Vernietmeerjaardag #3

Ik zit aan tafel achter mijn laptop, naast me op de grond speelt Lucas, 2,5 jaar is hij alweer en hij kletst honderduit. “lopen, lopen, lopen” hoor ik hem zeggen terwijl hij met een duplopoppetje over zijn net gebouwde toren wandelt.
Ondertussen dwaal ik in gedachten even weg naar Aart. Vandaag is de derde verjaardag die hij niet meer viert. Hij zou verheugd zijn geweest dat hij dat niet meer hoefde te vieren want dat ouder worden vond hij vreselijk. En hij zou best oud geworden zijn nu als hij nog geleefd had. Ouder dan hem lief was eigenlijk. Wat dat betreft zou je kunnen stellen dat het misschien wel beter is zo. Maar ja wat is beter, want was het niet ook beter geweest als hij er gewoon was geweest om die leuke voorleespapa voor Lucas te zijn?

Het is ook Lucas die me regelmatig doet beseffen dat Aart er niet meer is. Dan kijk ik in twee ondeugende ogen, die best wel lijken op die van zijn vader en dan besef ik dat hij zijn vader niet kent. Dat hij niet weet wie Aart was of wat Aart was. Hij kan nu naar de foto’s van Aart wijzen en zeggen: kijk papa Aaarrrrt, de r onhandig uitgesproken met een aardappel onder zijn tong. En soms vertel ik er dan bij dat papa Aart dood is, dan kijkt hij me serieus aan en zegt: ‘Ja papa Aart dood he’ om vervolgens vrolijk over te gaan op de orde van de dag. Gelukkig ook maar, hij is vrij en onbezorgd. Hij draagt niet de last van het verlies, hij kent het niet.
Dus draag ik zijn verlies bij het mijne in mijn hart, voel ik verdriet om wat er nooit geweest is, wat Lucas niet heeft verloren. Maar wat er wel geweest had kúnnen zijn en wat zo mooi had kunnen zijn. Papa Aart zou voorlezen en diepzinnige gesprekken voeren met ‘zijn zoon’, die alles na zou praten, de woorden proevend in zijn mond. Hij zou trots zijn en zeggen dat hij geweldig was, net zoals hij altijd trots was op zijn andere zoons. Hij zou over hem opscheppen en met hem knuffelen. Hij zou hem het woord onbetamelijk hebben geleerd. Hij zou hem verteld hebben dat hij van hem houdt elke keer opnieuw.

Het is ook gek om zo te denken, want het is er niet, het is er nooit geweest. Voor Lucas niet, voor Lucas bestaat de tijd uit gisteren en uit vandaag. Slechts gevoelens zijn de wazige herinneringen over vroeger. Dat er van hem gehouden is, altijd, dat zit in zijn bestaan.
Lucas zegt nu ‘papa’ tegen iemand anders, tegen mijn lief die ook echt zijn papa is. Die voor Lucas zorgt, hem troost als hij verdrietig is, knuffelt als hij naar bed gaat, poepluiers verschoont en zijn kleren wast. Die hem zelfs voorleest, elke dag weer, als een echte voorleespapa. Wel een beetje een dyslectische, soms produceert hij vreemde woorden, maar hij vindt het net zo belangrijk.

Ondertussen stapelt Lucas de duploblokjes steeds hoger terwijl hij zegt: ‘plakken, plakken, nog meer plakken’, hij praat honderduit. Hij pakt een auto en zegt: “de auto gaat even over meenemen, hij gaat helpen, er is puur (vuur), kijk eens, klik klak, klik klak, oh pallen (vallen)”. En ware spraakwaterval. En dan pakt hij een poppetje en zegt: “kijk papa, ga maar even zitten papa” en daarna pakt hij een ander poppetje en zegt: “kijk en dat is mama, mama ook zitten”.

Zijn leven is mooi, zijn leven is gewoon zoals het is, met een papa en een mama en een zusje waar hij gek op is. En er is ook een dooie papa en de mama van zijn zusje is ook dood. Zo is het gewoon, niks verdrietigs aan. Voor hem dan.

Gefeliciteerd Aart met je 3e vernietmeerjaardag. Ik ben alweer vergeten hoe oud je nu zou zijn geweest. Dat zou je wel deugd doen denk ik. We beginnen maar gewoon opnieuw met tellen, je sterven is nog zo jong. En het voordeel van vernietmeerjaardagen, wat niet is kun je eindeloos blijven tellen.

Advertenties

Déjà vu

Daar zit ik dan, in het holst van de nacht. Ik kan niet slapen, zoals ik afgelopen jaren wel vaker halve nachten gewoon niet kon slapen. Gewoon omdat er veel te veel gebeurde in mijn woelige leven. Schrijven het beste medicijn tegen niet slapen. Daar zit ik dan…

Vandaag, of nee, gisteren natuurlijk want we zijn middernacht al lang voorbij, gisteren was het Aarts tweede sterfdag. Waarschijnlijk had ik bedacht dat het dit jaar niets voor zou stellen die dag, dat het maar gewoon een datum was als al die anderen en dat ik nu ik zo veel geluk heb gevonden ook die dag wel fluitend door zou fietsen. Niet dat ik tegenwoordig ineens alles fluitend doorfiets, maar meestal ben ik dat een paar dagen later alweer vergeten. Ik plande de dag vol met afspraken en klussen in mijn oude huis, ons oude huis.
De afgelopen week fietste ik al minder fluitend, ik voelde me donkerder worden van binnen, het verdriet sloop stiekem naar binnen. En gisterenavond, oh nee, eergisterenavond, de avond voor de dag dus zeg maar, brak ineens mijn voorraadpot met tranen en liep in één keer leeg.

Twee armen waren daar om mij te ondersteunen, ze sleepten me naar de kamer van Lucas waar ik stilletjes even keek, over zijn wang streelde en toen mijn snikken onderdrukkend weer naar buiten rende. Zoveel onwetendheid en onschuld, slapen zonder zorgen. Mijn lieve kind, ik hoop dat je nog lang onbezorgd zult slapen. Dat je straks weet dat jouw papa dood is, maar dat je gewoon toch gelukkig bent. Gelukkig met die nieuwe armen die ik voor mezelf en voor jou gevonden heb. Iemand die de naam papa ook verdiend en omdat jij dat ook verdiend.

Bij het wakker worden op die tweede sterfdag besefte ik me dat het inderdaad een dag was als alle anderen, maar wel een verdrietige dag. Ik voelde die brok in mijn keel nog zachtjes knijpen en duwen, de tranen in mijn ogen klaar om bij te springen indien nodig. Maar ook met de al geplengde tranen als verzachting van het feit dat ik vandaag gewoon hard aan de bak moest, alsof er niet aan de hand is vandaag. Dus dat deed ik.

Ik reed door de file naar Amersfoort en ging aan de slag.

Tot een uur of halfelf, ik weet het niet meer precies, de klok was op dat moment mijn laatste zorg. Ik was al gebeld door de keukenman over de planning en op het scherm stond de naam van mijn nieuwe lieve armen. Vrolijk nam ik op, maar hij was het niet zelf, het was een collega.

Ik wist het gelijk, hier is iets niet goed. Stop, ik wil dit niet. Maar ze vertelde me dat hij onwel was geworden tijdens een vergadering, gewoon weggezakt, dat het even geduurd had en dat ze 112 gebeld hadden. Nee niet 112! Geen ambulance alsjeblieft was mijn gedachte. Ik wilde in Amersfoort blijven, veel praktischer en logisch ook toch? Ik bedoel, straks hoefde hij helemaal niet mee, of bleek er gewoon een boertje dwars te zitten of zo. Ik heb echter natuurlijk gelukkig ook nog verstand en gevoel, dus ik ging. Op weg naar mijn lief om hem te steunen. Hoe bang ik stiekem ook was om straks te horen: “ja het is zijn hart, het is helemaal niet goed”. NEE, NEE, NEE!

Goddank het was niet zijn hart, het was ook geen andere direct levensbedreigende aandoening. Maar er is wel iets mis gegaan in zijn hoofd, een insult. Nu volgen verdere onderzoeken, maar de neuroloog maakt zich niet direct grote zorgen. Ik wel natuurlijk, stiekem. Want stel nou dat…stel nou dat ze straks zeggen: “het is niet goed mevrouw, het leek niet zo erg maar dat is het wel”.

NOU DAN ZAL IK ERVOOR GAAN OOK. Mij krijgen ze er heus niet onder met een paar ambulances, hartfilmpjes, MRI’s en onderzoeken meer of minder. Maar ik schrik me wel het apenzuur en ik wens echt écht met heel mijn hart dat ik dit nooit meer mee hoef te maken.

Dus laten we nu dan wel even afspreken dat er over een paar weken geen vervelende dingen uit de onderzoeken komen, dat het gewoon klaar is na het ultimatum van drie maanden niet mogen rijden, niet alleen mogen badderen en dat soort ongein. Gewoon klaar ja!

Liefde gemengd met druppeltjes verdriet

Ik zit in de auto en rijd van mijn huis naar mijn huis. Of nou ja rijdt, ik zou lopend waarschijnlijk sneller zijn want ik sta weer eens hopeloos in de file. Een mooi moment om mijn gedachten de vrije loop te laten. Ik mijmer over waar ik nu sta in mijn leven. In de file ja. Maar ook op een punt waar ik twee jaar geleden nooit van had kunnen denken dat ik daar zou zijn, wat ik drie jaar geleden nooit van mijn levensdagen had kunnen bedenken. Mijn leven is vierdubbel over de kop gegaan in de achtbaan en nu is het ineens weer soort van normaal, voor zover leven met mij überhaupt ooit normaal wordt. Drie jaar geleden was ik nog niet zwanger van Lucas, genoten Aart en ik van het leven samen. Genoten we na van de prachtige treinreis van een maand die we gemaakt hadden door Zuid-Oost Europa en maakten we plannen voor nieuwe reizen. En plannen voor een kind.

Twee jaar geleden, mei van het jaar 2013 was alles al groots en meeslepend anders. Aart was ziek geworden en weer bijna beter, ik was ziek geworden en te vroeg bevallen, Lucas was geboren en samen maakten we plannen om met ons gezin te gaan genieten. Eerst maar eens op Terschelling zeiden we tegen elkaar, gewoon genieten van een stukje fietsen. Wijs geworden door alle gebeurtenissen hadden we geleerd om klein te denken. Maar niet klein genoeg bleek een week later toen ik Aart opeens daar zo aantrof aan zijn bureau, al het leven al weggevloeid, mijn Aart al niet meer daar toen ik hem vond.

Het jaar wat daar op volgde was een jaar waar ik me nauwelijks nog wat van herinner. Ik weet nog dat ik intens verdrietig was, ik weet nog dat ik verschrikkelijk moe was. Dat Lucas het enige was dat me er toe kon bewegen om uit bed te komen, hoewel ik me heus soms wel eens omdraaide en de deken over mijn hoofd trok om nog even vijf minuten… Maar ook dat ik er rotsvast van overtuigd was dat het allemaal weer beter zou worden, dat die mist ooit weer op zou trekken en dat ik, ja ik, die oh zo ongelukkig getroffen weduwe, weer gelukkig zou worden. Het moest gewoon, het moest voor Lucas en misschien ook wel voor mezelf.
En het gebeurde, toen het jaar rond was, alle eerste keren zonder Aart geweest, trok de mist steeds verder op. Ik kreeg het gevoel dat mijn toekomst wel weer kleur zou hebben, ingekleurd door Lucas, ja dat leek me wel wat en misschien, ooit in de verre toekomst over een jaar of tien met een nieuwe vent. Want ja, ik had eigenlijk best wel zin om te zoenen.

En toen, toen struikelde ik ineens over een man tijdens een vakantie, om te zoenen, een weduwnaar nog wel. Eentje die me in het afgelopen jaar heel dierbaar werd. En met die liefde trok de mist steeds verder op, kwam de rouw meer in rust en het gat in mijn hart lekte niet meer alleen verdriet, maar ook liefde. Heel veel liefde. Liefde gemengd met druppeltjes verdriet.
Mijn dreumes werd een peuter, de winter maakte weer plaats voor Lente en toen was er ineens dat moment daar. Wij wilden niet meer langer heen en weer pendelen tussen twee steden, steeds maar twee kinderen heen en weer slepen, steeds maar dagen met elkaar missen en onduidelijkheid. Dat was het moment dat we besloten echt samen te willen leven.

En daar op dat punt in mijn leven ben ik nu. Samen met een schat en twee lieve kinderen bouwen wij voorzichtig de staanders voor een nieuw gezin. En dat is nou het gekke…het voelt zo gewoon. Gewoon alsof dit al jaren zo is, alsof dit gezin is zoals het bedoeld was. En daarmee is het soms net alsof onze hele voorgeschiedenis een beetje wordt weggevaagd. Want als ik er niet bij nadenk, dan ben ik gewoon bezig met de was, de bergen en bergen strijkgoed die een relatie met een man die overhemden draagt en een meisje dat jurkjes draagt met zich mee brengt. Dan maak ik me druk over wat we die avond gaan eten en de boodschappen. Dan leef ik gewoon mijn leven alsof het altijd zo is geweest. Zo…raar!

Het is heerlijk, het is heerlijk om weer te kunnen ademen, om rond te fietsen en de bloemen te kunnen zien en er gewoon ongecompliceerd blij van te worden. Maar het is soms ook zó, zó ontzettend raar dat ik nu gewoon rondfiets met een bakfiets met twee kinderen er in. Zo…gewoon.

Verstoffen

Lieve Aart,

Het is alweer een hele tijd geleden dat ik hier schreef. Het is niet dat ik niet meer aan je denk hoor, je komt eigenlijk dagelijks wel voorbij, maar de urgentie is van mijn gedachten af, je dooie jij begint langzamerhand net zo veel bij mijn leven te horen als je levende jij dat deed. En het vervelende van dood is dat er niets nieuws meer bij komt, dus verzand het in de tijd en liggen de herinneringen aan jou soms een beetje te verstoffen. Want ik heb het momenteel heel druk met leven, zo druk dat ik soms geen tijd heb om je te vertellen wat ik je had willen vertellen. Alsof je een goede vriend bent die aan de zijlijn staat en meekijkt naar mijn leven. Alsof ik doormiddel van dit schrijven toch een beetje met je kan praten. Met de jou die in mijn gedachten leeft, stoffig maar niet weggestopt. Nee dat niet hoor.

Als ik met je kon praten zou ik je vertellen dat Lucas, onze zoon, alweer twee is. Dat hij de eigenwijsheid van zijn vader heeft en de ondernemendheid van zijn moeder, dat hij praat als Brugman, hoewel ik die nooit heb gekend en dat hij genoot van alle cadeautjes op zijn verjaardag. Dan zou ik je vertellen dat hij tegenwoordig zelf zijn tandpasta op zijn tandenborstel wil doen en dat hij een mening heeft over welke schoenen hij aan wil. Dan zou ik je aan het lachen maken door te vertellen dat hij graag danst met een dansrok aan en dat hij het lopen op rode glitterhakjes niet schuwt, maar dat hij ook vroemmm vroeemmmm doet met de auto’s en de planten ‘drinken’ geeft terwijl hij het geluid van lopend water probeert na te doen. Dan zou ik je vertellen hoe trots ik op hem ben omdat hij zo goed praat, omdat hij torens kan bouwen van wel vijf blokjes terwijl hij er maar drie hoeft en omdat hij alles onderzoekt. Ik zou je vertellen dat ik denk dat hij linkshandig is net als je middelste zoon en we zouden samen opscheppen naar elkaar hoe knap hij wel niet is.

Ik zou je vertellen dat ik pas nog op vakantie ben geweest met mijn nieuwe lief, zonder jou. En dat dat gek was, dat jij daar niet was, dat we niet samen deden wat we altijd deden op vakantie, zo vanzelfsprekend. Wat een vreemde gedachte is want zelfs als jij er wel was geweest hadden we niet kunnen doen wat we normaal deden omdat er nu een kind is. Maar dat was het grootste deel van ons leven samen niet het geval. In mijn herinneringen ben je nauwelijks papa, die kans heb je ook niet gehad, maar in die tien weken was je wel de papa die ik had gewenst voor mijn zoon, zo trots en liefdevol. Dus had ik  vakantie met mijn nieuwe lief en twee kinderen zoals wij dat ooit van plan waren te gaan doen, maar nooit hebben gedaan. ‘T was een heerlijke vakantie.

Ik zou je vertellen dat de zon weer straalt in mijn leven, dat ik gelukkig aan het worden ben. Dat ik nog steeds verdrietig ben, zo af en toe als het me ineens naar de keel grijpt, maar dat ik naar de toekomst kijk met een glimlach op mijn gezicht. En dat het raar is dat aan jou te vertellen, jij die altijd mijn grote liefde was. Dat ik nu dus gelukkig ben zonder jou. Maar dat het ook fijn zou zijn als ik je dat kon vertellen, dat ik kon zeggen: kijk Aart, ik ben echt die sterkte vrouw die jij zag in het ziekenhuis en daarna, waarvan jij de tranen droogde toen ik huilend zei dat ik zo bang was je kwijt te raken en waartegen je zei: ‘je bent een goede moeder en een sterke vrouw, ook zonder mij ga jij het redden.’ Kijk Aart, je had gelijk, het is gelukt, bijna twee jaar later en ik sta nog steeds had ik je willen zeggen.

En ik zou je willen vertellen over mijn nieuwe lief, dat hij zo zorgzaam is en dat hij zo’n leuke nieuwe papa is voor Lucas, papa de tweede hoor, no worries. Maar wel een hele goeie lieve papa, ik weet zeker dat jij niet beter gewenst zou hebben voor mij en voor je zoon. Als je op een wolkje zou zitten en naar beneden zou kijken zou je tevreden knikken en zeggen: ‘ik zei toch al dat jij een vent van je eigen leeftijd moest zoeken?’, want dat zei je echt.

En ik zou je vertellen dat Lucas je ‘papa Aardbei’ noemt en dan steeds lachend ‘nee togggg’ er achteraan roept, je zou heel hard lachen en trots zijn, heel trots omdat je zoon van twee een woordgrapje maakt. ‘Aartje naar zijn vaartje’ zou je denk ik zeggen en nog harder lachen. Ja we zouden lachen samen. Hoewel je eigenlijk niet zo van grappen over je naam hield.

Jammer dat ik moet doen alsof. Dat ik een brief schrijf aan het luchtledige, een brief aan mijn bestaan zonder jou.  Stoffig is niet vergeten Aart maar je kent mijn huishoudvaardigheden, het is wel behoorlijk stoffig.

Liefs,

Wendel

Kerstboom

IMG_6370

Kerst 2013, ik besluit dat ik een project nodig heb, iets om kerst een andere wending te geven. Geen gemopper omdat ik in mijn eentje een boompje naar huis moet zien te slepen, of omdat ik in mijn eentje alle kerstversiering uit moet pakken. Geen getreur om het alleen versieren van de boom, geen tranen die vallen tegelijk met duizenden prikkende naalden. Ik koop een bosje latten, mep ze in elkaar, schilder er een boom op, timmer er flink wat spijkers in en voilà, klaar is mijn nieuwe boom.
Kerst 2014, inmiddels is mijn leven flink veranderd, ik ben niet meer zo alleen alleen, een nieuwe liefde wacht op mij aan mijn horizon, maar toch moet ik in mijn eentje die boom weer doen, hij woont ietwat ver weg. Ik pak mijn alternatieve kerstboom van het vorige jaar, zet hem op een veilige Lucashoogte en tuig hem op, licht weemoedig laat ik de ballen en andere versierselen die Aart en ik samen hebben uitgezocht door mijn handen gaan en tevreden hang ik ze weer aan de spijkertjes van mijn boom.
Maar ja, mijn leven is veranderd, nu is er een andere vent, een vent met wie ik samen een kerstboom kan opzetten. Zo geschiedde het dat het door mij zorgvuldig vermeden evenement, het opzetten van de kerstboom (dus geen platte lattenboom zoals ik zelf thuis heb) toch plaatsvind. Het in elkaar zetten van de kunstige boom gaat nog wat schamper lacherig, Aart zou echt werkelijk waar nooit zo’n plastic geval hebben willen hebben. Maar ik moet toegeven het is een mooi geval, hij lijkt best echt, hij is alleen ietwat keurig. Als de boom eenmaal staat volgt de ledverlichting ietwat nukkig, stomme ledverlichting, echte kaarsjes, dat is wat ik mis.
Daarna gaan de dozen vol ballen en andere versiering open, de versiering van een ander gezin, liefdevol bij elkaar gespaard door twee mensen waarvan er eentje nu, inmiddels meer dan een jaar, dood is. De ander is nu mijn lief. Net als ik die ander voor hem ben, die ene van twee waarvan het ene lief overleed. Zo is het gewoon.
Ik mopper wat over het stomme lint dat in de boom gehangen wordt, ik laat hier en daar wat ballen liggen die ik eerlijk gezegd zelf liever niet in mijn boom zou willen hebben. Ik kijk nukkig, ik word steeds stiller en stuurser. Stomme kerstboom, stom rotding, stomme rottige kerstballen, stom rottig kerstgevoel. Op de vraag waarom in zo stil ben weet ik nog geen antwoord maar even later komt het: tranen met tuiten. Ik wilde helemaal geen kerstboom versieren, ik wilde niet denken aan al die keren dat Aart en ik dat ding samen gingen optuigen. En de kerstboom opzetten op de sterfdag van mijn liefs andere lief is ook al niet erg bevorderlijk voor het vrolijke gevoel wat er wat mij betreft bij zou moeten horen. Rotkerst.
Het kerstgevoel is wat dat betreft helemaal compleet als we later die dag naar het tuincentrum gaan om een klein kerstboompje voor op haar graf te kopen. Niet dat ik dat zo erg vind, ik zoek er met liefde eentje uit. Maar als ik later even alleen ben tussen de kerstballen zijn ze er weer, die tranen en die herinneringen. Herinneringen aan al die keren dat Aart en ik samen door het tuincentrum draalden, op zoek naar die ene nieuwe kerstversiering voor in de boom. We kwamen ooit thuis met een pauw en twee vogels, met een moderne engel die trompet blaast en ook een keer met een roze op en schotel en een roze theepot aan lintjes die volgens Aart écht een plekje in de kerstboom verdienden. Ik denk aan die traditie en aan kerst 2012, onze laatste kerst samen, in het ziekenhuis, met voor het laatst een echt kerstboompje, piepklein en door mij versierd en meegenomen, staande op het ziekenhuistafeltje. Ik kruip even weg in de armen van mijn nieuwe lief, hij zoent mijn tranen weg.
Ik vierde kerst dit jaar met een hele nieuwe familie, ik vierde kerst met een lief die ook zijn lief miste, juist ook met kerst. Ik voel me rijk, zo veel mensen om me heen, nieuwe lieve mensen, een nieuwe liefde. Maar ergens op de achtergrond voel ik me met kerst ook gewoon schraal en eenzaam, verdrietig en leeg. Kerst is niet meer zoals kerst vroeger was, warm en onschuldig.
Gelukkig is er nu tijd en ruimte voor nieuwe tradities, we kochten samen met de kinderen versiering voor in de boom, ieder eentje. Volgend jaar doen we dat weer, net zo lang tot de boom kleurrijk uit zijn voegen barst. We maken samen nieuwe herinneringen, de oude niet verloochenend maar koesterend bij het nieuw geluk. Want wat hebben we een geluk dat we gewoon twee keer de liefde mogen vinden en twee keer gelukkig mogen zijn.

Nu is het de hoogste tijd om de kerstboom weer op te ruimen. Onder luid gemopper uiteraard want niets vind ik vervelender dan dat. Dag boom, dag kerst, tot volgend jaar, op naar vele mooie nieuwe herinneringen.

Papieren stem

Stel je eens voor dat je stom bent. Dan bedoel ik niet een idioot die rare dingen doet of iemand die gewoon algeheel niet aardig is maar stom stom, van niet kunnen praten stom. Ik heb nog nooit iemand ontmoet die niet kon praten maar ze moeten toch wel bestaan. Mensen die geen stem hebben, of die niets kunnen horen en dus niet weten dat ze een stem hebben. Het moet een vreemde wereld zijn als je wel begrijpt wat er gezegd wordt maar niet mee kunt doen.

Afgelopen donderdag heeft dokter Bob heel liefdevol in mijn stembanden zitten knippen en vervolgens een groot bord boven mijn bed laten hangen dat ik een spreekverbod had voor tweeeneenhalve dag. Vervolgens kwam de beste man ook nog twee keer gezellig een babbeltje maken, nou gezellig eenzijdig in dit geval dus. Mijn eerste kennismaking met niet mogen/kunnen praten (ik weet niet of ik het kon want ik mocht het niet). Volgens mij genoot hij er van.
Ik bleek gelukkig aardig goed te zijn in niet praten, of nou ja laat ik het zo zeggen, niet praten met mijn stem. Met mijn gebaren, gezicht, of nou ja eigenlijk met mijn hele lichaam, kon ik een heleboel duidelijk maken. Met behulp van de babygebaren die ik Lucas probeer te leren kwam ik op de uitslaapkamer een heel eind. Ik moest heel nodig plassen dus ik wees gewoon naar beneden en gebaarde een straaltje. Binnen no time stond er een zuster naast me met een po, oh jippie een po. Ik wilde nog zeggen dat ik het wel even op zou houden en dat ik liever niet op de po ging, of liever gezegd, dat ik niet zo’n zin had in een zeiknatte kont en met veel moeite liggend een straaltje zeik er uit te persen, maar ik wist niet zo goed hoe ik dát dan in gebaren moest uitdrukken. Dus hees ik mezelf, net wakker uit de narcose en met een infuus op een onmogelijke plaats aan de binnenkant van mijn hand, omhoog op de ondersteek en deed mijn zogezegde kleine boodschap. “nou dat was wel nodig mevrouw’ zei de zuster toen ze ‘m een kwartier later onder mijn inmiddels van een po-afdruk voorziene billen vandaan trok. Ik knikte maar van ja, want het gebaar voor ach lazer toch op kende ik nog niet. Oh en dat ik zelf mijn broekje wel weer aan kon doen zeker, eh ja dacht ik bij mezelf, maar eh…mag ik geen papiertje om de boel eerst eens even fatsoenlijk droog te deppen of doet men dat niet op uitslaapkamers?
Toen er later iemand kwam melden dat ik me toch al wel heel goed aan mijn spreekverbod hield had ik bijna de neiging om haar eens goed…nou ja om haar te kelen want praten mocht ik niet. Maar ja dat staat zo slordig.

Gelukkig mocht ik na het tweede praatje van dokter Bob naar huis, goddank, eindelijk naar huis waar ik gewoon begrepen werd. Nou dat was een deceptie, niemand snapte er ook maar ene jota van. De enige die net deed of er niets aan de hand was, was Lucas, die gebaarde vrolijk terug en maakte van de gelegenheid dankbaar gebruik om eens even wat kattenkwaad uit te halen.
De rest van het weekend bracht ik door terwijl ik verwoed krabbelde op een blocknootje of, zo af en toe als de batterij niet leeg was, typte op mijn Iphone. Hoe doen mensen dat die écht stom zijn? Zo kan een mens toch niet communiceren? Ongeveer 9/10e van de mensheid begrijpt de gebaren niet en de andere 1/10 van de mensheid kwam ik blijkbaar gewoon niet tegen. En probeer maar eens een discussie te voeren met iemand op papier. En dat diegene dan zelf gewoon kan praten, ook gewoon niet eerlijk, en dat die je dan niet uit laat eh…schrijven. En dat je dan vervolgens mokkend in een hoekje probeert alsnog je punt te maken en dat diegene het dan niet kan lezen omdat je in je frustratie even vergeten was dat je handschrift over het algemeen al vrij onleesbaar is, maar met een vleugje emoties erbij overgaat tot spijkerschrift. En dat je dan bij jezelf denkt “AAAAARGH”, maar dat je niet mag gillen.

Oh ja en probeer maar eens om dan na 3 dagen of zoiets weer te gaan praten, met mate, terwijl je eigenlijk zo veel te vertellen hebt van al die langzame uren dat dat niet mocht. En dat je stem dan klinkt alsof hij door de pastamachine is geweest en ook een octaafje hoger of zoiets. En probeer je dan eens voor te stellen dat je naar je koor gaat wat je niet missen kunt en dat je daar dan aan de kant een beetje mag zitten luisteren en kou mag lijden maar niet mee mag doen, als een muurbloempje aan de kant gezet. En dat je dan gezellig na gaat borrelen, oké oké, ik geef toe dat ik chocolademelk dronk en dat je dan niet mee kan praten behalve als het helemaal stil is, maar ja dat was het bijna niet. En dat je dan áls je eindelijk geluid heb weten te produceren wat op praten lijkt ook nog een sssshhht naar je hoofd krijgt, omdat je niet mag praten.

En dat je dan thuis komt en het is helemaal stil

en dat dan je Whatsapp het niet doet.

HET LEVEN IS NIET EERLIJK!

Het lot van een pak billendoekjes

Ik rook onraad toen een doordringende zwitsalgeur mijn neusgaten bereikte. Het was inderdaad al een tijdje stil, waardoor ik me had kunnen concentreren op het lezen van wat nieuwsartikelen. Reeds in de gang trof ik de eerste slachtoffers, zachte, vochtige welriekende doekjes, willoos verspreid over de vloer.
Slechts luttele meters verder trof ik ook mijn zoon die tevreden geluidjes maakte terwijl hij enkele witte zachte doekjes in een vergeten luieremmer deponeerde. Niet wéér!
Terwijl ik hem streng toesprak begon ik luierdoekjes bij elkaar te rapen. Mijn zoon, behulpzaam als altijd met zijn zeventien maanden, begon van overal uit de kamer doekjes te plukken. Een voor een bracht hij ze naar me toe waarbij hij telkens met een triomfantelijke blik wéér één onschuldig billendoekje in de lucht stak. Dankjewel schat, heel verwoed probeerde ik elk doekje weer terug in het pakje te stoppen. Het is tenslotte zonde om al die billendoekjes zo maar verloren te laten gaan, een pak van wel één euro, zomaar weg te gooien.
De doekjes bleven komen, hij had ze zorgvuldig verspreid door alle hoeken van de door hem bereikbare ruimten.
De apotheose kwam toen hij op de gang besloot om álle doekjes mee te nemen die hij vinden kon. Het bleef een tijdje stil, ik hoorde zacht gemompel en na enige tijd kwam daar mijn zoon weer om het hoekje van de deur te voorschijn, in zijn handen een grote wolk van die doekjes met allesdoordringende geur van zwitsal. Hij stak zijn handjes in de lucht en deponeerde de doekjes gauw bij mij. Toen ik naar de gang liep om de rest op te halen ontdekte ik dat hij ze allemaal had meegenomen, keurig verzameld in zijn kleine handjes met een blije lach.
Terwijl ik probeerde de doekjes terug te proppen in het nu ineens veel te klein geworden plastic pakje zag ik uit mijn ooghoek nog één doekjes in de handjes van mijn zoon. Ik stak mijn hand uit maar ik mocht het niet hebben, zíjn doekje. Hij snufte er eens lekker in, snoot zijn neus, poetste er wat dingen mee op en als ik in de buurt kwam hield hij het stevig vast.

Wat is dat toch met dreumesen en billendoekjes? Hoe vaak heb ik al niet de witte bergen van geurige natte proppen mogen betreden? Hoe vaak heb ik wel niet erger leed voorkomen toen ik dat handje in de richting van dat uitstekende witte plukje zag gaan? Het zijn ontelbare keren geweest. Ontelbare doekjes verdwenen op deze manier al onbruikbaar in de prullenbak. Maar ik pik het niet meer! Voortaan gaan ze terug in het pak waar ze vandaan kwamen. Ze mogen dan wel hun vrijheid geroken hebben, maar ik ruik ze ook. Nog steeds. En deze keer gaan ze niet meer netjes twee aan twee, nee, ik prop ze gewoon terug waar ze horen. En dan hoop ik dat ze snel hun aantrekkelijkheid verliezen voor de grijpgrage handjes van mijn zoon. Dan hoop ik keer op keer weer dat het billendoekjesleed zich niet zal uitstrekken over de gehele luierperiode. En als dat dan toch zo is, dan hoop ik maar dat die luierperiode snel voorbij is. Het potje staat al klaar, er wordt elke dag even op gezeten. “Plas dan” roep ik, maar nee, plassen op commando zit er nog niet in. En billendoekjes met rust laten helaas ook niet.