Van die dagen

Ik word wakker met de gedachte aan Aart. Terwijl ik onder de douche sta zie ik het beeld van Aart op de medium care voor me. Ik probeer wakker te worden en de beelden van me af te schudden maar het lukt niet. Terwijl het warme water troostend over mijn schouders spoelt denk ik terug aan toen. Aan hoe ik kokhalzend naast zijn bed op de medium care stond omdat hij allemaal viezigheid op zijn beademingsmasker had zitten. Ik vond het zo erg dat ik moest kokhalzen, maar ik kon er gewoon niet naar kijken, ik heb het uur volgemaakt door ergens anders naar te staren, met tranen in mijn ogen. Ik was zwanger en gewoon erg gevoelig wat dat betreft, ik stond regelmatig te kokhalzen en had zelfs staan spugen in de parkeergarage van het ziekenhuis. De spanning hielp natuurlijk ook niet mee.
Ik denk terug aan die ochtend dat ik stond te spugen in de parkeergarage, ik had in een hotel geslapen, het was vroeg en ik had nauwelijks gegeten. De zwangerschapsmisselijkheid was een maand of anderhalf daarvoor al over gegaan, maar helaas was ik op dat gebied nog wel een stuk gevoeliger dan anders. Ik liep in de parkeergarage op weg naar mijn Aart die daar lag te wachten tot hij om 7 uur ’s ochtends naar de operatiekamer gebracht zou worden voor ik weet niet hoe lang. Toen ik halverwege was voelde ik ineens dat ik erg misselijk werd, ik wist dat ik moest eten en koos er voor om terug te rennen naar de auto waar ik eten had. Helaas was het te laat en achter de auto spuugde ik wanhopig uit wat ik nog in mijn maag had zitten. Gewapend met wat eten in mijn hand ging ik vervolgens gauw richting Aart, geen tijd te verliezen, ik kon nog maar heel even bij hem zijn voordat ze een zo grote operatie zouden doen dat ik niet eens zeker wist of hij daar wel levend uit zou komen.
Ik nam geen afscheid, maar in gedachten wel, ik bleef sterk voor hem, ik had de dag daarvoor de paniek in zijn ogen gezien. Dood gaan was zó niet het plan.
Het is gek, eens in de zoveel tijd komen al die gevoelens en gedachten weer even om het hoekje spieken. Ik leef mijn leven elke dag, met mijn nieuwe liefde, onze twee lieve kinderen, ik doe de dingen die ik moet en die ik wil. Ik voel me niet meer elke dag zo reddeloos verloren, ik voel me eigenlijk zelden nog reddeloos verloren, misschien wel niet. Maar toch, af en toe, bekruipen ineens die gedachten mij over tijden die ik het liefst zou willen vergeten.
Het is ook niet gek, het is er de tijd van het jaar voor en alles herinnert mij daaraan. Sinterklaas, de dag voor de grote operatie, toen ik nog een stuk marsepein bij hem bracht en een chocoladesinterklaas. De kerstboom opzetten, wat ik dat jaar thuis niet deed omdat ik de gedachte dat hij er niet was niet kon verkroppen. Dus deed ik thuis net alsof het een periode was als alle anderen. De kerstboom opzetten ook omdat hij er het jaar daarop niet meer was om al onze knotsgekke verzamelde kerstballen er weer in te hangen.
Maar ook de lucht, de kou, het donkere van de dagen, het sombere weer, het doet me denken aan toen. Toen viel er sneeuw op 6 december, behoorlijk veel ook, ik moest voorzichtig rijden.

Ik zou graag afscheid nemen van mijn herinneringen aan die periode, ze in een verre hoek parkeren. Ik zou graag alleen maar aan Aart willen denken zoals hij voor die periode was. Mijn lieve mopperende en humoristische Aart die met veel enthousiasme dingen wilde uitleggen, die over onderwerpen schreef waar ik heel eerlijk gezegd vaak geen fluit van begreep, omdat de geschiedenis er van rijke van ver voor mijn tijd.
Ik denk gelukkig ook vaak op die manier aan hem terug, dat is voor de normale dagen, de normale gelukkige herinneringen en soms de normale iets minder gelukkige dingen, want we hadden natuurlijk net als ieder ander stel gewoon ups en downs.
En dan op de bijzondere dagen, dan komt de rest. Zoals het ook hoort want die herinneringen zijn er nu eenmaal omdat wat gebeurd is is gebeurd.

Ik denk terug aan die nacht dat ik logeerde bij lieve vrienden, vlak na de operatie, het was niet goed gegaan en Aart was heel snel nog een keer geopereerd. Hij lag in coma op de intensive care, of misschien was hij al net een beetje wakker en naar de medium care verhuisd, dat weet ik niet meer precies. Maar ergens in die nacht dat ik wakker lag voelde ik ineens een plopje. En later nog een plopje. Het voelde alsof iemand stiekem aan de binnenkant van mijn buik aan mijn vel trok het terug liet veren: ‘plop’. Is dit mijn kindje? Dacht ik voorzichtig. Nog een paar plopjes later wist ik het eigenlijk wel zeker. Eindelijk voelde ik zelf ook leven in mijn al behoorlijk dikke buik. Die buik die in die week ook ineens heel hard groeide zodat ik aan het einde van de week veel dikker weg ging dan ik was gekomen. Misschien wel door de liefdevolle zorg van mijn vrienden.
Ik voelde me ineens niet meer alleen in de nacht, hoewel ik van de stress niet goed kon slapen genoot ik van het intieme moment met mijn nog ongeboren kind. Het eerste teken van leven, leven zo dicht bij de dood van zijn vader. En ik voelde zo veel liefde voor beiden.

En deze gedachte doet mij beseffen dat de liefde mij dit alles heeft laten doorstaan. De liefde hield mij overeind, gaf mij de krachten van een supervrouw, liet mij dingen doen die ik nooit gedacht had te kunnen doen of te kunnen doorstaan. De liefde voor die man die daar zachtjes lag dood te gaan al wisten we dat toen nog niet zeker, de liefde voor de man die zo dichtbij die dood was, die bang was ook. Die liefde hield mij overeind maar ook de liefde voor dat kleine mensje verstopt in mijn buik achter mijn placenta. De liefde die een enorme aanloop nam toen ik hem die eerste keer voelde drie jaar geleden. Toen ik ineens niet meer alleen was maar met zijn twee.
Die liefde die mij ook overeind hield in de tijd nadat Aart was overleden. het besef dat ik iets had om voor te leven. En uiteindelijk ook de nieuwe liefde die mij weer kracht gaf, die me het gevoel teruggaf om liefgehad te worden. Geliefkoosd word ik en daarom kan ik dit schrijven met alleen een brok in mijn keel en de mogelijkheid te kijken naar de pijn van toen zonder er nu door weggespoeld te worden. Want het is nu niet meer toen en het is ook niet meer als toen. En als ik verdrietig ben dan zijn er stevige armen om in weg te kruipen en een zoen van liefde droogt dan mijn tranen. Ja, zo is het nu.

Vernietmeerjaardag #3

Ik zit aan tafel achter mijn laptop, naast me op de grond speelt Lucas, 2,5 jaar is hij alweer en hij kletst honderduit. “lopen, lopen, lopen” hoor ik hem zeggen terwijl hij met een duplopoppetje over zijn net gebouwde toren wandelt.
Ondertussen dwaal ik in gedachten even weg naar Aart. Vandaag is de derde verjaardag die hij niet meer viert. Hij zou verheugd zijn geweest dat hij dat niet meer hoefde te vieren want dat ouder worden vond hij vreselijk. En hij zou best oud geworden zijn nu als hij nog geleefd had. Ouder dan hem lief was eigenlijk. Wat dat betreft zou je kunnen stellen dat het misschien wel beter is zo. Maar ja wat is beter, want was het niet ook beter geweest als hij er gewoon was geweest om die leuke voorleespapa voor Lucas te zijn?

Het is ook Lucas die me regelmatig doet beseffen dat Aart er niet meer is. Dan kijk ik in twee ondeugende ogen, die best wel lijken op die van zijn vader en dan besef ik dat hij zijn vader niet kent. Dat hij niet weet wie Aart was of wat Aart was. Hij kan nu naar de foto’s van Aart wijzen en zeggen: kijk papa Aaarrrrt, de r onhandig uitgesproken met een aardappel onder zijn tong. En soms vertel ik er dan bij dat papa Aart dood is, dan kijkt hij me serieus aan en zegt: ‘Ja papa Aart dood he’ om vervolgens vrolijk over te gaan op de orde van de dag. Gelukkig ook maar, hij is vrij en onbezorgd. Hij draagt niet de last van het verlies, hij kent het niet.
Dus draag ik zijn verlies bij het mijne in mijn hart, voel ik verdriet om wat er nooit geweest is, wat Lucas niet heeft verloren. Maar wat er wel geweest had kúnnen zijn en wat zo mooi had kunnen zijn. Papa Aart zou voorlezen en diepzinnige gesprekken voeren met ‘zijn zoon’, die alles na zou praten, de woorden proevend in zijn mond. Hij zou trots zijn en zeggen dat hij geweldig was, net zoals hij altijd trots was op zijn andere zoons. Hij zou over hem opscheppen en met hem knuffelen. Hij zou hem het woord onbetamelijk hebben geleerd. Hij zou hem verteld hebben dat hij van hem houdt elke keer opnieuw.

Het is ook gek om zo te denken, want het is er niet, het is er nooit geweest. Voor Lucas niet, voor Lucas bestaat de tijd uit gisteren en uit vandaag. Slechts gevoelens zijn de wazige herinneringen over vroeger. Dat er van hem gehouden is, altijd, dat zit in zijn bestaan.
Lucas zegt nu ‘papa’ tegen iemand anders, tegen mijn lief die ook echt zijn papa is. Die voor Lucas zorgt, hem troost als hij verdrietig is, knuffelt als hij naar bed gaat, poepluiers verschoont en zijn kleren wast. Die hem zelfs voorleest, elke dag weer, als een echte voorleespapa. Wel een beetje een dyslectische, soms produceert hij vreemde woorden, maar hij vindt het net zo belangrijk.

Ondertussen stapelt Lucas de duploblokjes steeds hoger terwijl hij zegt: ‘plakken, plakken, nog meer plakken’, hij praat honderduit. Hij pakt een auto en zegt: “de auto gaat even over meenemen, hij gaat helpen, er is puur (vuur), kijk eens, klik klak, klik klak, oh pallen (vallen)”. En ware spraakwaterval. En dan pakt hij een poppetje en zegt: “kijk papa, ga maar even zitten papa” en daarna pakt hij een ander poppetje en zegt: “kijk en dat is mama, mama ook zitten”.

Zijn leven is mooi, zijn leven is gewoon zoals het is, met een papa en een mama en een zusje waar hij gek op is. En er is ook een dooie papa en de mama van zijn zusje is ook dood. Zo is het gewoon, niks verdrietigs aan. Voor hem dan.

Gefeliciteerd Aart met je 3e vernietmeerjaardag. Ik ben alweer vergeten hoe oud je nu zou zijn geweest. Dat zou je wel deugd doen denk ik. We beginnen maar gewoon opnieuw met tellen, je sterven is nog zo jong. En het voordeel van vernietmeerjaardagen, wat niet is kun je eindeloos blijven tellen.

Onrijpe droom

Vijgenendruiven
Lonkend kijken de onrijpe vijgen en de volle trossen nu nog felgroene druiven me aan van onder hun bladerdak. Zou het helpen ze rijp te kijken? Zou het helpen om elke dag met ze te praten?
Jarenlang had ik een droom, een ware meisjesdroom? Nou ook ik overdrijf schromelijk, maar ergens in de schooltuintjes is ooit wel het zaadje gepland voor mijn verlangen.
Oké genoeg wollig geleuter, ik zou zo graag willen kunnen eten uit mijn eigen tuin, heerlijke sappige vruchten, kruiden en het liefst nog veel meer. Ooit op een Hilversum dakterras had ik tomaten, die nooit rijp werden, had ik wortels, die echt heerlijk waren, had ik radijsjes, die ik zelf niet eens lust en had ik een heleboel mislukte dingen omdat ik te laat was met oogsten, niet op tijd met water geven en meer van dat soort dingen.
Ook in later huizen, die wel voorzien waren van tuin, heb ik geprobeerd her en der eens wat eetbaars uit de grond te kijken. Helaas meestal met teleurstellend resultaat. Toch ben ik altijd blijven dromen, dromen van een iets realistischere moestuin. Een tuin met struiken met bessen, bramen, frambozen, zoiets. En een tuin met eetbare vruchtenbomen, ik zag ze al hangen, de overheerlijke pruimen, verrukkelijke appels en het liefst natuurlijk vijgen. Ik plante eens een bessenstruik, na drie jaar vertoonde hij een schamel trosje bessen. Zwarte bessen! Bah bah bah, zwarte bessen.
En in mijn nieuwe tuinplan stond langs de schutting leifruit gepland. Stond, want toen het duidelijk werd dat ik daar niet voor eeuwig zou blijven wonen heb ik de tuin netjes laten beplanten, maar alle uitspattingen eruit gelaten, geen leifruit voor mij.
En nu, nu hangen er grote onrijpe pruimen aan de boom van mijn nieuwe thuis, hangen er druiven te wachten tot het, weet ik veel, september is of zo.
En ineens moet ik denken aan Aart, aan het leven wat ik nu begin helemaal zonder hem. Aart die bijna een dansje maakte bij die wortels van het Hilversumse balkon. Zulke lekkere wortels had hij nog nooit gegeten. Je kunt er maar blij van worden. En ik moet denken aan de vijgen die we samen kochten in Istanbul waar we een week rondfietsten op onze vouwfietsjes tijdens onze reis door zuid-oost Europa. We kochten vijgen in grote aantallen, want we waren er beiden gek op. In het bloedhete weer werden ze nogal snel overrijp dus op een goed moment hadden we een hele zak uit elkaar vallende vijgen die we zo goed en kwaad als het ging probeerden op te eten op de kade aan de overzijde van het toeristische deel van Istanbul. Een vrouw, een ronde oudere dame met zo veel lagen kleding aan dat het lastig was in te schatten hoe rond nu eigenlijk, kwam naast ons zitten. Ze praatte tegen ons maar we verstonden er natuurlijk vrij weinig van. Toch was het gezellig, we lachten over en weer en ik bood haar vijgen aan die ze afsloeg. Toen ze mij de 3e vijg in mijn mond zag stoppen keek ze me bezorgd aan, met handen en voeten wist ze me duidelijk te maken dat ze zich zorgen maakte over mijn darmen, dat ik wel eens buikpijn zou kunnen krijgen van zo veel vijgen. Ik nam de raad van het lieve vrouwtje ter harte en stopte de vijgen weg.
Straks zijn al die vijgen rijp, ik kan ze toch niet zo maar laten verrotten? Ik ben dol op vijgen! Hoe veel zou je er kunnen eten voor je buikpijn krijgt? Gek dat Aart er niet is om ze te helpen eten en om honderd recepten te bedenken met vijg. Gek dat ze niet in ‘onze’ tuin staan maar in een ‘onze’ tuin waar Aart geen onderdeel van dat ‘onze’ is. Onze is nu een gezin met een andere lief, een hele lieve lief met een vijgenboom in de tuin. Gelukkig!
Ik schud eens zachtjes aan de vijgenboom, niks… Dan wat harder, nog niks. Ergens bovenin zie ik een groenpaarse vrucht hangen, veel te ver weg en vast nog niet rijp genoeg, ik schud nog wat harder. Niks.

Doosje gezin

Al heel snel nadat Aart was overleden realiseerde ik me dat ik onze ring niet altijd wilde blijven dragen. Ik bedacht me dat ik met mijn ring om mezelf bezet hield, dat ik dan nog niet echt verder kon. Maar wat ik nog veel belangrijker vond, ik vond het jammer dat ik alleen mijn éigen ring droeg en dat die van Aart ergens lag te verstoffen in een hoekje. Nou ja…in een doosje, met van die roze watjes.
Ik wilde er iets mee doen, met die twee ringen die zo perfect in elkaar passen, met wat die ringen eigenlijk symboliseren.
Ik ging tekeningen maken en praten met een goudsmit. Het enige wat er op zat was om de twee ringen om te smelten naar iets nieuws, in mijn tekeningen zag hij niets. Met buikpijn kwam ik daar vandaan, dat klompje goud die die ringen vertegenwoordigen interesseert me werkelijk niets realiseerde ik me al snel, ik wil ze juist bewaren zoals ze zijn. Maar niet aan mijn vinger…

Het eerste ontwerp

Het eerste ontwerp

Ik liet het een tijdje rusten, de ring bleef aan mijn vinger maar in mijn gedachten bleef ik er aan denken. Ik zocht op internet maar nergens zag ik ideeën die me konden bekoren. Ik tekende een nieuw ontwerp en kreeg een naam van een edelsmid die onder andere herinneringssierraden maakt.

Mijn tweede ontwerp

Mijn tweede ontwerp

Ik maakte een afspraak en werd enthousiast, de ontwerpster wilde heel graag met mij samenwerken om er iets moois van te maken. Er gingen heel wat mails over en weer met ideeën, schetsjes en nog meer ideeën. Ik bedacht dingen die niet konden, dingen die ik uiteindelijk toch niet wilde en maakte allerlei wilde plannen. De edelsmid bleef haar best doen om alles wat ik bedacht bij elkaar te kunnen stoppen in een uitvoerbaar ontwerp. Een paar weken geleden was ik weer bij haar om de laatste puntjes op de i te zetten en om zelf de andere voorkant te voorzien van een illustratie die vervolgens met de hand in het zilver gegraveerd zou gaan worden.

En vandaag was het zo ver, ik mocht het sierraad op komen halen. Het is zó mooi geworden, zo van mij ook. Het heeft alles wat ik wil. Het heeft een kant waarbij de ringen te zien zijn met in het midden een steentje dat staat voor Lucas. Deze ringen en dat steentje staan voor ons gezin. Op de andere kant is het schroefje te zien waarmee de hanger open kan zodat ik altijd de ringen er uit kan halen als ik dat wil. Om ze te bekijken, om ze nog eens aan te doen, om ze misschien ooit aan Lucas te geven of wat ik er ook voor bedenk. Op deze kant staat de boom die ik zelf getekend heb. Een boom, zoals er ook een boom op het geboortekaartje van Lucas stond en op de rouwkaart van Aart. Zo’n boom maar dan toch weer anders. Omdat een boom voor leven staat en omdat ik van bomen houd.

En zo is het geworden!

Collier kant 1

Collier kant 1


Collier kant 2

Collier kant 2

Liefde gemengd met druppeltjes verdriet

Ik zit in de auto en rijd van mijn huis naar mijn huis. Of nou ja rijdt, ik zou lopend waarschijnlijk sneller zijn want ik sta weer eens hopeloos in de file. Een mooi moment om mijn gedachten de vrije loop te laten. Ik mijmer over waar ik nu sta in mijn leven. In de file ja. Maar ook op een punt waar ik twee jaar geleden nooit van had kunnen denken dat ik daar zou zijn, wat ik drie jaar geleden nooit van mijn levensdagen had kunnen bedenken. Mijn leven is vierdubbel over de kop gegaan in de achtbaan en nu is het ineens weer soort van normaal, voor zover leven met mij überhaupt ooit normaal wordt. Drie jaar geleden was ik nog niet zwanger van Lucas, genoten Aart en ik van het leven samen. Genoten we na van de prachtige treinreis van een maand die we gemaakt hadden door Zuid-Oost Europa en maakten we plannen voor nieuwe reizen. En plannen voor een kind.

Twee jaar geleden, mei van het jaar 2013 was alles al groots en meeslepend anders. Aart was ziek geworden en weer bijna beter, ik was ziek geworden en te vroeg bevallen, Lucas was geboren en samen maakten we plannen om met ons gezin te gaan genieten. Eerst maar eens op Terschelling zeiden we tegen elkaar, gewoon genieten van een stukje fietsen. Wijs geworden door alle gebeurtenissen hadden we geleerd om klein te denken. Maar niet klein genoeg bleek een week later toen ik Aart opeens daar zo aantrof aan zijn bureau, al het leven al weggevloeid, mijn Aart al niet meer daar toen ik hem vond.

Het jaar wat daar op volgde was een jaar waar ik me nauwelijks nog wat van herinner. Ik weet nog dat ik intens verdrietig was, ik weet nog dat ik verschrikkelijk moe was. Dat Lucas het enige was dat me er toe kon bewegen om uit bed te komen, hoewel ik me heus soms wel eens omdraaide en de deken over mijn hoofd trok om nog even vijf minuten… Maar ook dat ik er rotsvast van overtuigd was dat het allemaal weer beter zou worden, dat die mist ooit weer op zou trekken en dat ik, ja ik, die oh zo ongelukkig getroffen weduwe, weer gelukkig zou worden. Het moest gewoon, het moest voor Lucas en misschien ook wel voor mezelf.
En het gebeurde, toen het jaar rond was, alle eerste keren zonder Aart geweest, trok de mist steeds verder op. Ik kreeg het gevoel dat mijn toekomst wel weer kleur zou hebben, ingekleurd door Lucas, ja dat leek me wel wat en misschien, ooit in de verre toekomst over een jaar of tien met een nieuwe vent. Want ja, ik had eigenlijk best wel zin om te zoenen.

En toen, toen struikelde ik ineens over een man tijdens een vakantie, om te zoenen, een weduwnaar nog wel. Eentje die me in het afgelopen jaar heel dierbaar werd. En met die liefde trok de mist steeds verder op, kwam de rouw meer in rust en het gat in mijn hart lekte niet meer alleen verdriet, maar ook liefde. Heel veel liefde. Liefde gemengd met druppeltjes verdriet.
Mijn dreumes werd een peuter, de winter maakte weer plaats voor Lente en toen was er ineens dat moment daar. Wij wilden niet meer langer heen en weer pendelen tussen twee steden, steeds maar twee kinderen heen en weer slepen, steeds maar dagen met elkaar missen en onduidelijkheid. Dat was het moment dat we besloten echt samen te willen leven.

En daar op dat punt in mijn leven ben ik nu. Samen met een schat en twee lieve kinderen bouwen wij voorzichtig de staanders voor een nieuw gezin. En dat is nou het gekke…het voelt zo gewoon. Gewoon alsof dit al jaren zo is, alsof dit gezin is zoals het bedoeld was. En daarmee is het soms net alsof onze hele voorgeschiedenis een beetje wordt weggevaagd. Want als ik er niet bij nadenk, dan ben ik gewoon bezig met de was, de bergen en bergen strijkgoed die een relatie met een man die overhemden draagt en een meisje dat jurkjes draagt met zich mee brengt. Dan maak ik me druk over wat we die avond gaan eten en de boodschappen. Dan leef ik gewoon mijn leven alsof het altijd zo is geweest. Zo…raar!

Het is heerlijk, het is heerlijk om weer te kunnen ademen, om rond te fietsen en de bloemen te kunnen zien en er gewoon ongecompliceerd blij van te worden. Maar het is soms ook zó, zó ontzettend raar dat ik nu gewoon rondfiets met een bakfiets met twee kinderen er in. Zo…gewoon.

Kerstboom

IMG_6370

Kerst 2013, ik besluit dat ik een project nodig heb, iets om kerst een andere wending te geven. Geen gemopper omdat ik in mijn eentje een boompje naar huis moet zien te slepen, of omdat ik in mijn eentje alle kerstversiering uit moet pakken. Geen getreur om het alleen versieren van de boom, geen tranen die vallen tegelijk met duizenden prikkende naalden. Ik koop een bosje latten, mep ze in elkaar, schilder er een boom op, timmer er flink wat spijkers in en voilà, klaar is mijn nieuwe boom.
Kerst 2014, inmiddels is mijn leven flink veranderd, ik ben niet meer zo alleen alleen, een nieuwe liefde wacht op mij aan mijn horizon, maar toch moet ik in mijn eentje die boom weer doen, hij woont ietwat ver weg. Ik pak mijn alternatieve kerstboom van het vorige jaar, zet hem op een veilige Lucashoogte en tuig hem op, licht weemoedig laat ik de ballen en andere versierselen die Aart en ik samen hebben uitgezocht door mijn handen gaan en tevreden hang ik ze weer aan de spijkertjes van mijn boom.
Maar ja, mijn leven is veranderd, nu is er een andere vent, een vent met wie ik samen een kerstboom kan opzetten. Zo geschiedde het dat het door mij zorgvuldig vermeden evenement, het opzetten van de kerstboom (dus geen platte lattenboom zoals ik zelf thuis heb) toch plaatsvind. Het in elkaar zetten van de kunstige boom gaat nog wat schamper lacherig, Aart zou echt werkelijk waar nooit zo’n plastic geval hebben willen hebben. Maar ik moet toegeven het is een mooi geval, hij lijkt best echt, hij is alleen ietwat keurig. Als de boom eenmaal staat volgt de ledverlichting ietwat nukkig, stomme ledverlichting, echte kaarsjes, dat is wat ik mis.
Daarna gaan de dozen vol ballen en andere versiering open, de versiering van een ander gezin, liefdevol bij elkaar gespaard door twee mensen waarvan er eentje nu, inmiddels meer dan een jaar, dood is. De ander is nu mijn lief. Net als ik die ander voor hem ben, die ene van twee waarvan het ene lief overleed. Zo is het gewoon.
Ik mopper wat over het stomme lint dat in de boom gehangen wordt, ik laat hier en daar wat ballen liggen die ik eerlijk gezegd zelf liever niet in mijn boom zou willen hebben. Ik kijk nukkig, ik word steeds stiller en stuurser. Stomme kerstboom, stom rotding, stomme rottige kerstballen, stom rottig kerstgevoel. Op de vraag waarom in zo stil ben weet ik nog geen antwoord maar even later komt het: tranen met tuiten. Ik wilde helemaal geen kerstboom versieren, ik wilde niet denken aan al die keren dat Aart en ik dat ding samen gingen optuigen. En de kerstboom opzetten op de sterfdag van mijn liefs andere lief is ook al niet erg bevorderlijk voor het vrolijke gevoel wat er wat mij betreft bij zou moeten horen. Rotkerst.
Het kerstgevoel is wat dat betreft helemaal compleet als we later die dag naar het tuincentrum gaan om een klein kerstboompje voor op haar graf te kopen. Niet dat ik dat zo erg vind, ik zoek er met liefde eentje uit. Maar als ik later even alleen ben tussen de kerstballen zijn ze er weer, die tranen en die herinneringen. Herinneringen aan al die keren dat Aart en ik samen door het tuincentrum draalden, op zoek naar die ene nieuwe kerstversiering voor in de boom. We kwamen ooit thuis met een pauw en twee vogels, met een moderne engel die trompet blaast en ook een keer met een roze op en schotel en een roze theepot aan lintjes die volgens Aart écht een plekje in de kerstboom verdienden. Ik denk aan die traditie en aan kerst 2012, onze laatste kerst samen, in het ziekenhuis, met voor het laatst een echt kerstboompje, piepklein en door mij versierd en meegenomen, staande op het ziekenhuistafeltje. Ik kruip even weg in de armen van mijn nieuwe lief, hij zoent mijn tranen weg.
Ik vierde kerst dit jaar met een hele nieuwe familie, ik vierde kerst met een lief die ook zijn lief miste, juist ook met kerst. Ik voel me rijk, zo veel mensen om me heen, nieuwe lieve mensen, een nieuwe liefde. Maar ergens op de achtergrond voel ik me met kerst ook gewoon schraal en eenzaam, verdrietig en leeg. Kerst is niet meer zoals kerst vroeger was, warm en onschuldig.
Gelukkig is er nu tijd en ruimte voor nieuwe tradities, we kochten samen met de kinderen versiering voor in de boom, ieder eentje. Volgend jaar doen we dat weer, net zo lang tot de boom kleurrijk uit zijn voegen barst. We maken samen nieuwe herinneringen, de oude niet verloochenend maar koesterend bij het nieuw geluk. Want wat hebben we een geluk dat we gewoon twee keer de liefde mogen vinden en twee keer gelukkig mogen zijn.

Nu is het de hoogste tijd om de kerstboom weer op te ruimen. Onder luid gemopper uiteraard want niets vind ik vervelender dan dat. Dag boom, dag kerst, tot volgend jaar, op naar vele mooie nieuwe herinneringen.

Plekje

Er is een plekje in mijn hart, een plekje waar hij rust. Uitrust van alle drukte in zijn leven, van al die moeilijke dingen, de verantwoordelijkheden, de zorgen, het harde werken. Uitrust van vechten tegen een lijf wat niet meer mee wil, wat niet meer meewerken wil. Uitrust van al het aardse gedoe wat het leven met zich meebrengt. Je weet wel, rekeningen betalen, afspraken maken, stofzuigen, naar de tandarts of de dokter moeten of de plee schrobben. Van die dingen waar je helemaal geen zin in hebt, nooit, maar die toch moeten omdat het aardse bestaan dit nu eenmaal van je vergt. Van die dingen die je dan maar doet, omdat het moet, zuchtend. Aart was erg goed in zuchten. Meester der zuchters mag ik denk ik wel zeggen. Hij zuchtte zich de dag door want ja, zo’n aards bestaan is zwaar. Liever had hij geen last gehad van al dat aardse gewicht en zich zonder dat in verhevener zaken gestort. Schrijven bijvoorbeeld, en zou pupkes schilderen er ook onder vallen?
Maar nu hoeft hij niet meer te zuchten, dat gewicht is er niet meer, hij hoeft goddank nooit meer de plee te schrobben en ik hoef gelukkig niet meer naar het geïrriteerde gezucht te luisteren. Het hoeft niet meer want hij rust in mijn hart. Leunt soms iets te hard, laat me soms niet los en houd me soms juist heel fijn vast maar rust heeft hij in ieder geval, denk ik. Hoop ik.

Maar in dat hoofd van mij, daar rust hij helemaal niet. Hij leunt niet tegen de donkere spelonken van mijn hersenkronkels en hij houd zich ook niet koest. Daar, over die onnavolgbare paden van iets dat mijn hersenen heet wandelt hij regelmatig langs door mijn gedachten. Vaak is het fijn, mooie gedachten en ik houd niet zo van rust. Maar soms, soms denk ik dat het best wel iets rustiger mag. Bijvoorbeeld als ik denk aan die grijze stoffige massa deeltjes die ergens in een kelder van het crematorium in een blik gepropt zit, of nee, inmiddels in een plastic urn. Dat kleine beetje gewicht wat er nog van mijn man over is hangt ergens rond in mijn gedachten en laat me niet met rust. Strooien of juist niet, bewaren of juist niet. Het liefst had ik alle piekergedachten over deze aardse (of Aartse zo u wilt) zaken begraven, maar ja, ik heb nu eenmaal voor een ander soort lichamelijke verwerking gekozen. Duidelijk in elk geval, er moest iets mee, iets zinnigs, iets aards en iets Aarts wat de gelederen daar binnen weer in het gareel zou krijgen. Iets wat maakt dat ik er niet meer over na hoef te denken omdat er gewoon iets ís, iets wat zo is en daarmee uit, niks geen gepieker en gepeins, gewoon een feitelijke waarheid.

Feitelijke waarheid is dat er as is, een flinke bus vol en daar kan ik niet omheen. Hoe hard ik ook probeerde afscheid te nemen van het overblijfsel van mijn man, hoe hard ik ook naar hem zwaaide in de hoop dat slechts de herinneringen zouden overlijven, hij bleef hardnekkig en eigenwijs zoals ik hem ken toch ook lichamelijk aanwezig. Die as, die as is ook van hem, het laatste stukje tastbaar Aart wat er nog is. En hoewel ik gelijk riep dat ik hem uit wilde strooien over zee en ik ook niet uitsluit dat zijn uiteindelijke lot ook word, als een zeemansgraf voor de zeiler die hij was, vroegen mijn hoofd en mijn hart nu om iets anders. Een plekje, een plekje voor hem en een plekje voor mij, voor Lucas. Iets om naar toe te gaan, om te laten zien, iets om over te vertellen. Iets om het tastbaar te maken voor dat kleine jongetje wat nooit eigen herinneringen aan zijn vader zal hebben, iets om het werkelijker te laten zijn voor hem en voor misschien ook wel voor mij.

Dat plekje heb ik nu gevonden, een tijdelijk plekje, tenminste, dat kan het zijn, maar wel een tijdelijk plekje wat ook blijvend kan zijn als ik dat wil. Flexibel, daar houd ik van.
Vandaag togen de mevrouw in de lange donkere jas en ik, met Lucas tussen ons in, die ons beiden een handje gaf alsof hij ons wilde verbinden, met een plastic bordje naar de plek. Een plek tussen al die doden, de lichamen en de bussen met as, maar ook een plek in een bos, met paddenstoelen en struiken, met boomstronken en bladeren, een rustige plek, een plek om even te zijn, om even stil te staan, om na te denken. Een plek om verdrietig en gelukkig te zijn, een plek die onderdeel wordt van ons leven. Een plekje in de urnentuin, vandaag gemarkeerd met een klein wit paaltje, binnenkort komt er een paaltje bij met zijn nummer. Want ja, zelfs in de dood ben je voor de systemen nog steeds maar slechts een nummer. En daar zet ik dan Aart bij, bij dat nummer, Aart in een potje met een nummer en een stoeltje of een kruk. Om even uit te rusten van al dat gewandel in mijn hoofd, om even stil te staan bij Aartse zaken. Of gewoon voor Lucas, om even op zijn vaders schoot te zitten, soort van dan. Om hem te kunnen horen zeggen: “ik zit op papa”. Ja, het wordt vast een heel mooi plekje.

IMG_6211.JPG

IMG_6210.JPG

Nietmeertrouwdag #2

Ik zit aan een eettafel, niet mijn eigen eettafel thuis. Ik luister door de babyfoon naar Lucas die in zijn campingbedje ligt te kletsen.
Ik ben niet in mijn eigen huis, maar in het huis van mijn leuke nieuwe man, zo man waar je s’ avonds tegen kan wegkruipen in bed, lekker warm. Dat lukt je met een dooie man niet, dus het is op zich een hele verbetering.

Gisteren zei hij, morgen is trouwdag. Ik vroeg: “wiens trouwdag”, het bleef even stil…”oh ja de mijne” zei ik. Vanmorgen vroeg hij voor hij naar zijn werk ging wat ik allemaal ging doen. Ik had het over boodschappen en foto’s inplakken, over met Lucas spelen en sokken kopen.
Pas toen hij al ruim een uur weg was bedacht ik het me weer, oh ja, onze trouwdag. Of eigenlijk zijn we niet meer getrouwd en kan ik niet vieren dat het vandaag 6 jaar zou zijn. Ik heb mijn huwelijk afgemaakt, keurig netjes afgerond. Tot de dood ons scheidt, precies zo ging het.

En die trouwdag verloopt nu al niet veel anders dan al die getrouwde jaren hiervoor. Ons éénjarig huwelijk was ik niet in Nederland maar in Vilnius, Litouwen. We hebben even gebeld en dat was het dan. Ons tweejarig huwelijk zijn we volgens mij vergeten, ons driejarig huwelijk ging bijna voorbij zonder dat we er aan dachten, tot ik om 17 uur honger begon te krijgen, bedacht dat ik eigenlijk gewoon uit eten wilde maar geen goede reden kon verzinnen en inééns realiseerde ik me dat het onze trouwdag was en dat die reden er wel was. “We gaan uit eten!” zei ik terwijl ik boven op Aarts werkkamer rond zijn stoel hupste. Hij keek bedenkelijk, veel liever bleef hij in zijn onderbroek achter de computer zitten. Maar nee, een trouwdag vergt aankleden en uit eten gaan. En zo geschiedde.
Ons vierjarig huwelijk verliep eigenlijk niet veel anders, ergens op de dag zelf ontdekte ik, wie anders, dat het vandaag die dag was. Ik zag weer een goede reden voor een feestje, dus gingen we uit eten. Sushi zal het wel geweest zijn want daar waren we allebei verzot op. Ik nog steeds, mijn goede smaak is door de dood niet aangetast.

Ons 5 jarig huwelijk hebben we niet meer gehaald, vlak na ons 4-jarig huwelijk werd Aart ziek. 4,5 kan ik nog op mijn conto schrijven, maar geen eerste lustrum. Misschien in een herkansing?

Vandaag is gewoon een dag als al die andere, onze trouwdag die we niet meer vieren. Vanavond ga ik niet uit eten maar eet ik pompoensoep. Bij de moeder van de overleden vrouw van mijn nieuwe lief. Om het even ingewikkeld te maken. Of is het gewoon zo simpel als het is? Lekker, pompoensoep!

Vernietmeerjaardag #2

Wendel + Lucas + UrnVrijdag was het alweer zo ver, Aarts tweede vernietmeerjaardag. De tweede keer dat hij niet meer jarig was, de tweede keer dat hij het niet níet kon vieren, de tweede keer dat ik moest bedenken wat ik eigenlijk op die dag wilde doen, de tweede keer dat ik dat eigenlijk niet wist. Het was wél de eerste keer dat ik al wist wat er komen ging, een doodnormale dag, bijna als alle anderen, niets om je van te voren erg druk om te maken, niet substantieel in elk geval. Dus keek ik er weliswaar niet reikhalzend naar uit maar zag ik er ook niet als een berg tegenop zoals vorig jaar.
Die verjaardag is sowieso een gek ding, Aart was bepaald geen fan van jarig zijn dus echt vieren wilde hij het eigenlijk nooit. Sterker nog, hij hoopte altijd dat zo veel mogelijk mensen het zouden vergeten zodat zijn inmiddels middelbare leeftijdsstatus niet extra benadrukt zou worden.
Overigens deed ik daar niet aan mee, verjaren moet gevierd worden! Ik hing slingers op, kocht cadeautjes en taart, zong verjaardagsliedjes voor hem en ik feliciteerde hem uitbundig. Zonde toch om een reden voor cadeautjes en feest zo maar aan je voor bij te laten gaan.
Ook heb ik een keer stiekem een feestje voor hem georganiseerd. Ik kan me niet eens meer precies herinneren hoe oud hij toen werd, dat gedoe met die cijfertjes ben ik nooit erg goed in geweest (ik heb zelfs met een rekenmachientje uit zitten rekenen hoe oud hij nu zou zijn geworden en hoe oud hij was toen hij overleed). Zoals gewoonlijk zat hij lekker op zolder te werken. Ik had hem gezegd dat ik een verrassingsfeestmaal voor hem ging koken dus dat hij op een gegeven moment niet meer naar beneden mocht. De gasten, ik meen een stuk of 6, kwamen vervolgens zonder aan te bellen een voor een zachtjes binnen geslopen. Op een gegeven moment riep ik naar boven dat het eten klaar was en of hij wilde komen. Om te voorkomen dat hij in een boxershort en een hemd naar beneden zou komen had ik wel gezegd dat ik hem bij een feestmaal natuurlijk wel aangekleed aan tafel verwachtte. Hij kwam naar beneden, al duurde dat even want dat aankleden moest nog gebeuren en ik weet niet meer precies waar in huis, maar ergens daar beneden bezorgden we hem een hartverzakking (gelukkig wisten we nog niks van al die latere hartproblemen) door ineens met een grote groep tevoorschijn te duiken. Bíjna draaide hij op zijn hakken weer om om weg te rennen, niet omdat hij het niet leuk vond, maar omdat hij zich schaamde voor zijn tamelijk afzichtelijke sandalen die hij nooit en te nimmer aan had getrokken als hij had geweten dat er gasten waren.
Geen idee meer overigens wat ik gekookt had, maar ik kan me nog wel herinneren dat ik er enorm lang mee bezig was en dat ik de boodschappen her en der had moeten verstoppen omdat hij anders door de hoeveelheden zo wel had kunnen raden dat er iets op handen was. Het werd een zeer geslaagde avond waarbij we genoten van het gezelschap en het eten.

Deze keer werd de 10 oktober een heel andere dag. Geen Aart meer om het mee te vieren maar misschien toch wel een reden voor een klein feestje? Ik besloot, met een andere man aan mijn zijde, het crematorium te vereren met een ‘ver(r)assingsbezoekje, of nou ja, dat ‘verassen’ was natuurlijk al weer even geleden gebeurd, maar dat bezoek nog niet. Het crematorium, de begraafplaats en alles er omheen, ik was er nog nooit geweest. Al die tijd stond Aarts as daar in een een asbus te verstoffen in een hoekje van de zogenaamde ‘algemene nis’, iets waar ik me een soort donkere steriele kelder met roestvrij staal en stellingkasten bij voorstel. Niet echt een plekje voor Aart, hij was tenslotte verre van algemeen, maar hij was dood, niet meer dan een hoopje stof in een blikkie, niet echt een staat van zijn waarin je nog protest kunt maken dus liet ik het zo.
Met een andere man aan mijn zijde, wat een vreemde situatie had kunnen zijn maar het niet was omdat het zo prettig voelde om gesteund te worden door iemand die ik lief heb, toog ik dus afgelopen vrijdag naar het crematorium om, in een ‘spreekkamer’ na een kopje thee gedronken te hebben, naar een plastic urn met metalen deksel te staren met daarin de as van Aart. Tja, was ik daar nou zo bang voor geweest al die tijd? Er was helemaal niets aan te zien, gewoon een stemming zwart geval van plastic met wat officiële tekenen van dat het mijn man daadwerkelijk geweest is. Zijn naam stond er op en zijn crematienummer. Ja die eer hebben alleen de gecremeerden, een speciaal nummer voor hun alleen, uniek in hun soort, veel minder algemeen gebruikelijk dan bijvoorbeeld een sofienummer.
Na deze ‘ontmoeting’ bracht de mevrouw van de urn ons in haar mooie blauwe begrafenisuniformjas in een golfkar naar het andere eind van het terrein om te kijken naar de plaatsen waar ik Aarts as eventueel al dan niet tijdelijk zou kunnen neerplanten. Ik begaf mij in de wereld van de strooiveldjes (die ik overigens niet gezien heb), urnenmuren, een urnenheuvel en een urnentuin. Van het woord urn alleen al word ik niet vrolijk maar eerlijk is eerlijk, het viel me alleszins mee. Het is eigenlijk helemaal geen nare plek om te zijn, omgeven door dood, doden en daar dan weer de nabestaanden van. Het was eigenlijk een hele mooie serene plek. Slenterend liep ik met die andere man aan mijn zijde en twee kinderen in ons kielzog langs al die plekken en kwam tot de conclusie dat het, voorlopig in ieder geval, helemaal zo gek nog niet zou zijn om daar ergens een wat mooier plekje voor de as van Aart te zoeken. Ik wil immers niet in Aarts voetsporen treden en wachten tot het crematorium na de zoveelste aanmaning om te betalen voor de algemene nis, waarin de as van zijn vader stond opgeborgen, voorstelt om de as op zo’n veld te mikken om er maar vanaf te zijn. Iets wat ze overigens gewoon jaren eerder hadden moeten voorstellen want dat had een hoop geld gescheeld. Niet omdat hij niet van zijn vader hield, maar gewoon omdat die as hem niets meer zei dan dat het een confrontatie met de dood was.

Na dit bezoek togen wij richting de stad voor een lunch en taart. Tenslotte kun je niet genoeg redenen hebben om iets te vieren. De geboortedag van Aart vieren is een goede reden. Zonder geboorte was er geen Aart geweest in mijn leven en hoe moeilijk het ook soms was met hem en hoe pijnlijk het nu ook is om hem te moeten missen, om te leven in de wetenschap dat hij Lucas niet zal zien opgroeien en Lucas nooit zijn vader echt zal kunnen leren kennen. Het was het allemaal waard. Proost!

Niet meer van vandaag

Een fikse wind waait door mijn leven, blaadjes vliegen om mijn oren en regendruppels ook. Verfrissend en soms doodeng worden mijn straatjes schoongeveegd en weer bevuild door deze nietsontziende storm. Er banjerde een leuke man door mijn hart, schudde de kussens eens flink op en mijn hoofd flink door elkaar. Wat is flink eigenlijk een raar woord, ik voel me soms helemaal niet zo flink, als ik wegduik voor die storm. Nu even niet! Denk ik dan. Maar hij banjert daar nog steeds.
Net zo als het stormt is de wind door mijn haar vefrissend, mijn leven opgeschud en stil blijven staan is geen optie meer. Meegevoerd wordt ik, soms tegen wil en dank maar vaak, vaak gillend van plezier. Wiehoooo ik leef! Om vervolgens om te slaan in een help ik lééf! Best eng soms dat leven.
Ik breng dozen met boeken weg, verbouw de tuin, spreek met verloren gewaande zonen, werk aan een herinneringskist, praat met een edelsmid over een sierraad, ruim op, maak schoon en denk na, heel veel na. Ik voel en beweeg, het voelt wat roestig, soms maak ik rare sprongen en soms doet mijn hart dat ook.
Ik maak voorzichtige wiebelige bambipasjes op een weg die de naam toekomst heeft, soms probeer ik te blijven staan, terug te kijken maar mijn hoofd dat roept: “vooruit, vooruit!”. Koest hoofd denk ik soms, je maakt mij in de war.
Vandaag was ik bij ik bij een edelsmid om te praten over een sierraad gemaakt van onze trouwringen. Ideeën vlogen over en weer over de tafel, mijn basisidee bleef. Het was een goed gesprek. Toch voelde ik mij alleen en beklemd daar aan die tafel. Zo’n grote stap, op mijn wiebelige bambibenen, zomaar alleen. Het voelt als een enorme beslissing ineens. Ik ben toe aan die beslissing, maar het is gek om te beslissen over iets wat van ons samen was, terwijl ondertussen stiekem óók nog die andere man daar rondbanjert in mijn hart. Koest, ga eens op jullie plek, laat míj! Ik doe mijn ring af, dat heb ik thuis geoefend. Ik laat hem (of zou mijn ring dan een haar zijn) bij de edelsmid, ze zal onze ringen goed bewaren, in de kluis. Voor het eerst in bijna zes jaar ben ik ringloos en meer dan ooit voel ik ‘m zitten. Dag trouwring, nu ben ik écht niet mee getrouwd. Niet meer verbonden met onzichtbaar touw, vrij van tot de dood ons scheid, vrij van in voor en tegenspoed, het is niet meer, die tijd is voorbij, klaar. Maar ik mis toch die ring, die ring die daar bijna zes jaar was. Eerst als een bevestiging van ons maffe sprookje, toen als een herinnering aan wat wij samen waren en daarna als een herinnering aan wat wij samen hadden. Nu worden onze ringen samen een symbool voor ons gezin, voor wat we waren met zijn drieën, voor waar we samen zo gelukkig mee waren in die laatste weken, ik, jij en onze Lucas. Mijn ring is niet meer aan mijn hand, mijn hand is niet meer van jou Aart. De ring wordt een herinnering net als al die andere mooie dingen die we samen hadden. Gekoesterd in een klein kluisje bij mijn hart, gekoesterd maar niet meer van vandaag.