heeft een leeftijd.
Maar ik voel me ook verdrietig, ergens aan de rand, omdat we deze dag niet samen kunnen vieren met Aart. Aart die zo trots geweest zou zijn, die zou hebben lopen opscheppen over zijn kind. Aart had hier bij moeten zijn en moeten helpen met slingers ophangen. Mijn hart is in twee stukken, een stuk blij, gelukkig en trots en een stuk intens verdrietig. Hieperdepiep Hoera!?

Wasmand

20140316-001103.jpg

Op zolder staat een wasmand. Een wasmand met een kussen er in. Hij staat daar al heel lang en tijdenlang keurde ik ‘m geen blik waardig. Normaal als hij was geworden in mijn zichtsveld. Maar gisteren stond ik er naar te kijken en ik besefte dat het een stille getuigen was van wat hier op zolder ooit plaats vond. Getuige van de liefde.
In die wasmand sliep Lucas. Niet bij gebrek aan wiegje maar uit praktische overwegingen. De wieg was veel te groot en zwaar om naar zolder te tillen en in gezeul met de wagenbak hadden we geen zin. Een wasmand, licht en wendbaar en met een kussen er in een heerlijk mandje voor onze zoon.
Daarin lag hij uren te slapen terwijl zijn vader zijn poppetjes schilderde en zijn moeder even wat anders deed.
Het was heerlijk om Lucas af en toe even over te dragen. Door Aarts gezondheid kwam een groot deel van de verzorging op mijn schouders terecht. Maar regelmatig liep ik met een wasmand met baby naar zolder, naar Aarts domein waar hij met liefde ontvangen werd. Dan parkeerde Aart de wasmand dicht bij zich in de buurt zodat hij bij een kik van Lucas zijn hand maar hoefde uit te steken om hem te troosten.
Soms kwam ik even kijken, dan knuffelde ik met Aart terwijl we het er over hadden hoe verliefd we waren op dat kleine pakketje in die mand. Aart kon uren zitten kirren boven dat geïmproviseerde wiegje en voerde als Lucas wakker was hele gesprekken met hem.
Soms verdenk ik hem er van dat hij zo veel mogelijk liefde in dat kleine mannetje wilde stoppen alsof hij wel voorvoelde dat hij er niet tot altijd bij zou zijn om dat rustig aan te doen. Hij was verkocht vanaf het eerste moment en verknocht vanaf het moment dat Lucas tegen zijn gehavende blote borstkas aankroop op de neonatologie.
Bang hem te laten vallen riep Aart mij altijd als het tijd was Lucas weer op te halen. Omdat hij honger had, een schone luier moest of gewoon omdat Aart moe was. Dan liep ik met het kleine vrachtje weer naar beneden.

Op zolder staat een wasmand met een kussentje er in. Vergeten door de scheurende tijd. Een kind dat die wasmand al lang ontgroeid is en zonder papa die op hem past.

In de mixer

Lucas&Thomas

Men neme een portie zonnestralen, een eetlepel warmte, 3 doseringen blauwe lucht, een fles wijn, een heleboel volle terrassen, overal mensen buiten een kind en een kat. Gooi al deze ingrediënten in een grote schaal, eerst de portie zonnestralen mengen met de warmte, dan het blauw toevoegen van de lucht, kieper dan de fles wijn zo snel mogelijk om en gooi er wat stoeltjes bij van het terras. Voeg als laatste de volte, de lucht, de mensen en de kat toe. Pak een grote mixer en mix het geheel tot een gladde massa.  Zorg dat er geen stukjes meer in zitten en verdeel het geheel dan over een paar schaaltjes. Dien het geheel koud op en gebruik voor de garnering het kind en dan heb je, wat ik ongeveer heb: gemixte gevoelens.

Het is zonnig en ik geniet met volle teugen. Terwijl Lucas zijn middagdutje doet zit ik buiten op de stoep in de zon. De kat zit naast me en probeert elke keer als ik even opsta om iets te pakken mijn stoel in te pikken. Ik doe me tegoed aan een stapel tijdschriften die ik al heel lang heb liggen. Tijdschriften over gelukkige gezinnen, over eetstoornissen, over depressies, over narcisme en over hoe iedereen er wonderbaarlijk weer bovenop komt en een successtory wordt die niet misstaat in een Viva, Flair of Margriet. Ja, inderdaad, ik ze dat soort blaadjes te lezen. Ik voel me intens blij als ik de zonnestralen op mijn huid voel, als ik het een beetje voel prikken omdat mijn witte huidje dat niet meer gewend is. Ik loop naar binnen en ineens komt het besef. Aart zit niet op zolder met de luxaflex dicht te typen aan een stukje. Aart zit niet als een holbewoner in zijn onderbroek poppetjes te schilderen terwijl de rest van Nederland naar buiten rent. Aart komt niet zometeen naar beneden om me een kus en een knuffel te geven.

Niet veel later is Lucas wakker. We zitten samen op de stoep. Hij speelt met de kat, kruipt rond, ontdekt dat aarde net zo lekker smaakt als zand en probeert de kat te ontdoen van zijn halsbandje want daar hangt een mooi glimmend naamplaatje aan. Ik voel me ‘shaken not stirred’, ik geniet en voel tegelijk zo veel verdriet. Er zit een gat, een groot gat in mijn hart. Maar de rest van mijn lijf weet dat nog niet en denkt dat het gewoon nog intact is. Nog steeds zijn er dagen dat het zo onwerkelijk voelt, dit kan toch niet? Dit klopt toch niet? Waar is nou dat gelukkige gezin wat wij samen zouden worden? Dit moment hadden we zo naar uitgekeken. Aart had het elke dag vanaf dat Lucas thuis kwam uit het ziekenhuis tot aan de dag dat hij stierf over hoe wij samen zouden gaan fietsen, met Lucas voorop in het fietsstoeltje. Hoe we zouden genieten van het weer, van die eerste zonnestralen. Ik zei dan dat hij echt nog even geduld moest hebben, dat Lucas pas in een fietsstoeltje kon als hij zelf zou gaan zitten.
Daar zijn we nu, wij, Lucas en ik en een gat in mijn hart. Bijna een jaar verder, bijna een jaar geleden dat hij werd geboren. En hij gaat zelf zitten en we fietsen samen met hem voorop in het fietsstoeltje en de wind streelt door zijn pluizige blonde haren. Ik snuif die wind op en geniet maar mis het ook dat Aart met mij geniet. Hij wilde dit zo graag, hij was zo vastbesloten, wij zouden samen fietsen, samen als een gelukkig gezin, of misschien als een chagrijnig gezien, dat komt ook wel eens voor, maar dat kun je van buiten niet altijd zien.

Om me heen zie ik op zulke dagen zo veel gelukkige gezinnen, samen op het strand, in het bos of op de kinderboerderij, samen naar de dierentuin of gewoon samen op de stoep met een glaasje wijn terwijl hun kinderen ravotten op het grasveld voor de deur. Gezinnen met een papa en een mama, zo lijkt het in elk geval op het eerste gezicht. Wij zouden ook zo’n gezin zijn.

Nu ben ik een gezin met Lucas samen.  Als ik iets met Lucas wil ondernemen ben ik degene die alles moet sjouwen en die 
constant in de weer is. Ik heb twee ‘mannen’ in huis die niet kunnen praten, ze drinken geen wijn en sjouwen geen spullen. Een kind en een kat zijn mijn gezelschap, leuk gezelschap, maar toch is er dat gat. Genieten, maar ook nog even veel harder missen wat ik moet missen. Gevoelens samengevoegd in een grote schaal en met een mixer door elkaar gemixt. Zo zijn mijn mooie dagen.

Een jaar geleden (6)

Ziekenbezoek van Aart

Omgekeerde wereld, Aart op ziekenbezoek bij mij

Het was een maandag in het holst van de nacht. Aarts hart ging te keer als een malle en werd niet meer rustig. We moesten naar de eerste harthulp om het te laten onderzoeken. Daar zaten we dan op de vroege morgen, allebei hadden we geen oog dicht gedaan. Aart was de hele nacht onrustig geweest en de baby roerde zich regelmatig in mijn buik. We maakten ons zorgen om hem, elke keer weer dingen die niet goed gingen.
Een hartritmestoornis was de diagnose, eentje die wij van buitenaf ook al gesteld hadden want door zijn mechanische hartklep kon ik hem snel en niet altijd even regelmatig horen kloppen. Gelukkig niets ernstigs, maar helaas herstelde het ritme zich niet vanzelf. Ik belde de afdeling gynaecologie waar ik die ochtend een afspraak had dat ik niet op tijd kon komen. Ik mocht later komen als dat lukte. Aart wilde liever geen cardioversie (een stroomstoot) en kreeg daarom in eerste instantie medicatie. Aangezien het nog wel uren zou duren voor hij eventueel richting huis zou mogen besloten we dat ik toch maar even naar de controle bij de gynaecoloog zouden gaan.

Even.

Maar echt even werd het niet. Na een rustig gesprekje zei de gynaecoloog: Je bloeddruk was net te hoog , ik wil het nog een keer meten. Helaas, weer te hoog, ik dacht nog, nou ik zal wel rustig aan moeten doen dan. Dat klopte, héél rustig aan: “ik ga je opnemen” zei de gynaecoloog. Ik zei dat dat niet kon, dat ik mijn man zo moest gaan ophalen in het ziekenhuis, dat mijn auto in een blauwe zone stond en dat ik daar niet te lang mocht blijven staan, of ik niet ’s middags terug mocht komen. Nee, het antwoord was duidelijk, jij word opgenomen en ik ga je in een rolstoel naar de afdeling brengen, je bloeddruk is zo hoog dat ik ook niet wil dat je gaat lopen. Een lieve assistente zette mijn schijf op een nieuwe tijd zodat er nog wat tijd was en terwijl ik Aart belde werd ik door de gynaecoloog naar de kraamafdeling gebracht.

Het was een hectische dag, ik weet nog precies in welke kamer ik lag, ik keek uit over de Paaz en revalidatieafdeling van het nu oude ziekenhuis, het waren grote vieze ramen, er stond nog een eenzaam achter gelaten bosje bloemen. Ik lag aan het ctg en kreeg een waakinfuus waar ze heel wat keren voor moesten prikken en mocht alleen nog om naar de wc te gaan uit bed komen. Ondertussen was ik alles aan het regelen. Aart kreeg toch een cardioversie en mocht aan het einde van de middag naar huis. Maar alleen naar huis was uitgesloten. Op de afdeling wilden ze wel kijken of ze bij wijze van uitzondering hem bij mij konden laten slapen maar uiteindelijk was er geen kamer voor ons vrij. Ik weet niet meer wie ik allemaal gebeld heb, maar ik heb het geregeld. Aart werd opgehaald, iemand bleef bij hem slapen, ik kreeg toilletspulletjes en schone kleding, zelfs mijn haakwerk werd opgehaald. Daar lag ik dan, moederziel alleen in het ziekenhuis, mijn man in een ander ziekenhuis. Ik voelde me onthand, het kon niet, ik kon niet opgenomen zijn want Aart was gewoon nog te ziek om zich te redden. Of nou ja, het was vooral zijn onzekerheid, de angst dat er iets zou gebeuren en dat hij dan alleen thuis zou zijn. En ik was bang dat ik hem op een ochtend zou bellen en hij niet zou opnemen, dat er dan iets gebeurd zou zijn en dat ik er niet was geweest om hem te helpen. Gelukkig lukte het om logees te vinden.

Ik bleef een week in het ziekenhuis. Ik kreeg af en toe wat bezoek en was blij als ik eens een kamergenoot had. Ik miste Aart, hij kon nauwelijks komen, alleen als iemand hem bracht en hij kwam ook een keer met de taxi. Pil na pil kreeg ik om mijn bloeddruk  onder controle te krijgen en uiteindelijk, toen ik er 12 op een dag slikte en totaal versuft was mocht ik weer naar huis. Ik ging met mijn eigen auto die nog steeds op de parkeerplaats stond en moest eerst RouteMobiel bellen omdat de motor niet meer wilde starten omdat mijn accu leeg was geraakt door de kou. En ’s avonds ging ik naar koor met toestemming van een gynaecoloog die dat zelf ook deed. Ik heb de hele avond op halfzeven op een stoel gehangen en voelde me hondsberoerd maar ik was tóch blij dat ik er weer was. Niet naar koor gaan, dat was een haast groter straf dan in het ziekenhuis liggen.

Het was een rare dag een jaar geleden. Ik maakte me meer zorgen om Aart dan om mezelf of mijn kind, ik voelde me niet ziek en Lucas trappelde er lustig op los. Het was zo’n dag waarop ik dacht: nou oké, vooruit dan maar, doe het maar snel dan kan ik weer naar huis om voor Aart te zorgen. Elke dag vroeg ik hoe lang het nog zou duren en wanneer ik dan wél naar huis mocht. Ze waren lief voor me, maar ik miste Aart, ik wilde niet alleen voor hem zorgen, ik wilde ook gewoon bij hém zijn. We waren al zo lang van elkaar gescheiden geweest toen hij in totaal 2,5 maand in het ziekenhuis lag dat wilde ik gewoon niet meer.

Ja, 4 maart een jaar geleden was een rare dag.