Niet meer van vandaag

Een fikse wind waait door mijn leven, blaadjes vliegen om mijn oren en regendruppels ook. Verfrissend en soms doodeng worden mijn straatjes schoongeveegd en weer bevuild door deze nietsontziende storm. Er banjerde een leuke man door mijn hart, schudde de kussens eens flink op en mijn hoofd flink door elkaar. Wat is flink eigenlijk een raar woord, ik voel me soms helemaal niet zo flink, als ik wegduik voor die storm. Nu even niet! Denk ik dan. Maar hij banjert daar nog steeds.
Net zo als het stormt is de wind door mijn haar vefrissend, mijn leven opgeschud en stil blijven staan is geen optie meer. Meegevoerd wordt ik, soms tegen wil en dank maar vaak, vaak gillend van plezier. Wiehoooo ik leef! Om vervolgens om te slaan in een help ik lééf! Best eng soms dat leven.
Ik breng dozen met boeken weg, verbouw de tuin, spreek met verloren gewaande zonen, werk aan een herinneringskist, praat met een edelsmid over een sierraad, ruim op, maak schoon en denk na, heel veel na. Ik voel en beweeg, het voelt wat roestig, soms maak ik rare sprongen en soms doet mijn hart dat ook.
Ik maak voorzichtige wiebelige bambipasjes op een weg die de naam toekomst heeft, soms probeer ik te blijven staan, terug te kijken maar mijn hoofd dat roept: “vooruit, vooruit!”. Koest hoofd denk ik soms, je maakt mij in de war.
Vandaag was ik bij ik bij een edelsmid om te praten over een sierraad gemaakt van onze trouwringen. Ideeën vlogen over en weer over de tafel, mijn basisidee bleef. Het was een goed gesprek. Toch voelde ik mij alleen en beklemd daar aan die tafel. Zo’n grote stap, op mijn wiebelige bambibenen, zomaar alleen. Het voelt als een enorme beslissing ineens. Ik ben toe aan die beslissing, maar het is gek om te beslissen over iets wat van ons samen was, terwijl ondertussen stiekem óók nog die andere man daar rondbanjert in mijn hart. Koest, ga eens op jullie plek, laat míj! Ik doe mijn ring af, dat heb ik thuis geoefend. Ik laat hem (of zou mijn ring dan een haar zijn) bij de edelsmid, ze zal onze ringen goed bewaren, in de kluis. Voor het eerst in bijna zes jaar ben ik ringloos en meer dan ooit voel ik ‘m zitten. Dag trouwring, nu ben ik écht niet mee getrouwd. Niet meer verbonden met onzichtbaar touw, vrij van tot de dood ons scheid, vrij van in voor en tegenspoed, het is niet meer, die tijd is voorbij, klaar. Maar ik mis toch die ring, die ring die daar bijna zes jaar was. Eerst als een bevestiging van ons maffe sprookje, toen als een herinnering aan wat wij samen waren en daarna als een herinnering aan wat wij samen hadden. Nu worden onze ringen samen een symbool voor ons gezin, voor wat we waren met zijn drieën, voor waar we samen zo gelukkig mee waren in die laatste weken, ik, jij en onze Lucas. Mijn ring is niet meer aan mijn hand, mijn hand is niet meer van jou Aart. De ring wordt een herinnering net als al die andere mooie dingen die we samen hadden. Gekoesterd in een klein kluisje bij mijn hart, gekoesterd maar niet meer van vandaag.

Pijpiesglas

Mijmerend zit ik op de fiets op weg naar mijn favoriete Italiaanse broodjeskraam voor mijn wekelijkse broodje geitenkaas, rauwe ham, rucola en rode pesto. Mijn gedachten mijlenver van de aarde verwijderd en op mijn neus de zon. Ik zie een auto van een glashandel en gelijk dwalen mijn gedachten weg. Ik denk aan die keer dat het glas van onze badkamerdeur vervangen moest worden. Er kwam een man van de glashandel met een stem alsof hij zijn dagelijkse portie glasscherven al had gehad. “Och” zei hij, “dit is nog het ouwe pijpiesglas, dat moake se niet meer.”. “Pijpiesglas” sis ik hees terwijl ik probeer de stem van die man na te doen. Twee seconden later kijk ik opzij, ik zie een vrouw in de deuropening van een voordeur zitten. Ze kijkt me met grote ogen aan, alsof ik haar elk moment kan komen halen. Alsof ze dacht in de nieuwste Harry Potterfilm belandt te zijn waar niets is wat het lijkt. Oh ja, ik zat op de fiets, even vergeten. Met een brede grijns fiets ik verder.

Een minuut later dringt er ineens iets tot me door. Ik dacht niet ‘dat moet ik aan Aart vertellen’ zoals ik een paar maanden geleden dacht. Ik wilde het aan mensen vertellen, maar niet aan Aart, ik dacht slechts: ‘dat had Aart leuk gevonden.’ Dat had ie ook, maar ergens tussen toen en nu is er iets wezenlijks veranderd, is Aart minder aanwezig geworden, mijn hoofd niet meer voortdurend van Aart doordrongen. Ik ben verder gegaan met leven, Aart nu gewoon ergens in mijn hart als een vanzelfsprekende aanwezigheid zonder echt aanwezig te zijn in nu.
Waar het eerst vanzelfsprekend was dat ik Aart bij thuiskomst hierover zou vertellen, grinnikend om die vrouw met de grote ogen, grinnikend ook om de gedeelde herinnering van het pijpiesglas, lijkt het nu vanzelfsprekend te worden dat dat niet meer kan. De herinneringen van toen zijn nu nog slechts de mijne, in gedachten gedeeld met iemand die er niet meer is. De nieuwe belevenissen echter wil ik nu met anderen delen. Wat raar, wanneer is dat gebeurd? Ook fijn, dat ik nu gewoon grinnikend op de fiets kan zitten zonder het melancholische nagevoel dat ik iets leuks wil vertellen aan iemand die er niet meer is, die niet meer meelacht. Het is zo zinloos, wat fijn dat ik dat nu niet meer hoef!
En gek, ja ook wel gek dat dat blijkbaar toch kan veranderen terwijl ik maandenlang heb gedacht dat ik voor altijd gevangen zou zitten in die rouw, die nare akelige diepe verdrietige rauwe rouw. Maar blijkbaar niet, blijkbaar kan rouw ook lichter worden en dat voor zo’n zwaargewicht van een man. Zijn aanwezigheid is minder grauw, minder op de voorgrond, gewoon veel meer als een vanzelfsprekend gegeven, onderdeel van mijn verhaal. En mijn verhaal gaat door, ik ga door met leven, niet meer alleen omdat het niet anders kan, maar omdat ik dat graag wil. Omdat ik weer dingen zie om voor te leven. Omdat ik blij ben, vrolijk en me weer gelukkig kan voelen, al voelt dat soms nog vreemd, alsof ik na maanden weer eens ga fietsen en moet wennen aan hoe dat ook alweer moet.