Nietmeertrouwdag #2

Ik zit aan een eettafel, niet mijn eigen eettafel thuis. Ik luister door de babyfoon naar Lucas die in zijn campingbedje ligt te kletsen.
Ik ben niet in mijn eigen huis, maar in het huis van mijn leuke nieuwe man, zo man waar je s’ avonds tegen kan wegkruipen in bed, lekker warm. Dat lukt je met een dooie man niet, dus het is op zich een hele verbetering.

Gisteren zei hij, morgen is trouwdag. Ik vroeg: “wiens trouwdag”, het bleef even stil…”oh ja de mijne” zei ik. Vanmorgen vroeg hij voor hij naar zijn werk ging wat ik allemaal ging doen. Ik had het over boodschappen en foto’s inplakken, over met Lucas spelen en sokken kopen.
Pas toen hij al ruim een uur weg was bedacht ik het me weer, oh ja, onze trouwdag. Of eigenlijk zijn we niet meer getrouwd en kan ik niet vieren dat het vandaag 6 jaar zou zijn. Ik heb mijn huwelijk afgemaakt, keurig netjes afgerond. Tot de dood ons scheidt, precies zo ging het.

En die trouwdag verloopt nu al niet veel anders dan al die getrouwde jaren hiervoor. Ons éénjarig huwelijk was ik niet in Nederland maar in Vilnius, Litouwen. We hebben even gebeld en dat was het dan. Ons tweejarig huwelijk zijn we volgens mij vergeten, ons driejarig huwelijk ging bijna voorbij zonder dat we er aan dachten, tot ik om 17 uur honger begon te krijgen, bedacht dat ik eigenlijk gewoon uit eten wilde maar geen goede reden kon verzinnen en inééns realiseerde ik me dat het onze trouwdag was en dat die reden er wel was. “We gaan uit eten!” zei ik terwijl ik boven op Aarts werkkamer rond zijn stoel hupste. Hij keek bedenkelijk, veel liever bleef hij in zijn onderbroek achter de computer zitten. Maar nee, een trouwdag vergt aankleden en uit eten gaan. En zo geschiedde.
Ons vierjarig huwelijk verliep eigenlijk niet veel anders, ergens op de dag zelf ontdekte ik, wie anders, dat het vandaag die dag was. Ik zag weer een goede reden voor een feestje, dus gingen we uit eten. Sushi zal het wel geweest zijn want daar waren we allebei verzot op. Ik nog steeds, mijn goede smaak is door de dood niet aangetast.

Ons 5 jarig huwelijk hebben we niet meer gehaald, vlak na ons 4-jarig huwelijk werd Aart ziek. 4,5 kan ik nog op mijn conto schrijven, maar geen eerste lustrum. Misschien in een herkansing?

Vandaag is gewoon een dag als al die andere, onze trouwdag die we niet meer vieren. Vanavond ga ik niet uit eten maar eet ik pompoensoep. Bij de moeder van de overleden vrouw van mijn nieuwe lief. Om het even ingewikkeld te maken. Of is het gewoon zo simpel als het is? Lekker, pompoensoep!

Advertenties

Vernietmeerjaardag #2

Wendel + Lucas + UrnVrijdag was het alweer zo ver, Aarts tweede vernietmeerjaardag. De tweede keer dat hij niet meer jarig was, de tweede keer dat hij het niet níet kon vieren, de tweede keer dat ik moest bedenken wat ik eigenlijk op die dag wilde doen, de tweede keer dat ik dat eigenlijk niet wist. Het was wél de eerste keer dat ik al wist wat er komen ging, een doodnormale dag, bijna als alle anderen, niets om je van te voren erg druk om te maken, niet substantieel in elk geval. Dus keek ik er weliswaar niet reikhalzend naar uit maar zag ik er ook niet als een berg tegenop zoals vorig jaar.
Die verjaardag is sowieso een gek ding, Aart was bepaald geen fan van jarig zijn dus echt vieren wilde hij het eigenlijk nooit. Sterker nog, hij hoopte altijd dat zo veel mogelijk mensen het zouden vergeten zodat zijn inmiddels middelbare leeftijdsstatus niet extra benadrukt zou worden.
Overigens deed ik daar niet aan mee, verjaren moet gevierd worden! Ik hing slingers op, kocht cadeautjes en taart, zong verjaardagsliedjes voor hem en ik feliciteerde hem uitbundig. Zonde toch om een reden voor cadeautjes en feest zo maar aan je voor bij te laten gaan.
Ook heb ik een keer stiekem een feestje voor hem georganiseerd. Ik kan me niet eens meer precies herinneren hoe oud hij toen werd, dat gedoe met die cijfertjes ben ik nooit erg goed in geweest (ik heb zelfs met een rekenmachientje uit zitten rekenen hoe oud hij nu zou zijn geworden en hoe oud hij was toen hij overleed). Zoals gewoonlijk zat hij lekker op zolder te werken. Ik had hem gezegd dat ik een verrassingsfeestmaal voor hem ging koken dus dat hij op een gegeven moment niet meer naar beneden mocht. De gasten, ik meen een stuk of 6, kwamen vervolgens zonder aan te bellen een voor een zachtjes binnen geslopen. Op een gegeven moment riep ik naar boven dat het eten klaar was en of hij wilde komen. Om te voorkomen dat hij in een boxershort en een hemd naar beneden zou komen had ik wel gezegd dat ik hem bij een feestmaal natuurlijk wel aangekleed aan tafel verwachtte. Hij kwam naar beneden, al duurde dat even want dat aankleden moest nog gebeuren en ik weet niet meer precies waar in huis, maar ergens daar beneden bezorgden we hem een hartverzakking (gelukkig wisten we nog niks van al die latere hartproblemen) door ineens met een grote groep tevoorschijn te duiken. Bíjna draaide hij op zijn hakken weer om om weg te rennen, niet omdat hij het niet leuk vond, maar omdat hij zich schaamde voor zijn tamelijk afzichtelijke sandalen die hij nooit en te nimmer aan had getrokken als hij had geweten dat er gasten waren.
Geen idee meer overigens wat ik gekookt had, maar ik kan me nog wel herinneren dat ik er enorm lang mee bezig was en dat ik de boodschappen her en der had moeten verstoppen omdat hij anders door de hoeveelheden zo wel had kunnen raden dat er iets op handen was. Het werd een zeer geslaagde avond waarbij we genoten van het gezelschap en het eten.

Deze keer werd de 10 oktober een heel andere dag. Geen Aart meer om het mee te vieren maar misschien toch wel een reden voor een klein feestje? Ik besloot, met een andere man aan mijn zijde, het crematorium te vereren met een ‘ver(r)assingsbezoekje, of nou ja, dat ‘verassen’ was natuurlijk al weer even geleden gebeurd, maar dat bezoek nog niet. Het crematorium, de begraafplaats en alles er omheen, ik was er nog nooit geweest. Al die tijd stond Aarts as daar in een een asbus te verstoffen in een hoekje van de zogenaamde ‘algemene nis’, iets waar ik me een soort donkere steriele kelder met roestvrij staal en stellingkasten bij voorstel. Niet echt een plekje voor Aart, hij was tenslotte verre van algemeen, maar hij was dood, niet meer dan een hoopje stof in een blikkie, niet echt een staat van zijn waarin je nog protest kunt maken dus liet ik het zo.
Met een andere man aan mijn zijde, wat een vreemde situatie had kunnen zijn maar het niet was omdat het zo prettig voelde om gesteund te worden door iemand die ik lief heb, toog ik dus afgelopen vrijdag naar het crematorium om, in een ‘spreekkamer’ na een kopje thee gedronken te hebben, naar een plastic urn met metalen deksel te staren met daarin de as van Aart. Tja, was ik daar nou zo bang voor geweest al die tijd? Er was helemaal niets aan te zien, gewoon een stemming zwart geval van plastic met wat officiële tekenen van dat het mijn man daadwerkelijk geweest is. Zijn naam stond er op en zijn crematienummer. Ja die eer hebben alleen de gecremeerden, een speciaal nummer voor hun alleen, uniek in hun soort, veel minder algemeen gebruikelijk dan bijvoorbeeld een sofienummer.
Na deze ‘ontmoeting’ bracht de mevrouw van de urn ons in haar mooie blauwe begrafenisuniformjas in een golfkar naar het andere eind van het terrein om te kijken naar de plaatsen waar ik Aarts as eventueel al dan niet tijdelijk zou kunnen neerplanten. Ik begaf mij in de wereld van de strooiveldjes (die ik overigens niet gezien heb), urnenmuren, een urnenheuvel en een urnentuin. Van het woord urn alleen al word ik niet vrolijk maar eerlijk is eerlijk, het viel me alleszins mee. Het is eigenlijk helemaal geen nare plek om te zijn, omgeven door dood, doden en daar dan weer de nabestaanden van. Het was eigenlijk een hele mooie serene plek. Slenterend liep ik met die andere man aan mijn zijde en twee kinderen in ons kielzog langs al die plekken en kwam tot de conclusie dat het, voorlopig in ieder geval, helemaal zo gek nog niet zou zijn om daar ergens een wat mooier plekje voor de as van Aart te zoeken. Ik wil immers niet in Aarts voetsporen treden en wachten tot het crematorium na de zoveelste aanmaning om te betalen voor de algemene nis, waarin de as van zijn vader stond opgeborgen, voorstelt om de as op zo’n veld te mikken om er maar vanaf te zijn. Iets wat ze overigens gewoon jaren eerder hadden moeten voorstellen want dat had een hoop geld gescheeld. Niet omdat hij niet van zijn vader hield, maar gewoon omdat die as hem niets meer zei dan dat het een confrontatie met de dood was.

Na dit bezoek togen wij richting de stad voor een lunch en taart. Tenslotte kun je niet genoeg redenen hebben om iets te vieren. De geboortedag van Aart vieren is een goede reden. Zonder geboorte was er geen Aart geweest in mijn leven en hoe moeilijk het ook soms was met hem en hoe pijnlijk het nu ook is om hem te moeten missen, om te leven in de wetenschap dat hij Lucas niet zal zien opgroeien en Lucas nooit zijn vader echt zal kunnen leren kennen. Het was het allemaal waard. Proost!

Stil

“We kunnen er niet boven over, we kunnen er niet onder door, we moeten er dwars doorheen.” Schreef de schrijver van wij gaan op berenjacht treffend. Weliswaar over een imaginaire berenjacht, maar toch heel treffend. Verdriet moet je niet ontwijken, dat lukt je even maar uiteindelijk haalt het je in. Je zult het in de ogen moeten kijken en dan moet je er dwars door heen “zwieperdezieperdezwiep, ZWIEPERDEZWIEPERDEZWIEP,”, dwars er doorheen, niet wetende wat er zich aan de andere kant bevind.
Het is stil geweest op mijn blog, maandenlang beschreef ik hier mijn tocht dwárs er doorheen. Ik schreef over mijn ontmoetingen met het verdriet, over mijn herinneringen, over Aart, ik schreef laconiek en ik schreef vrolijk, ik schreef intens verdrietig. En nu, nu heb ik het gevoel dat ik aan de andere kant gekomen ben. Daar zit geen beer, zoals in het boek, daar zit rust, daar zit geluk, nieuw geluk. En toen werd het stil hier, want hoe kun je over nieuw geluk schrijven terwijl je maandenlang schreef over je oude verdriet. Hoe kun je over geluk schrijven als je dat héél eng vind? Héél eng! Hoe kun je daar over schrijven als je nog niet weet of het echt is? Je wil jezelf toch ook niet blij maken met een dooie mus, dooien had ik al gnoeg. Je wil het niet zo maar vereeuwigen op papier. Zo echt dan. Onomkeerbaar verliesbaar pijnlijk.
Ik denk elke dag aan Aart, hij zit in mijn hart en in mijn herinneringen. Ik vertel over hem en denk met warmte en liefde terug aan wat wij hadden. De tranen aardig droog gewaaid maar de liefde nooit bekoeld. En ik denk aan die nieuwe kans die ik zomaar krijg nu, de kans op nóg een liefde. Een kans waar een risico aan kleeft. Welkom, dit is mijn hart, wees er voorzichtig mee, het is zeer gedaan. Doe niet te lief dan ga ik gillen en blijf een beetje uit/in de buurt want dat wil ik. En bedankt voor de bloemen.
Ik heb een groot maar kwetsbaar hart, open voor wie ik liefhebben wil. Kwetsbaar voor wat ik kwijtraken kan. Leven is voelen. Niet leven is geen optie maar is wel leven dat wel? Het wiel moet opnieuw worden uitgevonden, hoe heb ik lief? Het leven. Hoe moet ik voelen terwijl ik dat eng vind? Ja dwars, dwars er doorheen, dat moet ik. Mijn hart is open, ik heb lief. Auw. Ruimte zat joh!
We kunnen er niet boven over, we kunnen er niet onderdoor, we moeten er dwars doorheen!

Niet meer van vandaag

Een fikse wind waait door mijn leven, blaadjes vliegen om mijn oren en regendruppels ook. Verfrissend en soms doodeng worden mijn straatjes schoongeveegd en weer bevuild door deze nietsontziende storm. Er banjerde een leuke man door mijn hart, schudde de kussens eens flink op en mijn hoofd flink door elkaar. Wat is flink eigenlijk een raar woord, ik voel me soms helemaal niet zo flink, als ik wegduik voor die storm. Nu even niet! Denk ik dan. Maar hij banjert daar nog steeds.
Net zo als het stormt is de wind door mijn haar vefrissend, mijn leven opgeschud en stil blijven staan is geen optie meer. Meegevoerd wordt ik, soms tegen wil en dank maar vaak, vaak gillend van plezier. Wiehoooo ik leef! Om vervolgens om te slaan in een help ik lééf! Best eng soms dat leven.
Ik breng dozen met boeken weg, verbouw de tuin, spreek met verloren gewaande zonen, werk aan een herinneringskist, praat met een edelsmid over een sierraad, ruim op, maak schoon en denk na, heel veel na. Ik voel en beweeg, het voelt wat roestig, soms maak ik rare sprongen en soms doet mijn hart dat ook.
Ik maak voorzichtige wiebelige bambipasjes op een weg die de naam toekomst heeft, soms probeer ik te blijven staan, terug te kijken maar mijn hoofd dat roept: “vooruit, vooruit!”. Koest hoofd denk ik soms, je maakt mij in de war.
Vandaag was ik bij ik bij een edelsmid om te praten over een sierraad gemaakt van onze trouwringen. Ideeën vlogen over en weer over de tafel, mijn basisidee bleef. Het was een goed gesprek. Toch voelde ik mij alleen en beklemd daar aan die tafel. Zo’n grote stap, op mijn wiebelige bambibenen, zomaar alleen. Het voelt als een enorme beslissing ineens. Ik ben toe aan die beslissing, maar het is gek om te beslissen over iets wat van ons samen was, terwijl ondertussen stiekem óók nog die andere man daar rondbanjert in mijn hart. Koest, ga eens op jullie plek, laat míj! Ik doe mijn ring af, dat heb ik thuis geoefend. Ik laat hem (of zou mijn ring dan een haar zijn) bij de edelsmid, ze zal onze ringen goed bewaren, in de kluis. Voor het eerst in bijna zes jaar ben ik ringloos en meer dan ooit voel ik ‘m zitten. Dag trouwring, nu ben ik écht niet mee getrouwd. Niet meer verbonden met onzichtbaar touw, vrij van tot de dood ons scheid, vrij van in voor en tegenspoed, het is niet meer, die tijd is voorbij, klaar. Maar ik mis toch die ring, die ring die daar bijna zes jaar was. Eerst als een bevestiging van ons maffe sprookje, toen als een herinnering aan wat wij samen waren en daarna als een herinnering aan wat wij samen hadden. Nu worden onze ringen samen een symbool voor ons gezin, voor wat we waren met zijn drieën, voor waar we samen zo gelukkig mee waren in die laatste weken, ik, jij en onze Lucas. Mijn ring is niet meer aan mijn hand, mijn hand is niet meer van jou Aart. De ring wordt een herinnering net als al die andere mooie dingen die we samen hadden. Gekoesterd in een klein kluisje bij mijn hart, gekoesterd maar niet meer van vandaag.

Pijpiesglas

Mijmerend zit ik op de fiets op weg naar mijn favoriete Italiaanse broodjeskraam voor mijn wekelijkse broodje geitenkaas, rauwe ham, rucola en rode pesto. Mijn gedachten mijlenver van de aarde verwijderd en op mijn neus de zon. Ik zie een auto van een glashandel en gelijk dwalen mijn gedachten weg. Ik denk aan die keer dat het glas van onze badkamerdeur vervangen moest worden. Er kwam een man van de glashandel met een stem alsof hij zijn dagelijkse portie glasscherven al had gehad. “Och” zei hij, “dit is nog het ouwe pijpiesglas, dat moake se niet meer.”. “Pijpiesglas” sis ik hees terwijl ik probeer de stem van die man na te doen. Twee seconden later kijk ik opzij, ik zie een vrouw in de deuropening van een voordeur zitten. Ze kijkt me met grote ogen aan, alsof ik haar elk moment kan komen halen. Alsof ze dacht in de nieuwste Harry Potterfilm belandt te zijn waar niets is wat het lijkt. Oh ja, ik zat op de fiets, even vergeten. Met een brede grijns fiets ik verder.

Een minuut later dringt er ineens iets tot me door. Ik dacht niet ‘dat moet ik aan Aart vertellen’ zoals ik een paar maanden geleden dacht. Ik wilde het aan mensen vertellen, maar niet aan Aart, ik dacht slechts: ‘dat had Aart leuk gevonden.’ Dat had ie ook, maar ergens tussen toen en nu is er iets wezenlijks veranderd, is Aart minder aanwezig geworden, mijn hoofd niet meer voortdurend van Aart doordrongen. Ik ben verder gegaan met leven, Aart nu gewoon ergens in mijn hart als een vanzelfsprekende aanwezigheid zonder echt aanwezig te zijn in nu.
Waar het eerst vanzelfsprekend was dat ik Aart bij thuiskomst hierover zou vertellen, grinnikend om die vrouw met de grote ogen, grinnikend ook om de gedeelde herinnering van het pijpiesglas, lijkt het nu vanzelfsprekend te worden dat dat niet meer kan. De herinneringen van toen zijn nu nog slechts de mijne, in gedachten gedeeld met iemand die er niet meer is. De nieuwe belevenissen echter wil ik nu met anderen delen. Wat raar, wanneer is dat gebeurd? Ook fijn, dat ik nu gewoon grinnikend op de fiets kan zitten zonder het melancholische nagevoel dat ik iets leuks wil vertellen aan iemand die er niet meer is, die niet meer meelacht. Het is zo zinloos, wat fijn dat ik dat nu niet meer hoef!
En gek, ja ook wel gek dat dat blijkbaar toch kan veranderen terwijl ik maandenlang heb gedacht dat ik voor altijd gevangen zou zitten in die rouw, die nare akelige diepe verdrietige rauwe rouw. Maar blijkbaar niet, blijkbaar kan rouw ook lichter worden en dat voor zo’n zwaargewicht van een man. Zijn aanwezigheid is minder grauw, minder op de voorgrond, gewoon veel meer als een vanzelfsprekend gegeven, onderdeel van mijn verhaal. En mijn verhaal gaat door, ik ga door met leven, niet meer alleen omdat het niet anders kan, maar omdat ik dat graag wil. Omdat ik weer dingen zie om voor te leven. Omdat ik blij ben, vrolijk en me weer gelukkig kan voelen, al voelt dat soms nog vreemd, alsof ik na maanden weer eens ga fietsen en moet wennen aan hoe dat ook alweer moet.

Favoriete vieze aftershave

Als een plaat die was blijven hangen leefde ik de laatste maanden mijn leven. Doen wat je moet doen met je hoofd boven water. Meer was er niet, de wereld stond een beetje stil. Stiller dan die stond vlak na Aart overlijden. Moe gestreden met mijn eigen leven, ingezakt en lichtelijk futloos. Monter hief ik elke keer mijn hoofd om door te gaan, ik deed mijn best. Maar in feite stond alles stil, glipte de dingen zachtjes aan een beetje door mijn vingers.
Tijd voor verandering besloot ik al een tijd geleden. Ik moest de zaken aanduwen om weer in beweging te komen, ergens beginnen want anders zou er niets gebeuren. Het begon met de tuin, de tuin die al jaren aan groot onderhoud toe was. Aart en ik wilden ‘m volledig opnieuw laten inrichten maar we kwamen er nooit uit en ook dat stond stil. Inmiddels ligt er een nieuw ontwerp, is mijn tuin leeggehaald en wordt hij weer langzaam opgebouwd. Ik ging op vakantie, twee keer maar liefst en tussendoor gingen ook de tuinzaken door.
Er ontstond een klein vonkje in mij, een vonkje dat weer levenslust voelde, een klein beetje energie, zin om door te gaan.
En bij zin om door te gaan hoort ook zin om af te sluiten, losse eindjes af te hechten, er een mooie knoop in te leggen. Tijd om orde te scheppen in de chaos maar vooral tijd om iets te doen aan de spullen van Aart die nog door het hele huis zwerven. Alsof ik mezelf er aan wilde blijven herinneren dat hij dood is, alsof ik mezelf een beetje straf door in elke ruimte dingen te zien om verdrietig van te worden, dingen uit vervlogen tijden. Gek genoeg zag ik ze al tijden niet meer, al die spullen, genegeerd door de tijd verdwenen ze in de achtergrond. Maar ze stonden er nog wel en vroegen aan de rand van mijn gedachten steeds om aandacht. Onrust brengend in mijn toch al niet erg rustige hoofd. Alsof je ongemerkt kilo’s zand met je mee sleept en op den duur niet eens meer weet dat je dat doet.
Het is tijd voor rust, het is tijd dat Aart een plekje krijgt. Een plekje in mijn hart heeft hij al, nu moet hij nog een plekje in huis krijgen. Want voor een dooie man neemt hij wel erg veel ruimte in. Ruimte die tijdenlang gepast was, ruimte die hij ook innam in mijn hoofd. Maar langzamerhand is dat toch anders geworden, de randjes van het gapende gat minder rafelig, geen constant bloedverlies. De waas van verdriet langzaam opgetrokken, ik kan weer kijken. Ik kan weer zien, vooruit.

Ik ruim de badkamer op, vooral mijn eigen zooi maar ook nog wat van Aart, netjes weggestopt in een hoekje, maar wel continue aanwezig. Het is mijn badkamer nu, mijn huis ook. Met gekleurde kussen op de bank alleen kom ik er niet. De ruim ik de badkamer op. Ik gooi zijn spullen weg, hup in de prullenbak er mee. Zijn favoriete vieze after shave gaat ook. Als hij die op had wilde ik hem nooit zoenen omdat hij stonk. Bah! Ik ruik aan zijn lekkere after shave, die had hij ook. Weemoed bekruipt me. Ik ruik de geur, een hele bekende geur. Maar zonder de geur van Aart is het ‘m niet. De geur die vervlogen is, zelfs in mijn herinnering.

Ik wil sneller dan ik kan, hup weg er mee, ik wil weer ademen, leven, voelen, huilen, lachen. Ik wil ruimte en wel nu. Ik zal geduldig moeten zijn, tijd heeft ook zijn grenzen maar de grote schoonmaak is begonnen, in mijn huis en in mijn hoofd. Het is tijd.

Troost van een eiland

20140706-144232-52952829.jpg
Daar zit ik dan, op een eiland waar ik al mijn hele leven kom. Met mijn ouders, met vrienden en natuurlijk ook met Aart. Twee jaar geleden hadden we hier een heerlijke vakantie. Twee weken genieten van het buiten zijn, fietsen, lekker eten en heel veel lezen. Acht maanden later werd er een piepklein jongetje geboren.
Het jaar daarop ging ik weer, alles was anders. Met dat kleine ventje maar zonder die grote waar ik nog zielsveel van hield. Dat jaar daartussen was de markering van hoe het ineens om kan slaan. Je leven in de achtbaan met helaas een niet altijd goede afloop. Het ongeluk vloog me om de oren dat jaar maar ook het geluk van een jong gezin, de geboorte van mijn prachtige zoon. En toen… Een paar maanden na de apotheose van al het ongeluk, het overlijden van Aart, was daar Terschelling. Afgesproken nog voor Aart ziek werd, een toekomstpunt waarnaar hij uitkeek toen hij op de sombere tl-verlichte mediumcare lag waar het personeel soms leek te vergeten dat de patiënten niet alleen maar medische problemen waten, maar ook personen van vlees en bloed met echte gevoelens. Terschelling was zijn troost. Hij zou weer genieten, daar op dat eiland, gelukkig zijn en misschien zelfs wel gezond.
Zo ver kwam het niet, slechts een paar maanden ervoor op een van de eerste zomerse dagen overleed hij, nog voor er samen, met ons gezin, opnieuw van het eiland hadden kunnen genieten.
Ik ging toch, naar dat troostrijke eiland waar ik al zo veel jaren kwam, met en zonder Aart. Met tranen in mijn ogen fietste ik langs de plekken waar we het jaar daarvoor ook waren geweest. Met vrienden die we samen hadden uitgenodigd, alleen hij kwam niet mee, verloren in de tijd. We waren vreemd geamputeerd die dagen maar het eiland gaf me rust en troost.
Nu zit ik daar weer, bijna een jaar later en het besef begint tot me door te dringen dat mijn leven doorgaat. Onvermoeibaar tikken de minuten door. Ik word gewoon ouder en Lucas ook. En hoewel het verdriet nog altijd schraal is, soms geen weg naar buiten vind, merk ik toch ook; de tijd schrijdt voort en dat is goed. Ik hoef niet meer stil te blijven zitten omdat zijn leven ook nooit meer verder gaat. Ik kijk voorzichtig in de toekomst en wat ik zie bevalt me wel. Mijn leven kan ook mooi zijn zonder Aart. Is ook de moeite waard zonder hem. Al zal ik altijd verlies meedragen.
Het wordt minder alleen maar Lucas die mijn leven kleurt. Ik doe het zelf, ik voel het zelf, de weg naar de toekomst van een nieuw leven wordt weer steeds meer begaanbaar. Ik begin weer te voelen, verdriet krijgt langzamerhand een plekje maar ook fijne gevoelens steken de kop op.
Verwarrend is het soms om je blij te voelen of om te kijken naar een andere man en te denken: “die wil ik wel zoenen”. Maar het is ook fijn om te weten dat het nog bestaat, dat die weg niet voorgoed is afgesneden. Ik kan ook zonder Aart gelukkig zijn, dat weet ik zeker. Het leven van Aart en mij samen stopte toen hij overleed maar hij hield een belangrijke plek in mijn hart. Die plek zal altijd blijven, bevroren in de tijd. Ik heb hem lief gehad en hij mij. Maar naast dat gat is nog een heleboel hart over dat wil voelen en blij zijn. Nu moet ik weer verder, liefhebben kan denk ik ook zonder hem. Kleine sprankjes hoop vertellen het mij.
En ondertussen verwarmt de Terschellingse zon mij geruststellend. ‘Het komt wel goed schatje’. Het zal er altijd zijn dit eiland, zo lang ik leef. Ik zal er altijd blijven komen, om me te laten koesteren door de wind, de zeelucht, en het zand, om me te laten troosten én om te genieten met iedereen die ik lief heb en gelukkig te zijn.
Volgend jaar weer?