Niet mijn tranen

Soms lopen twee verdrieten door elkaar, soms lopen twee verdrieten uit elkaar. Soms vinden we elkaar, soms zijn we alleen met onze tranen.
Dit weekend vierden we de verjaardag van een lief mooi klein meisje en haar lieve grote papa, allebei een jaartje ouder en reden voor een mooi feest. Ik bakte taart, deed boodschappen, hij deed boodschappen, ik deed nog een keer boodschappen, we bestelden nog meer taart, we maakten ruimte voor het feest. We zongen, we gaven cadeautjes, we vierden feest.

Maar toch, toch was het niet alleen maar feest, zoals niets dat ooit nog is. “Ik was verdrietig toen jij gisterenavond weg was” zei hij. Ik wist dat hij niet verdrietig was omdat ik weg was, maar juist omdat ik weg was verdrietig had kunnen zijn. En toen hij na het ophalen van de taart met rode oogjes terug kwam zei ik: “Ben je naar de begraafplaats geweest?”, “ja” zei hij, “dat klopt”. “Je hebt rode ogen” was mijn antwoord. Hij moest een beetje lachen en zei: “dus je wist het al”.

Ja ik wist het al, mijn weduwnaar, liefhebbende papa, hij was verdrietig omdat zijn dochter zonder mama moet. Omdat ze er weer niet bij kon zijn, omdat ze weer hun verjaardagen moesten vieren zonder haar. Ik voel tranen branden want hoe goed begrijp ik het verdriet. Mijn lieve zoon die zonder zijn papa moet. Zijn dochter zonder moeder. Zijn vader die er nooit zal zijn. Net als haar moeder. Niet als hij voor het eerst naar school gaat, niet bij het behalen van zijn zwemdiploma en op geen enkele verjaardag. Nooit meer liefhebbende papa, nooit meer mijn liefhebbende man. Nooit meer liefhebbende mama, nooit meer zijn liefhebbende vrouw.

Maar ik voel ook een knoop in mijn maag als ik mijn lieve vent zo zie, zo met twee rode ogen, zo verdrietig. Voor mijn neus maar ook zo ver bij mij vandaan op dat moment. Dan wil ik hem knuffelen en hem naar me toe halen en dat doe ik dan ook maar echt helpen doet het niet. Want zijn verdriet blijft zijn verdriet en misschien ook dat van zijn lieve mooie meid. Maar het mijne wordt het nooit echt. Ik kende haar niet en heb vooral verdriet om de mensen om haar heen die mij steeds dierbaarder worden. Doorweven met mijn eigen strengetjes van verdriet om hetzelfde onderwerp maar nooit echt míjn verdriet.

Eenzaam voel ik me op zulke momenten, een buitenstaander en soms zelfs een beetje indringer. Omdat het verdriet zo teer is, zo rauw is en zo, zo alleen. Omdat ik haar niet ben en nooit kan zijn. Ook niet wil zijn. Alsof ik haar verdring door op haar plek te zijn, op haar plek in het bed, op haar plek aan de tafel, op haar plek naast haar man en naast haar lieve mooie dochter. Alsof ik, door er niet te zijn, zou kunnen voorkomen dat dat zo is. Alsof ik zo het verdriet zou kunnen voorkomen. En ik zou niets liever willen dan dat voorkomen want mijn hart doet zeer bij het zien van zijn grote verdriet. Maar ik weet ook, als geen ander, dat juist het bemannen van de lege plekken het zeer verzacht en pijn bekoeld.

Zo bitterzoet, een weduwnaar aan mijn zijde, eentje die alles van mij begrijpt en toch ook weer niet. Met wie ik alles kan delen en toch ook weer niet. Weduwe zijn blijft ook altijd een eenzaam verdriet.
Zijn worsteling is net zo goed de mijne als andersom. Hoe graag ik ook zou willen, hoe graag ik ook met een grote gum hun verdriet zou willen uitvlakken, het blijft altijd, en is nu ook onderdeel van mijn leven. Voor altijd samen en alleen verdrietig. Maar ook gelukkig samen en niet meer alleen.

Advertenties

Kerstboom

IMG_6370

Kerst 2013, ik besluit dat ik een project nodig heb, iets om kerst een andere wending te geven. Geen gemopper omdat ik in mijn eentje een boompje naar huis moet zien te slepen, of omdat ik in mijn eentje alle kerstversiering uit moet pakken. Geen getreur om het alleen versieren van de boom, geen tranen die vallen tegelijk met duizenden prikkende naalden. Ik koop een bosje latten, mep ze in elkaar, schilder er een boom op, timmer er flink wat spijkers in en voilà, klaar is mijn nieuwe boom.
Kerst 2014, inmiddels is mijn leven flink veranderd, ik ben niet meer zo alleen alleen, een nieuwe liefde wacht op mij aan mijn horizon, maar toch moet ik in mijn eentje die boom weer doen, hij woont ietwat ver weg. Ik pak mijn alternatieve kerstboom van het vorige jaar, zet hem op een veilige Lucashoogte en tuig hem op, licht weemoedig laat ik de ballen en andere versierselen die Aart en ik samen hebben uitgezocht door mijn handen gaan en tevreden hang ik ze weer aan de spijkertjes van mijn boom.
Maar ja, mijn leven is veranderd, nu is er een andere vent, een vent met wie ik samen een kerstboom kan opzetten. Zo geschiedde het dat het door mij zorgvuldig vermeden evenement, het opzetten van de kerstboom (dus geen platte lattenboom zoals ik zelf thuis heb) toch plaatsvind. Het in elkaar zetten van de kunstige boom gaat nog wat schamper lacherig, Aart zou echt werkelijk waar nooit zo’n plastic geval hebben willen hebben. Maar ik moet toegeven het is een mooi geval, hij lijkt best echt, hij is alleen ietwat keurig. Als de boom eenmaal staat volgt de ledverlichting ietwat nukkig, stomme ledverlichting, echte kaarsjes, dat is wat ik mis.
Daarna gaan de dozen vol ballen en andere versiering open, de versiering van een ander gezin, liefdevol bij elkaar gespaard door twee mensen waarvan er eentje nu, inmiddels meer dan een jaar, dood is. De ander is nu mijn lief. Net als ik die ander voor hem ben, die ene van twee waarvan het ene lief overleed. Zo is het gewoon.
Ik mopper wat over het stomme lint dat in de boom gehangen wordt, ik laat hier en daar wat ballen liggen die ik eerlijk gezegd zelf liever niet in mijn boom zou willen hebben. Ik kijk nukkig, ik word steeds stiller en stuurser. Stomme kerstboom, stom rotding, stomme rottige kerstballen, stom rottig kerstgevoel. Op de vraag waarom in zo stil ben weet ik nog geen antwoord maar even later komt het: tranen met tuiten. Ik wilde helemaal geen kerstboom versieren, ik wilde niet denken aan al die keren dat Aart en ik dat ding samen gingen optuigen. En de kerstboom opzetten op de sterfdag van mijn liefs andere lief is ook al niet erg bevorderlijk voor het vrolijke gevoel wat er wat mij betreft bij zou moeten horen. Rotkerst.
Het kerstgevoel is wat dat betreft helemaal compleet als we later die dag naar het tuincentrum gaan om een klein kerstboompje voor op haar graf te kopen. Niet dat ik dat zo erg vind, ik zoek er met liefde eentje uit. Maar als ik later even alleen ben tussen de kerstballen zijn ze er weer, die tranen en die herinneringen. Herinneringen aan al die keren dat Aart en ik samen door het tuincentrum draalden, op zoek naar die ene nieuwe kerstversiering voor in de boom. We kwamen ooit thuis met een pauw en twee vogels, met een moderne engel die trompet blaast en ook een keer met een roze op en schotel en een roze theepot aan lintjes die volgens Aart écht een plekje in de kerstboom verdienden. Ik denk aan die traditie en aan kerst 2012, onze laatste kerst samen, in het ziekenhuis, met voor het laatst een echt kerstboompje, piepklein en door mij versierd en meegenomen, staande op het ziekenhuistafeltje. Ik kruip even weg in de armen van mijn nieuwe lief, hij zoent mijn tranen weg.
Ik vierde kerst dit jaar met een hele nieuwe familie, ik vierde kerst met een lief die ook zijn lief miste, juist ook met kerst. Ik voel me rijk, zo veel mensen om me heen, nieuwe lieve mensen, een nieuwe liefde. Maar ergens op de achtergrond voel ik me met kerst ook gewoon schraal en eenzaam, verdrietig en leeg. Kerst is niet meer zoals kerst vroeger was, warm en onschuldig.
Gelukkig is er nu tijd en ruimte voor nieuwe tradities, we kochten samen met de kinderen versiering voor in de boom, ieder eentje. Volgend jaar doen we dat weer, net zo lang tot de boom kleurrijk uit zijn voegen barst. We maken samen nieuwe herinneringen, de oude niet verloochenend maar koesterend bij het nieuw geluk. Want wat hebben we een geluk dat we gewoon twee keer de liefde mogen vinden en twee keer gelukkig mogen zijn.

Nu is het de hoogste tijd om de kerstboom weer op te ruimen. Onder luid gemopper uiteraard want niets vind ik vervelender dan dat. Dag boom, dag kerst, tot volgend jaar, op naar vele mooie nieuwe herinneringen.

Papieren stem

Stel je eens voor dat je stom bent. Dan bedoel ik niet een idioot die rare dingen doet of iemand die gewoon algeheel niet aardig is maar stom stom, van niet kunnen praten stom. Ik heb nog nooit iemand ontmoet die niet kon praten maar ze moeten toch wel bestaan. Mensen die geen stem hebben, of die niets kunnen horen en dus niet weten dat ze een stem hebben. Het moet een vreemde wereld zijn als je wel begrijpt wat er gezegd wordt maar niet mee kunt doen.

Afgelopen donderdag heeft dokter Bob heel liefdevol in mijn stembanden zitten knippen en vervolgens een groot bord boven mijn bed laten hangen dat ik een spreekverbod had voor tweeeneenhalve dag. Vervolgens kwam de beste man ook nog twee keer gezellig een babbeltje maken, nou gezellig eenzijdig in dit geval dus. Mijn eerste kennismaking met niet mogen/kunnen praten (ik weet niet of ik het kon want ik mocht het niet). Volgens mij genoot hij er van.
Ik bleek gelukkig aardig goed te zijn in niet praten, of nou ja laat ik het zo zeggen, niet praten met mijn stem. Met mijn gebaren, gezicht, of nou ja eigenlijk met mijn hele lichaam, kon ik een heleboel duidelijk maken. Met behulp van de babygebaren die ik Lucas probeer te leren kwam ik op de uitslaapkamer een heel eind. Ik moest heel nodig plassen dus ik wees gewoon naar beneden en gebaarde een straaltje. Binnen no time stond er een zuster naast me met een po, oh jippie een po. Ik wilde nog zeggen dat ik het wel even op zou houden en dat ik liever niet op de po ging, of liever gezegd, dat ik niet zo’n zin had in een zeiknatte kont en met veel moeite liggend een straaltje zeik er uit te persen, maar ik wist niet zo goed hoe ik dát dan in gebaren moest uitdrukken. Dus hees ik mezelf, net wakker uit de narcose en met een infuus op een onmogelijke plaats aan de binnenkant van mijn hand, omhoog op de ondersteek en deed mijn zogezegde kleine boodschap. “nou dat was wel nodig mevrouw’ zei de zuster toen ze ‘m een kwartier later onder mijn inmiddels van een po-afdruk voorziene billen vandaan trok. Ik knikte maar van ja, want het gebaar voor ach lazer toch op kende ik nog niet. Oh en dat ik zelf mijn broekje wel weer aan kon doen zeker, eh ja dacht ik bij mezelf, maar eh…mag ik geen papiertje om de boel eerst eens even fatsoenlijk droog te deppen of doet men dat niet op uitslaapkamers?
Toen er later iemand kwam melden dat ik me toch al wel heel goed aan mijn spreekverbod hield had ik bijna de neiging om haar eens goed…nou ja om haar te kelen want praten mocht ik niet. Maar ja dat staat zo slordig.

Gelukkig mocht ik na het tweede praatje van dokter Bob naar huis, goddank, eindelijk naar huis waar ik gewoon begrepen werd. Nou dat was een deceptie, niemand snapte er ook maar ene jota van. De enige die net deed of er niets aan de hand was, was Lucas, die gebaarde vrolijk terug en maakte van de gelegenheid dankbaar gebruik om eens even wat kattenkwaad uit te halen.
De rest van het weekend bracht ik door terwijl ik verwoed krabbelde op een blocknootje of, zo af en toe als de batterij niet leeg was, typte op mijn Iphone. Hoe doen mensen dat die écht stom zijn? Zo kan een mens toch niet communiceren? Ongeveer 9/10e van de mensheid begrijpt de gebaren niet en de andere 1/10 van de mensheid kwam ik blijkbaar gewoon niet tegen. En probeer maar eens een discussie te voeren met iemand op papier. En dat diegene dan zelf gewoon kan praten, ook gewoon niet eerlijk, en dat die je dan niet uit laat eh…schrijven. En dat je dan vervolgens mokkend in een hoekje probeert alsnog je punt te maken en dat diegene het dan niet kan lezen omdat je in je frustratie even vergeten was dat je handschrift over het algemeen al vrij onleesbaar is, maar met een vleugje emoties erbij overgaat tot spijkerschrift. En dat je dan bij jezelf denkt “AAAAARGH”, maar dat je niet mag gillen.

Oh ja en probeer maar eens om dan na 3 dagen of zoiets weer te gaan praten, met mate, terwijl je eigenlijk zo veel te vertellen hebt van al die langzame uren dat dat niet mocht. En dat je stem dan klinkt alsof hij door de pastamachine is geweest en ook een octaafje hoger of zoiets. En probeer je dan eens voor te stellen dat je naar je koor gaat wat je niet missen kunt en dat je daar dan aan de kant een beetje mag zitten luisteren en kou mag lijden maar niet mee mag doen, als een muurbloempje aan de kant gezet. En dat je dan gezellig na gaat borrelen, oké oké, ik geef toe dat ik chocolademelk dronk en dat je dan niet mee kan praten behalve als het helemaal stil is, maar ja dat was het bijna niet. En dat je dan áls je eindelijk geluid heb weten te produceren wat op praten lijkt ook nog een sssshhht naar je hoofd krijgt, omdat je niet mag praten.

En dat je dan thuis komt en het is helemaal stil

en dat dan je Whatsapp het niet doet.

HET LEVEN IS NIET EERLIJK!

Zomaar

Daar lig ik dan, als vanouds klaarwakker in mijn bedje. Ik speel een spelletje op mijn tablet om mijn gedachten te verzetten in de hoop de slaap te kunnen vatten. Het lukt niet, de tranen zitten te hoog. Ik weet weer hoe het voelde, eenzaam en alleen in het heftige verdriet. De ellenlange slapeloze nachten, de nachten van verdriet.
Er is weer iemand uit het leven geamputeerd, gewoon zomaar afgerukt en weggesneden van haar gezin. Een lid van mijn dierbare koor, het koor dat mij zo steunde na de toch behoorlijk plotselinge dood van mijn lieve Aart.
Verdorie waarom nou toch? Waarom gaan er te jonge mensen zomaar dood?
Vanavond was ik op koor, tranen over mijn wangen, zingen met een brok in mijn keel. Het voelde weer een beetje als toen, toen mijn lieve Aart zomaar dood was gegaan. Hoe geamputeerd ik me voelde. De ene week was hij er nog, de week daarna ineens niet meer. Het zingen met een brok in min keel, bijna huilen maar net niet. Ineens was niets meer hetzelfde.
Ik keek vandaag naar die lege plek in mijn koor, die plek waar zij had moeten staan. Ineens van vandaag op morgen was alles anders.
We praten over de afscheidsdienst die komen gaat, ik denk aan de onze. Aan die onwerkelijke periode en al het geregel, aan hoe het daarna echt voorbij was. We zingen het lied wat het koor op de afscheidsdienst gaat zingen en ik slik duizend tranen weg. In gedachten hoor ik nogmaals onze muziek.
Ik denk aan die keer dat ik weer naar koor ging nadat mijn lieve Aart overleed, ik werd beknuffeld, ik kreeg schouderklopjes, condoleances. Ik zong liedjes zonder te weten wat ik precies zong. Ik bleef na afloop voortaan zo lang mogelijk daar want mijn huis was leeg. Geen Aart die mij kon troosten terwijl ik hem het hardste nodig had, geen Aart meer om mee na te praten.
Ik lig alleen en verdrietig in mijn bed en voel me weer een beetje als toen. Leeg, verdrietig en eenzaam alleen, de hele wereld slaapt en ik zit hier met mijn brok en als enige vriend het geduldige digitale papier als een altijd luisterend oor. Ik heb nog zoveel onvergoten tranen.
Ik denk aan haar, zomaar geamputeerd, weg van haar geliefden en familie. Zomaar weg uit ons koor waar ze vast onderdeel van was. Zomaar dood na het eten van een broodje ossenworst of zoiets. Zomaar.

Plekje

Er is een plekje in mijn hart, een plekje waar hij rust. Uitrust van alle drukte in zijn leven, van al die moeilijke dingen, de verantwoordelijkheden, de zorgen, het harde werken. Uitrust van vechten tegen een lijf wat niet meer mee wil, wat niet meer meewerken wil. Uitrust van al het aardse gedoe wat het leven met zich meebrengt. Je weet wel, rekeningen betalen, afspraken maken, stofzuigen, naar de tandarts of de dokter moeten of de plee schrobben. Van die dingen waar je helemaal geen zin in hebt, nooit, maar die toch moeten omdat het aardse bestaan dit nu eenmaal van je vergt. Van die dingen die je dan maar doet, omdat het moet, zuchtend. Aart was erg goed in zuchten. Meester der zuchters mag ik denk ik wel zeggen. Hij zuchtte zich de dag door want ja, zo’n aards bestaan is zwaar. Liever had hij geen last gehad van al dat aardse gewicht en zich zonder dat in verhevener zaken gestort. Schrijven bijvoorbeeld, en zou pupkes schilderen er ook onder vallen?
Maar nu hoeft hij niet meer te zuchten, dat gewicht is er niet meer, hij hoeft goddank nooit meer de plee te schrobben en ik hoef gelukkig niet meer naar het geïrriteerde gezucht te luisteren. Het hoeft niet meer want hij rust in mijn hart. Leunt soms iets te hard, laat me soms niet los en houd me soms juist heel fijn vast maar rust heeft hij in ieder geval, denk ik. Hoop ik.

Maar in dat hoofd van mij, daar rust hij helemaal niet. Hij leunt niet tegen de donkere spelonken van mijn hersenkronkels en hij houd zich ook niet koest. Daar, over die onnavolgbare paden van iets dat mijn hersenen heet wandelt hij regelmatig langs door mijn gedachten. Vaak is het fijn, mooie gedachten en ik houd niet zo van rust. Maar soms, soms denk ik dat het best wel iets rustiger mag. Bijvoorbeeld als ik denk aan die grijze stoffige massa deeltjes die ergens in een kelder van het crematorium in een blik gepropt zit, of nee, inmiddels in een plastic urn. Dat kleine beetje gewicht wat er nog van mijn man over is hangt ergens rond in mijn gedachten en laat me niet met rust. Strooien of juist niet, bewaren of juist niet. Het liefst had ik alle piekergedachten over deze aardse (of Aartse zo u wilt) zaken begraven, maar ja, ik heb nu eenmaal voor een ander soort lichamelijke verwerking gekozen. Duidelijk in elk geval, er moest iets mee, iets zinnigs, iets aards en iets Aarts wat de gelederen daar binnen weer in het gareel zou krijgen. Iets wat maakt dat ik er niet meer over na hoef te denken omdat er gewoon iets ís, iets wat zo is en daarmee uit, niks geen gepieker en gepeins, gewoon een feitelijke waarheid.

Feitelijke waarheid is dat er as is, een flinke bus vol en daar kan ik niet omheen. Hoe hard ik ook probeerde afscheid te nemen van het overblijfsel van mijn man, hoe hard ik ook naar hem zwaaide in de hoop dat slechts de herinneringen zouden overlijven, hij bleef hardnekkig en eigenwijs zoals ik hem ken toch ook lichamelijk aanwezig. Die as, die as is ook van hem, het laatste stukje tastbaar Aart wat er nog is. En hoewel ik gelijk riep dat ik hem uit wilde strooien over zee en ik ook niet uitsluit dat zijn uiteindelijke lot ook word, als een zeemansgraf voor de zeiler die hij was, vroegen mijn hoofd en mijn hart nu om iets anders. Een plekje, een plekje voor hem en een plekje voor mij, voor Lucas. Iets om naar toe te gaan, om te laten zien, iets om over te vertellen. Iets om het tastbaar te maken voor dat kleine jongetje wat nooit eigen herinneringen aan zijn vader zal hebben, iets om het werkelijker te laten zijn voor hem en voor misschien ook wel voor mij.

Dat plekje heb ik nu gevonden, een tijdelijk plekje, tenminste, dat kan het zijn, maar wel een tijdelijk plekje wat ook blijvend kan zijn als ik dat wil. Flexibel, daar houd ik van.
Vandaag togen de mevrouw in de lange donkere jas en ik, met Lucas tussen ons in, die ons beiden een handje gaf alsof hij ons wilde verbinden, met een plastic bordje naar de plek. Een plek tussen al die doden, de lichamen en de bussen met as, maar ook een plek in een bos, met paddenstoelen en struiken, met boomstronken en bladeren, een rustige plek, een plek om even te zijn, om even stil te staan, om na te denken. Een plek om verdrietig en gelukkig te zijn, een plek die onderdeel wordt van ons leven. Een plekje in de urnentuin, vandaag gemarkeerd met een klein wit paaltje, binnenkort komt er een paaltje bij met zijn nummer. Want ja, zelfs in de dood ben je voor de systemen nog steeds maar slechts een nummer. En daar zet ik dan Aart bij, bij dat nummer, Aart in een potje met een nummer en een stoeltje of een kruk. Om even uit te rusten van al dat gewandel in mijn hoofd, om even stil te staan bij Aartse zaken. Of gewoon voor Lucas, om even op zijn vaders schoot te zitten, soort van dan. Om hem te kunnen horen zeggen: “ik zit op papa”. Ja, het wordt vast een heel mooi plekje.

IMG_6211.JPG

IMG_6210.JPG

Nietmeertrouwdag #2

Ik zit aan een eettafel, niet mijn eigen eettafel thuis. Ik luister door de babyfoon naar Lucas die in zijn campingbedje ligt te kletsen.
Ik ben niet in mijn eigen huis, maar in het huis van mijn leuke nieuwe man, zo man waar je s’ avonds tegen kan wegkruipen in bed, lekker warm. Dat lukt je met een dooie man niet, dus het is op zich een hele verbetering.

Gisteren zei hij, morgen is trouwdag. Ik vroeg: “wiens trouwdag”, het bleef even stil…”oh ja de mijne” zei ik. Vanmorgen vroeg hij voor hij naar zijn werk ging wat ik allemaal ging doen. Ik had het over boodschappen en foto’s inplakken, over met Lucas spelen en sokken kopen.
Pas toen hij al ruim een uur weg was bedacht ik het me weer, oh ja, onze trouwdag. Of eigenlijk zijn we niet meer getrouwd en kan ik niet vieren dat het vandaag 6 jaar zou zijn. Ik heb mijn huwelijk afgemaakt, keurig netjes afgerond. Tot de dood ons scheidt, precies zo ging het.

En die trouwdag verloopt nu al niet veel anders dan al die getrouwde jaren hiervoor. Ons éénjarig huwelijk was ik niet in Nederland maar in Vilnius, Litouwen. We hebben even gebeld en dat was het dan. Ons tweejarig huwelijk zijn we volgens mij vergeten, ons driejarig huwelijk ging bijna voorbij zonder dat we er aan dachten, tot ik om 17 uur honger begon te krijgen, bedacht dat ik eigenlijk gewoon uit eten wilde maar geen goede reden kon verzinnen en inééns realiseerde ik me dat het onze trouwdag was en dat die reden er wel was. “We gaan uit eten!” zei ik terwijl ik boven op Aarts werkkamer rond zijn stoel hupste. Hij keek bedenkelijk, veel liever bleef hij in zijn onderbroek achter de computer zitten. Maar nee, een trouwdag vergt aankleden en uit eten gaan. En zo geschiedde.
Ons vierjarig huwelijk verliep eigenlijk niet veel anders, ergens op de dag zelf ontdekte ik, wie anders, dat het vandaag die dag was. Ik zag weer een goede reden voor een feestje, dus gingen we uit eten. Sushi zal het wel geweest zijn want daar waren we allebei verzot op. Ik nog steeds, mijn goede smaak is door de dood niet aangetast.

Ons 5 jarig huwelijk hebben we niet meer gehaald, vlak na ons 4-jarig huwelijk werd Aart ziek. 4,5 kan ik nog op mijn conto schrijven, maar geen eerste lustrum. Misschien in een herkansing?

Vandaag is gewoon een dag als al die andere, onze trouwdag die we niet meer vieren. Vanavond ga ik niet uit eten maar eet ik pompoensoep. Bij de moeder van de overleden vrouw van mijn nieuwe lief. Om het even ingewikkeld te maken. Of is het gewoon zo simpel als het is? Lekker, pompoensoep!

Vernietmeerjaardag #2

Wendel + Lucas + UrnVrijdag was het alweer zo ver, Aarts tweede vernietmeerjaardag. De tweede keer dat hij niet meer jarig was, de tweede keer dat hij het niet níet kon vieren, de tweede keer dat ik moest bedenken wat ik eigenlijk op die dag wilde doen, de tweede keer dat ik dat eigenlijk niet wist. Het was wél de eerste keer dat ik al wist wat er komen ging, een doodnormale dag, bijna als alle anderen, niets om je van te voren erg druk om te maken, niet substantieel in elk geval. Dus keek ik er weliswaar niet reikhalzend naar uit maar zag ik er ook niet als een berg tegenop zoals vorig jaar.
Die verjaardag is sowieso een gek ding, Aart was bepaald geen fan van jarig zijn dus echt vieren wilde hij het eigenlijk nooit. Sterker nog, hij hoopte altijd dat zo veel mogelijk mensen het zouden vergeten zodat zijn inmiddels middelbare leeftijdsstatus niet extra benadrukt zou worden.
Overigens deed ik daar niet aan mee, verjaren moet gevierd worden! Ik hing slingers op, kocht cadeautjes en taart, zong verjaardagsliedjes voor hem en ik feliciteerde hem uitbundig. Zonde toch om een reden voor cadeautjes en feest zo maar aan je voor bij te laten gaan.
Ook heb ik een keer stiekem een feestje voor hem georganiseerd. Ik kan me niet eens meer precies herinneren hoe oud hij toen werd, dat gedoe met die cijfertjes ben ik nooit erg goed in geweest (ik heb zelfs met een rekenmachientje uit zitten rekenen hoe oud hij nu zou zijn geworden en hoe oud hij was toen hij overleed). Zoals gewoonlijk zat hij lekker op zolder te werken. Ik had hem gezegd dat ik een verrassingsfeestmaal voor hem ging koken dus dat hij op een gegeven moment niet meer naar beneden mocht. De gasten, ik meen een stuk of 6, kwamen vervolgens zonder aan te bellen een voor een zachtjes binnen geslopen. Op een gegeven moment riep ik naar boven dat het eten klaar was en of hij wilde komen. Om te voorkomen dat hij in een boxershort en een hemd naar beneden zou komen had ik wel gezegd dat ik hem bij een feestmaal natuurlijk wel aangekleed aan tafel verwachtte. Hij kwam naar beneden, al duurde dat even want dat aankleden moest nog gebeuren en ik weet niet meer precies waar in huis, maar ergens daar beneden bezorgden we hem een hartverzakking (gelukkig wisten we nog niks van al die latere hartproblemen) door ineens met een grote groep tevoorschijn te duiken. Bíjna draaide hij op zijn hakken weer om om weg te rennen, niet omdat hij het niet leuk vond, maar omdat hij zich schaamde voor zijn tamelijk afzichtelijke sandalen die hij nooit en te nimmer aan had getrokken als hij had geweten dat er gasten waren.
Geen idee meer overigens wat ik gekookt had, maar ik kan me nog wel herinneren dat ik er enorm lang mee bezig was en dat ik de boodschappen her en der had moeten verstoppen omdat hij anders door de hoeveelheden zo wel had kunnen raden dat er iets op handen was. Het werd een zeer geslaagde avond waarbij we genoten van het gezelschap en het eten.

Deze keer werd de 10 oktober een heel andere dag. Geen Aart meer om het mee te vieren maar misschien toch wel een reden voor een klein feestje? Ik besloot, met een andere man aan mijn zijde, het crematorium te vereren met een ‘ver(r)assingsbezoekje, of nou ja, dat ‘verassen’ was natuurlijk al weer even geleden gebeurd, maar dat bezoek nog niet. Het crematorium, de begraafplaats en alles er omheen, ik was er nog nooit geweest. Al die tijd stond Aarts as daar in een een asbus te verstoffen in een hoekje van de zogenaamde ‘algemene nis’, iets waar ik me een soort donkere steriele kelder met roestvrij staal en stellingkasten bij voorstel. Niet echt een plekje voor Aart, hij was tenslotte verre van algemeen, maar hij was dood, niet meer dan een hoopje stof in een blikkie, niet echt een staat van zijn waarin je nog protest kunt maken dus liet ik het zo.
Met een andere man aan mijn zijde, wat een vreemde situatie had kunnen zijn maar het niet was omdat het zo prettig voelde om gesteund te worden door iemand die ik lief heb, toog ik dus afgelopen vrijdag naar het crematorium om, in een ‘spreekkamer’ na een kopje thee gedronken te hebben, naar een plastic urn met metalen deksel te staren met daarin de as van Aart. Tja, was ik daar nou zo bang voor geweest al die tijd? Er was helemaal niets aan te zien, gewoon een stemming zwart geval van plastic met wat officiële tekenen van dat het mijn man daadwerkelijk geweest is. Zijn naam stond er op en zijn crematienummer. Ja die eer hebben alleen de gecremeerden, een speciaal nummer voor hun alleen, uniek in hun soort, veel minder algemeen gebruikelijk dan bijvoorbeeld een sofienummer.
Na deze ‘ontmoeting’ bracht de mevrouw van de urn ons in haar mooie blauwe begrafenisuniformjas in een golfkar naar het andere eind van het terrein om te kijken naar de plaatsen waar ik Aarts as eventueel al dan niet tijdelijk zou kunnen neerplanten. Ik begaf mij in de wereld van de strooiveldjes (die ik overigens niet gezien heb), urnenmuren, een urnenheuvel en een urnentuin. Van het woord urn alleen al word ik niet vrolijk maar eerlijk is eerlijk, het viel me alleszins mee. Het is eigenlijk helemaal geen nare plek om te zijn, omgeven door dood, doden en daar dan weer de nabestaanden van. Het was eigenlijk een hele mooie serene plek. Slenterend liep ik met die andere man aan mijn zijde en twee kinderen in ons kielzog langs al die plekken en kwam tot de conclusie dat het, voorlopig in ieder geval, helemaal zo gek nog niet zou zijn om daar ergens een wat mooier plekje voor de as van Aart te zoeken. Ik wil immers niet in Aarts voetsporen treden en wachten tot het crematorium na de zoveelste aanmaning om te betalen voor de algemene nis, waarin de as van zijn vader stond opgeborgen, voorstelt om de as op zo’n veld te mikken om er maar vanaf te zijn. Iets wat ze overigens gewoon jaren eerder hadden moeten voorstellen want dat had een hoop geld gescheeld. Niet omdat hij niet van zijn vader hield, maar gewoon omdat die as hem niets meer zei dan dat het een confrontatie met de dood was.

Na dit bezoek togen wij richting de stad voor een lunch en taart. Tenslotte kun je niet genoeg redenen hebben om iets te vieren. De geboortedag van Aart vieren is een goede reden. Zonder geboorte was er geen Aart geweest in mijn leven en hoe moeilijk het ook soms was met hem en hoe pijnlijk het nu ook is om hem te moeten missen, om te leven in de wetenschap dat hij Lucas niet zal zien opgroeien en Lucas nooit zijn vader echt zal kunnen leren kennen. Het was het allemaal waard. Proost!