Stil

“We kunnen er niet boven over, we kunnen er niet onder door, we moeten er dwars doorheen.” Schreef de schrijver van wij gaan op berenjacht treffend. Weliswaar over een imaginaire berenjacht, maar toch heel treffend. Verdriet moet je niet ontwijken, dat lukt je even maar uiteindelijk haalt het je in. Je zult het in de ogen moeten kijken en dan moet je er dwars door heen “zwieperdezieperdezwiep, ZWIEPERDEZWIEPERDEZWIEP,”, dwars er doorheen, niet wetende wat er zich aan de andere kant bevind.
Het is stil geweest op mijn blog, maandenlang beschreef ik hier mijn tocht dwárs er doorheen. Ik schreef over mijn ontmoetingen met het verdriet, over mijn herinneringen, over Aart, ik schreef laconiek en ik schreef vrolijk, ik schreef intens verdrietig. En nu, nu heb ik het gevoel dat ik aan de andere kant gekomen ben. Daar zit geen beer, zoals in het boek, daar zit rust, daar zit geluk, nieuw geluk. En toen werd het stil hier, want hoe kun je over nieuw geluk schrijven terwijl je maandenlang schreef over je oude verdriet. Hoe kun je over geluk schrijven als je dat héél eng vind? Héél eng! Hoe kun je daar over schrijven als je nog niet weet of het echt is? Je wil jezelf toch ook niet blij maken met een dooie mus, dooien had ik al gnoeg. Je wil het niet zo maar vereeuwigen op papier. Zo echt dan. Onomkeerbaar verliesbaar pijnlijk.
Ik denk elke dag aan Aart, hij zit in mijn hart en in mijn herinneringen. Ik vertel over hem en denk met warmte en liefde terug aan wat wij hadden. De tranen aardig droog gewaaid maar de liefde nooit bekoeld. En ik denk aan die nieuwe kans die ik zomaar krijg nu, de kans op nóg een liefde. Een kans waar een risico aan kleeft. Welkom, dit is mijn hart, wees er voorzichtig mee, het is zeer gedaan. Doe niet te lief dan ga ik gillen en blijf een beetje uit/in de buurt want dat wil ik. En bedankt voor de bloemen.
Ik heb een groot maar kwetsbaar hart, open voor wie ik liefhebben wil. Kwetsbaar voor wat ik kwijtraken kan. Leven is voelen. Niet leven is geen optie maar is wel leven dat wel? Het wiel moet opnieuw worden uitgevonden, hoe heb ik lief? Het leven. Hoe moet ik voelen terwijl ik dat eng vind? Ja dwars, dwars er doorheen, dat moet ik. Mijn hart is open, ik heb lief. Auw. Ruimte zat joh!
We kunnen er niet boven over, we kunnen er niet onderdoor, we moeten er dwars doorheen!

Advertenties

Het lot van een pak billendoekjes

Ik rook onraad toen een doordringende zwitsalgeur mijn neusgaten bereikte. Het was inderdaad al een tijdje stil, waardoor ik me had kunnen concentreren op het lezen van wat nieuwsartikelen. Reeds in de gang trof ik de eerste slachtoffers, zachte, vochtige welriekende doekjes, willoos verspreid over de vloer.
Slechts luttele meters verder trof ik ook mijn zoon die tevreden geluidjes maakte terwijl hij enkele witte zachte doekjes in een vergeten luieremmer deponeerde. Niet wéér!
Terwijl ik hem streng toesprak begon ik luierdoekjes bij elkaar te rapen. Mijn zoon, behulpzaam als altijd met zijn zeventien maanden, begon van overal uit de kamer doekjes te plukken. Een voor een bracht hij ze naar me toe waarbij hij telkens met een triomfantelijke blik wéér één onschuldig billendoekje in de lucht stak. Dankjewel schat, heel verwoed probeerde ik elk doekje weer terug in het pakje te stoppen. Het is tenslotte zonde om al die billendoekjes zo maar verloren te laten gaan, een pak van wel één euro, zomaar weg te gooien.
De doekjes bleven komen, hij had ze zorgvuldig verspreid door alle hoeken van de door hem bereikbare ruimten.
De apotheose kwam toen hij op de gang besloot om álle doekjes mee te nemen die hij vinden kon. Het bleef een tijdje stil, ik hoorde zacht gemompel en na enige tijd kwam daar mijn zoon weer om het hoekje van de deur te voorschijn, in zijn handen een grote wolk van die doekjes met allesdoordringende geur van zwitsal. Hij stak zijn handjes in de lucht en deponeerde de doekjes gauw bij mij. Toen ik naar de gang liep om de rest op te halen ontdekte ik dat hij ze allemaal had meegenomen, keurig verzameld in zijn kleine handjes met een blije lach.
Terwijl ik probeerde de doekjes terug te proppen in het nu ineens veel te klein geworden plastic pakje zag ik uit mijn ooghoek nog één doekjes in de handjes van mijn zoon. Ik stak mijn hand uit maar ik mocht het niet hebben, zíjn doekje. Hij snufte er eens lekker in, snoot zijn neus, poetste er wat dingen mee op en als ik in de buurt kwam hield hij het stevig vast.

Wat is dat toch met dreumesen en billendoekjes? Hoe vaak heb ik al niet de witte bergen van geurige natte proppen mogen betreden? Hoe vaak heb ik wel niet erger leed voorkomen toen ik dat handje in de richting van dat uitstekende witte plukje zag gaan? Het zijn ontelbare keren geweest. Ontelbare doekjes verdwenen op deze manier al onbruikbaar in de prullenbak. Maar ik pik het niet meer! Voortaan gaan ze terug in het pak waar ze vandaan kwamen. Ze mogen dan wel hun vrijheid geroken hebben, maar ik ruik ze ook. Nog steeds. En deze keer gaan ze niet meer netjes twee aan twee, nee, ik prop ze gewoon terug waar ze horen. En dan hoop ik dat ze snel hun aantrekkelijkheid verliezen voor de grijpgrage handjes van mijn zoon. Dan hoop ik keer op keer weer dat het billendoekjesleed zich niet zal uitstrekken over de gehele luierperiode. En als dat dan toch zo is, dan hoop ik maar dat die luierperiode snel voorbij is. Het potje staat al klaar, er wordt elke dag even op gezeten. “Plas dan” roep ik, maar nee, plassen op commando zit er nog niet in. En billendoekjes met rust laten helaas ook niet.

Niet meer van vandaag

Een fikse wind waait door mijn leven, blaadjes vliegen om mijn oren en regendruppels ook. Verfrissend en soms doodeng worden mijn straatjes schoongeveegd en weer bevuild door deze nietsontziende storm. Er banjerde een leuke man door mijn hart, schudde de kussens eens flink op en mijn hoofd flink door elkaar. Wat is flink eigenlijk een raar woord, ik voel me soms helemaal niet zo flink, als ik wegduik voor die storm. Nu even niet! Denk ik dan. Maar hij banjert daar nog steeds.
Net zo als het stormt is de wind door mijn haar vefrissend, mijn leven opgeschud en stil blijven staan is geen optie meer. Meegevoerd wordt ik, soms tegen wil en dank maar vaak, vaak gillend van plezier. Wiehoooo ik leef! Om vervolgens om te slaan in een help ik lééf! Best eng soms dat leven.
Ik breng dozen met boeken weg, verbouw de tuin, spreek met verloren gewaande zonen, werk aan een herinneringskist, praat met een edelsmid over een sierraad, ruim op, maak schoon en denk na, heel veel na. Ik voel en beweeg, het voelt wat roestig, soms maak ik rare sprongen en soms doet mijn hart dat ook.
Ik maak voorzichtige wiebelige bambipasjes op een weg die de naam toekomst heeft, soms probeer ik te blijven staan, terug te kijken maar mijn hoofd dat roept: “vooruit, vooruit!”. Koest hoofd denk ik soms, je maakt mij in de war.
Vandaag was ik bij ik bij een edelsmid om te praten over een sierraad gemaakt van onze trouwringen. Ideeën vlogen over en weer over de tafel, mijn basisidee bleef. Het was een goed gesprek. Toch voelde ik mij alleen en beklemd daar aan die tafel. Zo’n grote stap, op mijn wiebelige bambibenen, zomaar alleen. Het voelt als een enorme beslissing ineens. Ik ben toe aan die beslissing, maar het is gek om te beslissen over iets wat van ons samen was, terwijl ondertussen stiekem óók nog die andere man daar rondbanjert in mijn hart. Koest, ga eens op jullie plek, laat míj! Ik doe mijn ring af, dat heb ik thuis geoefend. Ik laat hem (of zou mijn ring dan een haar zijn) bij de edelsmid, ze zal onze ringen goed bewaren, in de kluis. Voor het eerst in bijna zes jaar ben ik ringloos en meer dan ooit voel ik ‘m zitten. Dag trouwring, nu ben ik écht niet mee getrouwd. Niet meer verbonden met onzichtbaar touw, vrij van tot de dood ons scheid, vrij van in voor en tegenspoed, het is niet meer, die tijd is voorbij, klaar. Maar ik mis toch die ring, die ring die daar bijna zes jaar was. Eerst als een bevestiging van ons maffe sprookje, toen als een herinnering aan wat wij samen waren en daarna als een herinnering aan wat wij samen hadden. Nu worden onze ringen samen een symbool voor ons gezin, voor wat we waren met zijn drieën, voor waar we samen zo gelukkig mee waren in die laatste weken, ik, jij en onze Lucas. Mijn ring is niet meer aan mijn hand, mijn hand is niet meer van jou Aart. De ring wordt een herinnering net als al die andere mooie dingen die we samen hadden. Gekoesterd in een klein kluisje bij mijn hart, gekoesterd maar niet meer van vandaag.

Pijpiesglas

Mijmerend zit ik op de fiets op weg naar mijn favoriete Italiaanse broodjeskraam voor mijn wekelijkse broodje geitenkaas, rauwe ham, rucola en rode pesto. Mijn gedachten mijlenver van de aarde verwijderd en op mijn neus de zon. Ik zie een auto van een glashandel en gelijk dwalen mijn gedachten weg. Ik denk aan die keer dat het glas van onze badkamerdeur vervangen moest worden. Er kwam een man van de glashandel met een stem alsof hij zijn dagelijkse portie glasscherven al had gehad. “Och” zei hij, “dit is nog het ouwe pijpiesglas, dat moake se niet meer.”. “Pijpiesglas” sis ik hees terwijl ik probeer de stem van die man na te doen. Twee seconden later kijk ik opzij, ik zie een vrouw in de deuropening van een voordeur zitten. Ze kijkt me met grote ogen aan, alsof ik haar elk moment kan komen halen. Alsof ze dacht in de nieuwste Harry Potterfilm belandt te zijn waar niets is wat het lijkt. Oh ja, ik zat op de fiets, even vergeten. Met een brede grijns fiets ik verder.

Een minuut later dringt er ineens iets tot me door. Ik dacht niet ‘dat moet ik aan Aart vertellen’ zoals ik een paar maanden geleden dacht. Ik wilde het aan mensen vertellen, maar niet aan Aart, ik dacht slechts: ‘dat had Aart leuk gevonden.’ Dat had ie ook, maar ergens tussen toen en nu is er iets wezenlijks veranderd, is Aart minder aanwezig geworden, mijn hoofd niet meer voortdurend van Aart doordrongen. Ik ben verder gegaan met leven, Aart nu gewoon ergens in mijn hart als een vanzelfsprekende aanwezigheid zonder echt aanwezig te zijn in nu.
Waar het eerst vanzelfsprekend was dat ik Aart bij thuiskomst hierover zou vertellen, grinnikend om die vrouw met de grote ogen, grinnikend ook om de gedeelde herinnering van het pijpiesglas, lijkt het nu vanzelfsprekend te worden dat dat niet meer kan. De herinneringen van toen zijn nu nog slechts de mijne, in gedachten gedeeld met iemand die er niet meer is. De nieuwe belevenissen echter wil ik nu met anderen delen. Wat raar, wanneer is dat gebeurd? Ook fijn, dat ik nu gewoon grinnikend op de fiets kan zitten zonder het melancholische nagevoel dat ik iets leuks wil vertellen aan iemand die er niet meer is, die niet meer meelacht. Het is zo zinloos, wat fijn dat ik dat nu niet meer hoef!
En gek, ja ook wel gek dat dat blijkbaar toch kan veranderen terwijl ik maandenlang heb gedacht dat ik voor altijd gevangen zou zitten in die rouw, die nare akelige diepe verdrietige rauwe rouw. Maar blijkbaar niet, blijkbaar kan rouw ook lichter worden en dat voor zo’n zwaargewicht van een man. Zijn aanwezigheid is minder grauw, minder op de voorgrond, gewoon veel meer als een vanzelfsprekend gegeven, onderdeel van mijn verhaal. En mijn verhaal gaat door, ik ga door met leven, niet meer alleen omdat het niet anders kan, maar omdat ik dat graag wil. Omdat ik weer dingen zie om voor te leven. Omdat ik blij ben, vrolijk en me weer gelukkig kan voelen, al voelt dat soms nog vreemd, alsof ik na maanden weer eens ga fietsen en moet wennen aan hoe dat ook alweer moet.

Favoriete vieze aftershave

Als een plaat die was blijven hangen leefde ik de laatste maanden mijn leven. Doen wat je moet doen met je hoofd boven water. Meer was er niet, de wereld stond een beetje stil. Stiller dan die stond vlak na Aart overlijden. Moe gestreden met mijn eigen leven, ingezakt en lichtelijk futloos. Monter hief ik elke keer mijn hoofd om door te gaan, ik deed mijn best. Maar in feite stond alles stil, glipte de dingen zachtjes aan een beetje door mijn vingers.
Tijd voor verandering besloot ik al een tijd geleden. Ik moest de zaken aanduwen om weer in beweging te komen, ergens beginnen want anders zou er niets gebeuren. Het begon met de tuin, de tuin die al jaren aan groot onderhoud toe was. Aart en ik wilden ‘m volledig opnieuw laten inrichten maar we kwamen er nooit uit en ook dat stond stil. Inmiddels ligt er een nieuw ontwerp, is mijn tuin leeggehaald en wordt hij weer langzaam opgebouwd. Ik ging op vakantie, twee keer maar liefst en tussendoor gingen ook de tuinzaken door.
Er ontstond een klein vonkje in mij, een vonkje dat weer levenslust voelde, een klein beetje energie, zin om door te gaan.
En bij zin om door te gaan hoort ook zin om af te sluiten, losse eindjes af te hechten, er een mooie knoop in te leggen. Tijd om orde te scheppen in de chaos maar vooral tijd om iets te doen aan de spullen van Aart die nog door het hele huis zwerven. Alsof ik mezelf er aan wilde blijven herinneren dat hij dood is, alsof ik mezelf een beetje straf door in elke ruimte dingen te zien om verdrietig van te worden, dingen uit vervlogen tijden. Gek genoeg zag ik ze al tijden niet meer, al die spullen, genegeerd door de tijd verdwenen ze in de achtergrond. Maar ze stonden er nog wel en vroegen aan de rand van mijn gedachten steeds om aandacht. Onrust brengend in mijn toch al niet erg rustige hoofd. Alsof je ongemerkt kilo’s zand met je mee sleept en op den duur niet eens meer weet dat je dat doet.
Het is tijd voor rust, het is tijd dat Aart een plekje krijgt. Een plekje in mijn hart heeft hij al, nu moet hij nog een plekje in huis krijgen. Want voor een dooie man neemt hij wel erg veel ruimte in. Ruimte die tijdenlang gepast was, ruimte die hij ook innam in mijn hoofd. Maar langzamerhand is dat toch anders geworden, de randjes van het gapende gat minder rafelig, geen constant bloedverlies. De waas van verdriet langzaam opgetrokken, ik kan weer kijken. Ik kan weer zien, vooruit.

Ik ruim de badkamer op, vooral mijn eigen zooi maar ook nog wat van Aart, netjes weggestopt in een hoekje, maar wel continue aanwezig. Het is mijn badkamer nu, mijn huis ook. Met gekleurde kussen op de bank alleen kom ik er niet. De ruim ik de badkamer op. Ik gooi zijn spullen weg, hup in de prullenbak er mee. Zijn favoriete vieze after shave gaat ook. Als hij die op had wilde ik hem nooit zoenen omdat hij stonk. Bah! Ik ruik aan zijn lekkere after shave, die had hij ook. Weemoed bekruipt me. Ik ruik de geur, een hele bekende geur. Maar zonder de geur van Aart is het ‘m niet. De geur die vervlogen is, zelfs in mijn herinnering.

Ik wil sneller dan ik kan, hup weg er mee, ik wil weer ademen, leven, voelen, huilen, lachen. Ik wil ruimte en wel nu. Ik zal geduldig moeten zijn, tijd heeft ook zijn grenzen maar de grote schoonmaak is begonnen, in mijn huis en in mijn hoofd. Het is tijd.

Troost van een eiland

20140706-144232-52952829.jpg
Daar zit ik dan, op een eiland waar ik al mijn hele leven kom. Met mijn ouders, met vrienden en natuurlijk ook met Aart. Twee jaar geleden hadden we hier een heerlijke vakantie. Twee weken genieten van het buiten zijn, fietsen, lekker eten en heel veel lezen. Acht maanden later werd er een piepklein jongetje geboren.
Het jaar daarop ging ik weer, alles was anders. Met dat kleine ventje maar zonder die grote waar ik nog zielsveel van hield. Dat jaar daartussen was de markering van hoe het ineens om kan slaan. Je leven in de achtbaan met helaas een niet altijd goede afloop. Het ongeluk vloog me om de oren dat jaar maar ook het geluk van een jong gezin, de geboorte van mijn prachtige zoon. En toen… Een paar maanden na de apotheose van al het ongeluk, het overlijden van Aart, was daar Terschelling. Afgesproken nog voor Aart ziek werd, een toekomstpunt waarnaar hij uitkeek toen hij op de sombere tl-verlichte mediumcare lag waar het personeel soms leek te vergeten dat de patiënten niet alleen maar medische problemen waten, maar ook personen van vlees en bloed met echte gevoelens. Terschelling was zijn troost. Hij zou weer genieten, daar op dat eiland, gelukkig zijn en misschien zelfs wel gezond.
Zo ver kwam het niet, slechts een paar maanden ervoor op een van de eerste zomerse dagen overleed hij, nog voor er samen, met ons gezin, opnieuw van het eiland hadden kunnen genieten.
Ik ging toch, naar dat troostrijke eiland waar ik al zo veel jaren kwam, met en zonder Aart. Met tranen in mijn ogen fietste ik langs de plekken waar we het jaar daarvoor ook waren geweest. Met vrienden die we samen hadden uitgenodigd, alleen hij kwam niet mee, verloren in de tijd. We waren vreemd geamputeerd die dagen maar het eiland gaf me rust en troost.
Nu zit ik daar weer, bijna een jaar later en het besef begint tot me door te dringen dat mijn leven doorgaat. Onvermoeibaar tikken de minuten door. Ik word gewoon ouder en Lucas ook. En hoewel het verdriet nog altijd schraal is, soms geen weg naar buiten vind, merk ik toch ook; de tijd schrijdt voort en dat is goed. Ik hoef niet meer stil te blijven zitten omdat zijn leven ook nooit meer verder gaat. Ik kijk voorzichtig in de toekomst en wat ik zie bevalt me wel. Mijn leven kan ook mooi zijn zonder Aart. Is ook de moeite waard zonder hem. Al zal ik altijd verlies meedragen.
Het wordt minder alleen maar Lucas die mijn leven kleurt. Ik doe het zelf, ik voel het zelf, de weg naar de toekomst van een nieuw leven wordt weer steeds meer begaanbaar. Ik begin weer te voelen, verdriet krijgt langzamerhand een plekje maar ook fijne gevoelens steken de kop op.
Verwarrend is het soms om je blij te voelen of om te kijken naar een andere man en te denken: “die wil ik wel zoenen”. Maar het is ook fijn om te weten dat het nog bestaat, dat die weg niet voorgoed is afgesneden. Ik kan ook zonder Aart gelukkig zijn, dat weet ik zeker. Het leven van Aart en mij samen stopte toen hij overleed maar hij hield een belangrijke plek in mijn hart. Die plek zal altijd blijven, bevroren in de tijd. Ik heb hem lief gehad en hij mij. Maar naast dat gat is nog een heleboel hart over dat wil voelen en blij zijn. Nu moet ik weer verder, liefhebben kan denk ik ook zonder hem. Kleine sprankjes hoop vertellen het mij.
En ondertussen verwarmt de Terschellingse zon mij geruststellend. ‘Het komt wel goed schatje’. Het zal er altijd zijn dit eiland, zo lang ik leef. Ik zal er altijd blijven komen, om me te laten koesteren door de wind, de zeelucht, en het zand, om me te laten troosten én om te genieten met iedereen die ik lief heb en gelukkig te zijn.
Volgend jaar weer?

Voebâlluh

Fanatiek juich ik bij het eerste goal. De oranjekoorts waar Nederland door getroffen is heeft ook mij in z’n greep. Ik zit alleen in de huiskamer, mini-ons speelt met de snoeren en kijkt me verwonderd aan omdat ik tegen de televisie praat. Ik kijk zelden voetbal, maar als ik het doe doe ik het goed.

Terwijl ik sta te schreeuwen te juichen wil ik naar de trap rennen, naar boven gillen dat we gescoord hebben. Weinig zinvol, op zolder zit nu niemand meer om naar te roepen. Ik mis het lauwe “oh” wat ik dan terug kreeg terwijl ik een klein dansje maakte.

Ik keek vaak alleen, geen zin om er op uit te gaan. Aart keek bijna nooit mee, die had echt helemaal niks met voetbal zei hij. Zei hij…
Maar ondertussen wist hij alles. Die enkele keer dat we samen naar voetbal keken omdat ik hem had weten over te halen zat ik met open mond van verbazing aan te horen wat hij allemaal te vertellen had. Dan bleek namelijk dat hij zelfs van voetbal wel een beetje verstand had, dat hij alle spelers bij naam kende en vaak ook nog spelers van de tegenstanders, hij wist dingen te vertellen over de coaches, ins en outs over de teams én hij snapte het spelletje prima. Nee hij had echt niks met voetbal, maar ik verdenk hem er van dat hij boven gewoon stiekem toch zat te kijken of zo.

Nu kijk ik met mini-ons, hij lijkt op ons allebei, sommige dagen zie ik duidelijk Aarts blik in zijn ogen, soms kijk ik naar mezelf. Hij kijkt verbaasd naar het scherm met rennende poppetjes en eet ondertussen rustig zijn bordje oranjevoer (puur toeval hoor) leeg met een lepel. “Aaaaart!” had ik willen gillen, “kijk, onze zoon eet gewoon met een lepel, zomaar ineens. Heb jij dat met hem geoefend?”, ik zie voor me hoe trots hij dan zou hebben gekeken.

We kunnen niet meer samen juichen, een vreugdedansje doen, high fiven. Ik juich alleen voor twee. Voor Lucas want voor voetbal heb ik ‘m nooit echt warm kunnen krijgen.