Onhebbelijk

Illustratie: Wendel Jacobs (2008)

Illustratie: Wendel Jacobs (2008)

Sommige mensen hebben, hoe lief je ze ook vind toch ook een behoorlijke lijst onhebbelijkheden. Ik ben daar gelukkig niet één van, ik ben een heel hebbelijke vrouw en heb totaal geen slechte eigenschappen. Blader maar eens naar pagina 1024 van mijn gebruiksaanwijzing, dan zul je het zien.
Aart daarentegen barste van de onhebbelijkheden, je mist ze als kiespijn.
Oké, ik spreek nu niet de waarheid. Juist de onhebbelijkheden mis ik enorm, omdat ze bij de man horen van wie ik houd en hem maakte wie hij was.

Zo kreeg hij het voor elkaar om op de ik geloof eerste officiële ontmoeting met zijn schoonouders een paasei te beschilderen met dooie beesten in een boom. Dat was op dat moment, ten tijde van één of andere veeziekte, een nieuwsitem.
Op dat moment wist ik echt niet wat ik er van vinden moest, ik schaamde me voor die overduidelijke sabotage van onze traditie van het paaseieren schilderen. Nu moet ik gniffelen om het moment en ben ik stiekem trots dat hij zelfs van paaseieren schilderen een journalistieke bezigheid kon maken. Hij had talent!

Ook kon Aart absoluut niet masseren. Elf jaar lang heb ik het hem als een drillsergeante geprobeerd bij te brengen, maar nog steeds snapte hij niet dat het niet prettig was als hij om de twee seconden hard op een andere plek ging porren en dat als ik kreunde van de pijn van een zich voorzichtig ontspannende spier, dat hij dan juist nog even door moest gaan. Ik moet hem wel credits geven dat hij het zo lang met me heeft volgehouden, want hij vond masseren écht geen leuke bezigheid.

Het ouderwetse gentlemanschap wat Aart vaak sierde had ook een andere kant. De emancipatie leek af en toe volledig aan hem te zijn voorbij gegaan. Hoewel hij vaker kookte dan ik en zijn eigen overhemden streek bleef hij stelselmatig verkondigen dat hij vond dat ik dat moest doen. Ik als vrouw hoorde hem na een lange werkdag te vertroetelen, zijn sloffen en een krantje moesten al voor hem klaar liggen, een potje pruttelend eten op het vuur en uiteraard een hele rits gestreken overhemden in de kast.
Dat moet een deceptie voor hem zijn geweest want als ik ergens niet voor in de wieg ben gelegd is het wel om een goede huisvrouw te zijn. Zijn overhemden hingen zelden gestreken in de kast. Sterker nog, meestal lagen ze in een berg bij de schone was; die kreukels die je dan krijgt, daar kon geen strijkbout tegenop.
Ik heb hem in een goede bui nog wel een keer zijn pantoffels gebracht hoor, je moet elkaar toch een beetje plezieren in een relatie af en toe.

Ik kan nog wel een tijdje doorgaan, maar ik houd het bij nog één onhebbelijkheid, want over de doden niets dan goeds toch?
De ergste onhebbelijkheid vond ik wel zijn belabberde timemanagement. Dan heb ik het niet over de eindeloze hoeveelheid stukken die hij de nacht voor de deadline schreef want dat moest hij zelf weten, bovendien waren ze altijd voor de deadline klaar en had ik er, behalve dat ik dan om drie uur ’s nachts een stel kouden voeten moest verwarmen, niet heel veel last van.
Nee ik heb het over die ontelbare keren dat hij een kwartier voordat we weg moesten nog in zijn boxershort en T-shirt achter zijn bureau zat en altijd als ik hem er aan herinnerde dat we bijna weg moesten zuchtte hij (nog zo’n onhebbelijkheid) en sprong hij vervolgens ‘nog even gauw’ onder de douche om vervolgens nog lekker tien minuten te gaan poedelen, nog kleren uit te moeten zoeken en dan nog ‘gauw even’ een boterham te gaan eten. En als ik geluk had en hij was wel een keer klaar op de tijd dat we weg moesten dan moest hij steevast ‘nog even’ naar de wc terwijl ik al in de auto zat te wachten.
In Steenwijk, waar het wc-raampje grensde aan de oprit heb ik een keer ongeduldig de motor gestart en heb heel asociaal gas zitten geven. Hiiiiiiing, hiiiiiiiiiiiing, hiiiiiiiiiiiiingngngng. Aart vertelde later dat hij bijna over de rand van de pot had gepiest van het lachen.
Maar het irritantste van dit hele verhaal was dat ík vervolgens het verwijt kreeg dat hij zich met mij ‘altijd’ moest haasten. Hij had een gruwelijke hekel aan zich haasten, maar waarom hij dan niet gewoon op tijd begon met zich klaar maken om weg te gaan is mij nog steeds een raadsel.

Ja, het was een onmogelijke man, irritant, bazig en koppig, de gebruiksaanwijzing was zoek, hopeloos. Ik vind doodgaan trouwens ook een tamelijk onhebbelijke eigenschap.
Ik mis bazig en koppig, ik mis gezucht bij alles wat hij niet wilde maar toch deed, ik mis zijn sabotage van mijn planning. Hoewel zijn zoon een waardig opvolger is, dat moet gezegd. Ik kom zélden nog echt op tijd. Slapen terwijl je nog boodschappen moet doen. Je kleren onder spugen terwijl je net schone aan hebt. ‘Nog éven’ gauw die luier vol poepen op het moment dat we weg gaan. Aard(/t)je naar zijn vaartje noemen ze dat geloof ik.

Advertenties

Stil van buiten

Het is stil, buiten is het stil, hier binnen is het stil. Hier is het stil. Maar van binnen is het dat niet. In mij woedt een storm die mij maant tot stilstand. Die maakt dat ik deze weken niet zo goed kan schrijven, niet kan tekenen. Daarvoor moet er beweging zijn, letters en ideeën moeten vloeien. Misschien is dit wel een eerste stap. Ik moest wel schrijven want de stilte overweldigde mij.
Ik lag in bed met mijn ogen dicht, klaar wakker maar toch met droomgedachten. Hersenspinsels voortkomend uit mijn angsten.
Ik zei laatst dat ik somber was. “Moet ik mij zorgen maken?” vroeg mijn behandelaar mij. Niet begrijpend keek ik hem in eerste instantie aan. Of ik suïcidaal was bedoelde hij. Ik zei lachend nee. Net in bed bedacht ik mij dat ik hem had willen zeggen dat dat pas zou gebeuren als Pasen en Pinksteren op één dag zouden vallen en dan waarschijnlijk nog niet. ‘Maar wel als Lucas doodgaat’ zegt vervolgens één van mijn hersenspinsels. Waarna ik me vervolgens voorstel hoe dat zou voelen en voor me zie hoe ik mezelf van een brug werp of nee te bloederig, een hand vol pillen slik. Hmmm verkeerde onderwerp, ik probeer mijn gedachten te sturen naar een wat zonnigere richting. Ineens is het wel zonnig, maar ben ik weer op die mooie zondagmorgen in juni, ik sta in de deuropening te wachten, ik hoor een sirene. Ik bedenk me weer hoe ik mensen belde om te vertellen dat ik Aart gevonden had, dood en of ze wilden komen al is het maar omdat ik met mijn trillende handen de melk voor Lucas niet in een flesje krijg. Mijn ouders, mijn zusje, vriendinne, Aarts beste vriend en zijn lieve vrouw. Ongeloof en paniek, verdiet en ik sta te trillen maar blijf rustig. Ik moet praktisch blijven. Mijn baby slaapt op de eerste verdieping.
Er komt een motorambulance aan, in mijn gedachten zijn het er twee, maar in werkelijkheid kwam die tweede later pas.
Het volgende moment ben ik ineens weer aan de telefoon met de alarmcentrale, maar het gaat anders dan hoe het was, ik moet hem gaan reanimeren maar ik durf niet, hij is te zwaar, ik kan het niet.

Ik lig te trillen in bed, mijn hart klopt in mijn keel. Ergens in de verte voel ik opgesloten tranen.
Hersenspinsels, ze overvallen me in het donker, als de hele wereld slaapt en ik ook niets liever wil dan dat. In de schemering tussen waken en slapen, als ik mijn harnas heb afgelegd en kwetsbaar probeer te gaan slapen grijpen ze mij, houden mij af van wat ik wil en nodig heb en vertellen mij wat ik overdag soms nog een beetje weg kan duwen: auw.