Het lot van een pak billendoekjes

Ik rook onraad toen een doordringende zwitsalgeur mijn neusgaten bereikte. Het was inderdaad al een tijdje stil, waardoor ik me had kunnen concentreren op het lezen van wat nieuwsartikelen. Reeds in de gang trof ik de eerste slachtoffers, zachte, vochtige welriekende doekjes, willoos verspreid over de vloer.
Slechts luttele meters verder trof ik ook mijn zoon die tevreden geluidjes maakte terwijl hij enkele witte zachte doekjes in een vergeten luieremmer deponeerde. Niet wéér!
Terwijl ik hem streng toesprak begon ik luierdoekjes bij elkaar te rapen. Mijn zoon, behulpzaam als altijd met zijn zeventien maanden, begon van overal uit de kamer doekjes te plukken. Een voor een bracht hij ze naar me toe waarbij hij telkens met een triomfantelijke blik wéér één onschuldig billendoekje in de lucht stak. Dankjewel schat, heel verwoed probeerde ik elk doekje weer terug in het pakje te stoppen. Het is tenslotte zonde om al die billendoekjes zo maar verloren te laten gaan, een pak van wel één euro, zomaar weg te gooien.
De doekjes bleven komen, hij had ze zorgvuldig verspreid door alle hoeken van de door hem bereikbare ruimten.
De apotheose kwam toen hij op de gang besloot om álle doekjes mee te nemen die hij vinden kon. Het bleef een tijdje stil, ik hoorde zacht gemompel en na enige tijd kwam daar mijn zoon weer om het hoekje van de deur te voorschijn, in zijn handen een grote wolk van die doekjes met allesdoordringende geur van zwitsal. Hij stak zijn handjes in de lucht en deponeerde de doekjes gauw bij mij. Toen ik naar de gang liep om de rest op te halen ontdekte ik dat hij ze allemaal had meegenomen, keurig verzameld in zijn kleine handjes met een blije lach.
Terwijl ik probeerde de doekjes terug te proppen in het nu ineens veel te klein geworden plastic pakje zag ik uit mijn ooghoek nog één doekjes in de handjes van mijn zoon. Ik stak mijn hand uit maar ik mocht het niet hebben, zíjn doekje. Hij snufte er eens lekker in, snoot zijn neus, poetste er wat dingen mee op en als ik in de buurt kwam hield hij het stevig vast.

Wat is dat toch met dreumesen en billendoekjes? Hoe vaak heb ik al niet de witte bergen van geurige natte proppen mogen betreden? Hoe vaak heb ik wel niet erger leed voorkomen toen ik dat handje in de richting van dat uitstekende witte plukje zag gaan? Het zijn ontelbare keren geweest. Ontelbare doekjes verdwenen op deze manier al onbruikbaar in de prullenbak. Maar ik pik het niet meer! Voortaan gaan ze terug in het pak waar ze vandaan kwamen. Ze mogen dan wel hun vrijheid geroken hebben, maar ik ruik ze ook. Nog steeds. En deze keer gaan ze niet meer netjes twee aan twee, nee, ik prop ze gewoon terug waar ze horen. En dan hoop ik dat ze snel hun aantrekkelijkheid verliezen voor de grijpgrage handjes van mijn zoon. Dan hoop ik keer op keer weer dat het billendoekjesleed zich niet zal uitstrekken over de gehele luierperiode. En als dat dan toch zo is, dan hoop ik maar dat die luierperiode snel voorbij is. Het potje staat al klaar, er wordt elke dag even op gezeten. “Plas dan” roep ik, maar nee, plassen op commando zit er nog niet in. En billendoekjes met rust laten helaas ook niet.

Advertenties

Niet meer van vandaag

Een fikse wind waait door mijn leven, blaadjes vliegen om mijn oren en regendruppels ook. Verfrissend en soms doodeng worden mijn straatjes schoongeveegd en weer bevuild door deze nietsontziende storm. Er banjerde een leuke man door mijn hart, schudde de kussens eens flink op en mijn hoofd flink door elkaar. Wat is flink eigenlijk een raar woord, ik voel me soms helemaal niet zo flink, als ik wegduik voor die storm. Nu even niet! Denk ik dan. Maar hij banjert daar nog steeds.
Net zo als het stormt is de wind door mijn haar vefrissend, mijn leven opgeschud en stil blijven staan is geen optie meer. Meegevoerd wordt ik, soms tegen wil en dank maar vaak, vaak gillend van plezier. Wiehoooo ik leef! Om vervolgens om te slaan in een help ik lééf! Best eng soms dat leven.
Ik breng dozen met boeken weg, verbouw de tuin, spreek met verloren gewaande zonen, werk aan een herinneringskist, praat met een edelsmid over een sierraad, ruim op, maak schoon en denk na, heel veel na. Ik voel en beweeg, het voelt wat roestig, soms maak ik rare sprongen en soms doet mijn hart dat ook.
Ik maak voorzichtige wiebelige bambipasjes op een weg die de naam toekomst heeft, soms probeer ik te blijven staan, terug te kijken maar mijn hoofd dat roept: “vooruit, vooruit!”. Koest hoofd denk ik soms, je maakt mij in de war.
Vandaag was ik bij ik bij een edelsmid om te praten over een sierraad gemaakt van onze trouwringen. Ideeën vlogen over en weer over de tafel, mijn basisidee bleef. Het was een goed gesprek. Toch voelde ik mij alleen en beklemd daar aan die tafel. Zo’n grote stap, op mijn wiebelige bambibenen, zomaar alleen. Het voelt als een enorme beslissing ineens. Ik ben toe aan die beslissing, maar het is gek om te beslissen over iets wat van ons samen was, terwijl ondertussen stiekem óók nog die andere man daar rondbanjert in mijn hart. Koest, ga eens op jullie plek, laat míj! Ik doe mijn ring af, dat heb ik thuis geoefend. Ik laat hem (of zou mijn ring dan een haar zijn) bij de edelsmid, ze zal onze ringen goed bewaren, in de kluis. Voor het eerst in bijna zes jaar ben ik ringloos en meer dan ooit voel ik ‘m zitten. Dag trouwring, nu ben ik écht niet mee getrouwd. Niet meer verbonden met onzichtbaar touw, vrij van tot de dood ons scheid, vrij van in voor en tegenspoed, het is niet meer, die tijd is voorbij, klaar. Maar ik mis toch die ring, die ring die daar bijna zes jaar was. Eerst als een bevestiging van ons maffe sprookje, toen als een herinnering aan wat wij samen waren en daarna als een herinnering aan wat wij samen hadden. Nu worden onze ringen samen een symbool voor ons gezin, voor wat we waren met zijn drieën, voor waar we samen zo gelukkig mee waren in die laatste weken, ik, jij en onze Lucas. Mijn ring is niet meer aan mijn hand, mijn hand is niet meer van jou Aart. De ring wordt een herinnering net als al die andere mooie dingen die we samen hadden. Gekoesterd in een klein kluisje bij mijn hart, gekoesterd maar niet meer van vandaag.