Onrijpe droom

Vijgenendruiven
Lonkend kijken de onrijpe vijgen en de volle trossen nu nog felgroene druiven me aan van onder hun bladerdak. Zou het helpen ze rijp te kijken? Zou het helpen om elke dag met ze te praten?
Jarenlang had ik een droom, een ware meisjesdroom? Nou ook ik overdrijf schromelijk, maar ergens in de schooltuintjes is ooit wel het zaadje gepland voor mijn verlangen.
Oké genoeg wollig geleuter, ik zou zo graag willen kunnen eten uit mijn eigen tuin, heerlijke sappige vruchten, kruiden en het liefst nog veel meer. Ooit op een Hilversum dakterras had ik tomaten, die nooit rijp werden, had ik wortels, die echt heerlijk waren, had ik radijsjes, die ik zelf niet eens lust en had ik een heleboel mislukte dingen omdat ik te laat was met oogsten, niet op tijd met water geven en meer van dat soort dingen.
Ook in later huizen, die wel voorzien waren van tuin, heb ik geprobeerd her en der eens wat eetbaars uit de grond te kijken. Helaas meestal met teleurstellend resultaat. Toch ben ik altijd blijven dromen, dromen van een iets realistischere moestuin. Een tuin met struiken met bessen, bramen, frambozen, zoiets. En een tuin met eetbare vruchtenbomen, ik zag ze al hangen, de overheerlijke pruimen, verrukkelijke appels en het liefst natuurlijk vijgen. Ik plante eens een bessenstruik, na drie jaar vertoonde hij een schamel trosje bessen. Zwarte bessen! Bah bah bah, zwarte bessen.
En in mijn nieuwe tuinplan stond langs de schutting leifruit gepland. Stond, want toen het duidelijk werd dat ik daar niet voor eeuwig zou blijven wonen heb ik de tuin netjes laten beplanten, maar alle uitspattingen eruit gelaten, geen leifruit voor mij.
En nu, nu hangen er grote onrijpe pruimen aan de boom van mijn nieuwe thuis, hangen er druiven te wachten tot het, weet ik veel, september is of zo.
En ineens moet ik denken aan Aart, aan het leven wat ik nu begin helemaal zonder hem. Aart die bijna een dansje maakte bij die wortels van het Hilversumse balkon. Zulke lekkere wortels had hij nog nooit gegeten. Je kunt er maar blij van worden. En ik moet denken aan de vijgen die we samen kochten in Istanbul waar we een week rondfietsten op onze vouwfietsjes tijdens onze reis door zuid-oost Europa. We kochten vijgen in grote aantallen, want we waren er beiden gek op. In het bloedhete weer werden ze nogal snel overrijp dus op een goed moment hadden we een hele zak uit elkaar vallende vijgen die we zo goed en kwaad als het ging probeerden op te eten op de kade aan de overzijde van het toeristische deel van Istanbul. Een vrouw, een ronde oudere dame met zo veel lagen kleding aan dat het lastig was in te schatten hoe rond nu eigenlijk, kwam naast ons zitten. Ze praatte tegen ons maar we verstonden er natuurlijk vrij weinig van. Toch was het gezellig, we lachten over en weer en ik bood haar vijgen aan die ze afsloeg. Toen ze mij de 3e vijg in mijn mond zag stoppen keek ze me bezorgd aan, met handen en voeten wist ze me duidelijk te maken dat ze zich zorgen maakte over mijn darmen, dat ik wel eens buikpijn zou kunnen krijgen van zo veel vijgen. Ik nam de raad van het lieve vrouwtje ter harte en stopte de vijgen weg.
Straks zijn al die vijgen rijp, ik kan ze toch niet zo maar laten verrotten? Ik ben dol op vijgen! Hoe veel zou je er kunnen eten voor je buikpijn krijgt? Gek dat Aart er niet is om ze te helpen eten en om honderd recepten te bedenken met vijg. Gek dat ze niet in ‘onze’ tuin staan maar in een ‘onze’ tuin waar Aart geen onderdeel van dat ‘onze’ is. Onze is nu een gezin met een andere lief, een hele lieve lief met een vijgenboom in de tuin. Gelukkig!
Ik schud eens zachtjes aan de vijgenboom, niks… Dan wat harder, nog niks. Ergens bovenin zie ik een groenpaarse vrucht hangen, veel te ver weg en vast nog niet rijp genoeg, ik schud nog wat harder. Niks.

Advertenties

Liefde gemengd met druppeltjes verdriet

Ik zit in de auto en rijd van mijn huis naar mijn huis. Of nou ja rijdt, ik zou lopend waarschijnlijk sneller zijn want ik sta weer eens hopeloos in de file. Een mooi moment om mijn gedachten de vrije loop te laten. Ik mijmer over waar ik nu sta in mijn leven. In de file ja. Maar ook op een punt waar ik twee jaar geleden nooit van had kunnen denken dat ik daar zou zijn, wat ik drie jaar geleden nooit van mijn levensdagen had kunnen bedenken. Mijn leven is vierdubbel over de kop gegaan in de achtbaan en nu is het ineens weer soort van normaal, voor zover leven met mij überhaupt ooit normaal wordt. Drie jaar geleden was ik nog niet zwanger van Lucas, genoten Aart en ik van het leven samen. Genoten we na van de prachtige treinreis van een maand die we gemaakt hadden door Zuid-Oost Europa en maakten we plannen voor nieuwe reizen. En plannen voor een kind.

Twee jaar geleden, mei van het jaar 2013 was alles al groots en meeslepend anders. Aart was ziek geworden en weer bijna beter, ik was ziek geworden en te vroeg bevallen, Lucas was geboren en samen maakten we plannen om met ons gezin te gaan genieten. Eerst maar eens op Terschelling zeiden we tegen elkaar, gewoon genieten van een stukje fietsen. Wijs geworden door alle gebeurtenissen hadden we geleerd om klein te denken. Maar niet klein genoeg bleek een week later toen ik Aart opeens daar zo aantrof aan zijn bureau, al het leven al weggevloeid, mijn Aart al niet meer daar toen ik hem vond.

Het jaar wat daar op volgde was een jaar waar ik me nauwelijks nog wat van herinner. Ik weet nog dat ik intens verdrietig was, ik weet nog dat ik verschrikkelijk moe was. Dat Lucas het enige was dat me er toe kon bewegen om uit bed te komen, hoewel ik me heus soms wel eens omdraaide en de deken over mijn hoofd trok om nog even vijf minuten… Maar ook dat ik er rotsvast van overtuigd was dat het allemaal weer beter zou worden, dat die mist ooit weer op zou trekken en dat ik, ja ik, die oh zo ongelukkig getroffen weduwe, weer gelukkig zou worden. Het moest gewoon, het moest voor Lucas en misschien ook wel voor mezelf.
En het gebeurde, toen het jaar rond was, alle eerste keren zonder Aart geweest, trok de mist steeds verder op. Ik kreeg het gevoel dat mijn toekomst wel weer kleur zou hebben, ingekleurd door Lucas, ja dat leek me wel wat en misschien, ooit in de verre toekomst over een jaar of tien met een nieuwe vent. Want ja, ik had eigenlijk best wel zin om te zoenen.

En toen, toen struikelde ik ineens over een man tijdens een vakantie, om te zoenen, een weduwnaar nog wel. Eentje die me in het afgelopen jaar heel dierbaar werd. En met die liefde trok de mist steeds verder op, kwam de rouw meer in rust en het gat in mijn hart lekte niet meer alleen verdriet, maar ook liefde. Heel veel liefde. Liefde gemengd met druppeltjes verdriet.
Mijn dreumes werd een peuter, de winter maakte weer plaats voor Lente en toen was er ineens dat moment daar. Wij wilden niet meer langer heen en weer pendelen tussen twee steden, steeds maar twee kinderen heen en weer slepen, steeds maar dagen met elkaar missen en onduidelijkheid. Dat was het moment dat we besloten echt samen te willen leven.

En daar op dat punt in mijn leven ben ik nu. Samen met een schat en twee lieve kinderen bouwen wij voorzichtig de staanders voor een nieuw gezin. En dat is nou het gekke…het voelt zo gewoon. Gewoon alsof dit al jaren zo is, alsof dit gezin is zoals het bedoeld was. En daarmee is het soms net alsof onze hele voorgeschiedenis een beetje wordt weggevaagd. Want als ik er niet bij nadenk, dan ben ik gewoon bezig met de was, de bergen en bergen strijkgoed die een relatie met een man die overhemden draagt en een meisje dat jurkjes draagt met zich mee brengt. Dan maak ik me druk over wat we die avond gaan eten en de boodschappen. Dan leef ik gewoon mijn leven alsof het altijd zo is geweest. Zo…raar!

Het is heerlijk, het is heerlijk om weer te kunnen ademen, om rond te fietsen en de bloemen te kunnen zien en er gewoon ongecompliceerd blij van te worden. Maar het is soms ook zó, zó ontzettend raar dat ik nu gewoon rondfiets met een bakfiets met twee kinderen er in. Zo…gewoon.

Favoriete vieze aftershave

Als een plaat die was blijven hangen leefde ik de laatste maanden mijn leven. Doen wat je moet doen met je hoofd boven water. Meer was er niet, de wereld stond een beetje stil. Stiller dan die stond vlak na Aart overlijden. Moe gestreden met mijn eigen leven, ingezakt en lichtelijk futloos. Monter hief ik elke keer mijn hoofd om door te gaan, ik deed mijn best. Maar in feite stond alles stil, glipte de dingen zachtjes aan een beetje door mijn vingers.
Tijd voor verandering besloot ik al een tijd geleden. Ik moest de zaken aanduwen om weer in beweging te komen, ergens beginnen want anders zou er niets gebeuren. Het begon met de tuin, de tuin die al jaren aan groot onderhoud toe was. Aart en ik wilden ‘m volledig opnieuw laten inrichten maar we kwamen er nooit uit en ook dat stond stil. Inmiddels ligt er een nieuw ontwerp, is mijn tuin leeggehaald en wordt hij weer langzaam opgebouwd. Ik ging op vakantie, twee keer maar liefst en tussendoor gingen ook de tuinzaken door.
Er ontstond een klein vonkje in mij, een vonkje dat weer levenslust voelde, een klein beetje energie, zin om door te gaan.
En bij zin om door te gaan hoort ook zin om af te sluiten, losse eindjes af te hechten, er een mooie knoop in te leggen. Tijd om orde te scheppen in de chaos maar vooral tijd om iets te doen aan de spullen van Aart die nog door het hele huis zwerven. Alsof ik mezelf er aan wilde blijven herinneren dat hij dood is, alsof ik mezelf een beetje straf door in elke ruimte dingen te zien om verdrietig van te worden, dingen uit vervlogen tijden. Gek genoeg zag ik ze al tijden niet meer, al die spullen, genegeerd door de tijd verdwenen ze in de achtergrond. Maar ze stonden er nog wel en vroegen aan de rand van mijn gedachten steeds om aandacht. Onrust brengend in mijn toch al niet erg rustige hoofd. Alsof je ongemerkt kilo’s zand met je mee sleept en op den duur niet eens meer weet dat je dat doet.
Het is tijd voor rust, het is tijd dat Aart een plekje krijgt. Een plekje in mijn hart heeft hij al, nu moet hij nog een plekje in huis krijgen. Want voor een dooie man neemt hij wel erg veel ruimte in. Ruimte die tijdenlang gepast was, ruimte die hij ook innam in mijn hoofd. Maar langzamerhand is dat toch anders geworden, de randjes van het gapende gat minder rafelig, geen constant bloedverlies. De waas van verdriet langzaam opgetrokken, ik kan weer kijken. Ik kan weer zien, vooruit.

Ik ruim de badkamer op, vooral mijn eigen zooi maar ook nog wat van Aart, netjes weggestopt in een hoekje, maar wel continue aanwezig. Het is mijn badkamer nu, mijn huis ook. Met gekleurde kussen op de bank alleen kom ik er niet. De ruim ik de badkamer op. Ik gooi zijn spullen weg, hup in de prullenbak er mee. Zijn favoriete vieze after shave gaat ook. Als hij die op had wilde ik hem nooit zoenen omdat hij stonk. Bah! Ik ruik aan zijn lekkere after shave, die had hij ook. Weemoed bekruipt me. Ik ruik de geur, een hele bekende geur. Maar zonder de geur van Aart is het ‘m niet. De geur die vervlogen is, zelfs in mijn herinnering.

Ik wil sneller dan ik kan, hup weg er mee, ik wil weer ademen, leven, voelen, huilen, lachen. Ik wil ruimte en wel nu. Ik zal geduldig moeten zijn, tijd heeft ook zijn grenzen maar de grote schoonmaak is begonnen, in mijn huis en in mijn hoofd. Het is tijd.

Onhebbelijk

Illustratie: Wendel Jacobs (2008)

Illustratie: Wendel Jacobs (2008)

Sommige mensen hebben, hoe lief je ze ook vind toch ook een behoorlijke lijst onhebbelijkheden. Ik ben daar gelukkig niet één van, ik ben een heel hebbelijke vrouw en heb totaal geen slechte eigenschappen. Blader maar eens naar pagina 1024 van mijn gebruiksaanwijzing, dan zul je het zien.
Aart daarentegen barste van de onhebbelijkheden, je mist ze als kiespijn.
Oké, ik spreek nu niet de waarheid. Juist de onhebbelijkheden mis ik enorm, omdat ze bij de man horen van wie ik houd en hem maakte wie hij was.

Zo kreeg hij het voor elkaar om op de ik geloof eerste officiële ontmoeting met zijn schoonouders een paasei te beschilderen met dooie beesten in een boom. Dat was op dat moment, ten tijde van één of andere veeziekte, een nieuwsitem.
Op dat moment wist ik echt niet wat ik er van vinden moest, ik schaamde me voor die overduidelijke sabotage van onze traditie van het paaseieren schilderen. Nu moet ik gniffelen om het moment en ben ik stiekem trots dat hij zelfs van paaseieren schilderen een journalistieke bezigheid kon maken. Hij had talent!

Ook kon Aart absoluut niet masseren. Elf jaar lang heb ik het hem als een drillsergeante geprobeerd bij te brengen, maar nog steeds snapte hij niet dat het niet prettig was als hij om de twee seconden hard op een andere plek ging porren en dat als ik kreunde van de pijn van een zich voorzichtig ontspannende spier, dat hij dan juist nog even door moest gaan. Ik moet hem wel credits geven dat hij het zo lang met me heeft volgehouden, want hij vond masseren écht geen leuke bezigheid.

Het ouderwetse gentlemanschap wat Aart vaak sierde had ook een andere kant. De emancipatie leek af en toe volledig aan hem te zijn voorbij gegaan. Hoewel hij vaker kookte dan ik en zijn eigen overhemden streek bleef hij stelselmatig verkondigen dat hij vond dat ik dat moest doen. Ik als vrouw hoorde hem na een lange werkdag te vertroetelen, zijn sloffen en een krantje moesten al voor hem klaar liggen, een potje pruttelend eten op het vuur en uiteraard een hele rits gestreken overhemden in de kast.
Dat moet een deceptie voor hem zijn geweest want als ik ergens niet voor in de wieg ben gelegd is het wel om een goede huisvrouw te zijn. Zijn overhemden hingen zelden gestreken in de kast. Sterker nog, meestal lagen ze in een berg bij de schone was; die kreukels die je dan krijgt, daar kon geen strijkbout tegenop.
Ik heb hem in een goede bui nog wel een keer zijn pantoffels gebracht hoor, je moet elkaar toch een beetje plezieren in een relatie af en toe.

Ik kan nog wel een tijdje doorgaan, maar ik houd het bij nog één onhebbelijkheid, want over de doden niets dan goeds toch?
De ergste onhebbelijkheid vond ik wel zijn belabberde timemanagement. Dan heb ik het niet over de eindeloze hoeveelheid stukken die hij de nacht voor de deadline schreef want dat moest hij zelf weten, bovendien waren ze altijd voor de deadline klaar en had ik er, behalve dat ik dan om drie uur ’s nachts een stel kouden voeten moest verwarmen, niet heel veel last van.
Nee ik heb het over die ontelbare keren dat hij een kwartier voordat we weg moesten nog in zijn boxershort en T-shirt achter zijn bureau zat en altijd als ik hem er aan herinnerde dat we bijna weg moesten zuchtte hij (nog zo’n onhebbelijkheid) en sprong hij vervolgens ‘nog even gauw’ onder de douche om vervolgens nog lekker tien minuten te gaan poedelen, nog kleren uit te moeten zoeken en dan nog ‘gauw even’ een boterham te gaan eten. En als ik geluk had en hij was wel een keer klaar op de tijd dat we weg moesten dan moest hij steevast ‘nog even’ naar de wc terwijl ik al in de auto zat te wachten.
In Steenwijk, waar het wc-raampje grensde aan de oprit heb ik een keer ongeduldig de motor gestart en heb heel asociaal gas zitten geven. Hiiiiiiing, hiiiiiiiiiiiing, hiiiiiiiiiiiiingngngng. Aart vertelde later dat hij bijna over de rand van de pot had gepiest van het lachen.
Maar het irritantste van dit hele verhaal was dat ík vervolgens het verwijt kreeg dat hij zich met mij ‘altijd’ moest haasten. Hij had een gruwelijke hekel aan zich haasten, maar waarom hij dan niet gewoon op tijd begon met zich klaar maken om weg te gaan is mij nog steeds een raadsel.

Ja, het was een onmogelijke man, irritant, bazig en koppig, de gebruiksaanwijzing was zoek, hopeloos. Ik vind doodgaan trouwens ook een tamelijk onhebbelijke eigenschap.
Ik mis bazig en koppig, ik mis gezucht bij alles wat hij niet wilde maar toch deed, ik mis zijn sabotage van mijn planning. Hoewel zijn zoon een waardig opvolger is, dat moet gezegd. Ik kom zélden nog echt op tijd. Slapen terwijl je nog boodschappen moet doen. Je kleren onder spugen terwijl je net schone aan hebt. ‘Nog éven’ gauw die luier vol poepen op het moment dat we weg gaan. Aard(/t)je naar zijn vaartje noemen ze dat geloof ik.

Dokter Bob

Sinterklaasgedicht van Aart aan mij over dokter Bob, jaren geleden.

Sinterklaasgedicht van Aart

Een jaar of zeven geleden deed dokter Bob zijn intrede in huize Brouwer. Na al heel wat heupgelazer kwam ik bij een serieuze orthopeed in Amersfoort terecht. Na de eerste of tweede afspraak vroeg Aart mij wanneer ik weer naar dr. Bob moest. Verwarring alom want ik was er toch echt van overtuigd dat deze dokter Hans heette. Ik verbeterde hem en zei dat ik dacht dat zijn voorletter J. vast voor Johannes stond, Hans dus. Maar tot mijn irritatie én hilariteit bleef het dokter Bob. Toen dokter Bob me doorverwees naar andere specialisten kwam ik er achter dat dokter Bob diep zat bij Aart. Ze heetten namelijk allemaal dokter Bob voor Aart. Het was wel makkelijk, er kwamen er zo veel voorbij dat we écht niet al die namen konden onthouden. Één arts werd door Aart na een eerste ontmoeten onmiddellijk weer onttroond, de beste man was de titel dokter Bob niet waardig. Aart vond het maar een pennenlikker en een ambtenaar, dag dokter Bob.

Hoewel het hem gruwelijk irriteerde dat ik van dokter naar dokter moest, omdat hij nu eenmaal zelf een hekel had aan ziek zijn, ziekten, ziekenhuizen en alles waar maar het woord dokter of ziekenhuis in voor kwam, was hij wel mijn trouwe steun en toeverlaat. Hij ging elke enigszins belangrijke afspraak mee om als mijn tweede paar oren en kritisch echtgenoot te functioneren. Hij stelde de vragen die ik vergat en samen bespraken we wat er nóu toch weer ging gebeuren. Bij slecht nieuws of wederom onzekerheid troostte hij mij met een dikke knuffel. En daarna moest ik er maar over ophouden want er over práten wilde hij niet.

Toen ik op een gegeven moment wel 4 dr. Bobs had begon hij wel een beetje te zuchten te te steunen. Maar naar dokter Bob in Delft ging hij altijd trouw mee. Hij wilde met eigen ogen zien dat zijn vrouw daar goed behandeld zou worden, wie in mijn vrouw snijdt, snijdt in mij leek hij soms wel eens te denken. Hij legde dr. Bob regelmatig het vuur aan de schenen over de te verwachte resultaten. En toen dokter Bob besloot de boel maar eens uit de kom te trekken teneinde er in te kunnen hakken en zagen zat Aart in de centrale hal op mij te wachten tot ik van de uitslaapkamer af mocht. Hij zat aan mijn bed en maakte steevast grapjes met de buren. Of over de buren.

De voorgaande maanden heb ik het bewust rustig gehouden met alle dokter Bobs, ik had wel even wat anders aan mijn hoofd.  Maar nu is het grote feest weer begonnen. Dokter Bob #1 sneed in mijn vinger om die grote bult weg te halen die in de weg zat, de tweede bobbel ‘crushte’ hij en passant nog even met zijn vingers. Dokter Bob #2 stuurde me naar dokter Bob #3 die me een 4th opinion gaf en weer terugstuurde naar dr. Bob #2 die daarop besloot met te pesten met een fijn onderzoekje met naalden in gewrichten, contrastvloeistof en een half uur doodstil liggen in een mri-herrieding. Dokter Bob #4 die overigens zeker weten Hans heet, pielt ondertussen in mijn ADHDerige hoofd met medicijnen waar ik bar slecht op reageer en dr. Bob #5 probeert vanaf die zelfde kant mij aan het slapen te krijgen. Ik reis van Ede naar Zeist naar Delft en ook het ziekenhuis in Amersfoort verblijd ik met bezoekjes. En ik weet het zeker, Aart was boos geweest. Boos op al die dokter Bobs dat ze me zo pijnigden. En dan had ik stoer gezegd dat het heus allemaal wel goed zou komen, gewoon even tanden op elkaar.

Maar hemeltjelief, wat zou ik graag Aarts dokter Bob gemopper willen horen, zijn oordeel willen horen over wat de medicatie met me doet en vooral gewoon, gezellig samen in de auto naar Delft, Voorburg, Leiderdorp of andere uithoeken. En dan gezellig keuvelend na afloop een strand opzoeken, een wandelingetje maken, onze geliefde zeelucht opsnuiven, knuffelen en zoenen op het strand. Want op het strand moet er altijd gezoend worden, dat vraagt er gewoon om. En daarna naast elkaar aan een tafeltje, een beetje tegen elkaar aan zittend genieten van heerlijke sushi. Aart onder het genot van sake, want ik rijd toch en ik onder het genot van, ja iets fris dus. En dan ’s avonds naar huis rijden in het donker en na 10 minuten gesnurk naast je horen terwijl hij je wel wakker zou houden tijdens de rit naar huis.
Ik mis dokter Bob, ik mis zijn hardnekkige aanwezigheid in huize Brouwer. Nu is het gewoon dokter Hans, dokter, Ralph, dokter voornaamonbekend, dokter Reinier (enz.) want er is geen Aart om ze stug allemaal dokter Bob te noemen. Ik mis twee armen die me altijd steunen.

Verlangen naar wat nooit had zullen zijn

IMG_0862

Soms verlang ik naar het ideale gezin, naar die relatie met die man waar ik na 37 jaar nog van houdt, met wie ik wel onenigheid maar nooit ruzie heb. Dan verlang ik naar het hebben van een vakantiehuisje aan zee waar ik elk weekend en elke vakantie met mijn man en kinderen naar toe ga, wat ik heb ingericht met wrakhout en als we dan terug komen in ons DIY (do it yourself) huis waarin we zelf de meubels hebben opgeknapt, dan kruipen we lekker tegen elkaar aan bij de open haard elke avond, want het verveeld nooit en op zondagmorgen krijg ik dan ontbijt op bed. We hebben drie hartstikke leuke kinderen met blonde haren, een meisje en twee jongens, of twee meisjes en een jongen? Een tweeling misschien?

Ik lees over ze in tijdschriften en slik een brok weg. Verdriet omdat Aart en ik dat niet meer hebben, een gevoel van heimwee naar toen. Dat ideale gezin van de boekjes waar je brokken van krijgt in kelen bij het lezen. Maar het is niet waar, het klopt niet. Wij hadden niet dat ideale gezin en de kans dat we dat wel zouden krijgen was echt nihil, zo zaten wij gewoon niet in elkaar.

Ten eerste was daar het leeftijdsverschil, natuurlijk kan ik dat romantiseren, oh hij was zo jong van geest. Maar dan lieg ik, hij was gewoon Aart, 55 jaar al wilde hij daar echt niks van weten. Hij vond zichzelf een oude lul en eerlijk gezegd was hij dat af en toe ook. Mijn lieve oude lul, dat wel en gelukkig bleef hij in vele opzichten ook nog gewoon die kleuter die hij altijd al in zich had. Dan stelde hij zich aan als een klein kind met een heel hoog stemmetje, soms vroeg hij of hij bij zijn vriendjes mocht spelen. Natuurlijk had hij mij toestemming niet nodig, maar of ik hem dan ook wilde brengen en halen. Hij ging met soldaatjes spelen, gelukkig maar, dan had ik ook af en toe even het huis voor mezelf alleen.

Ruzie hadden we zeker wel, toen we samenwoonden in een behekst eenkamerappartementje 3-hoog achter in Amsterdam maar ook toen we gewoon in een eengezinswoning trokken met zijn tweetjes en alle ruimte hadden. Dan was ik boos omdat hij niet praatte en hij praatte niet omdat hij boos was dat ik boos was. Dat was geen onenigheidje, dat was gewoon vuurwerk met vonken en duizendklappers. Niet dat Aart zo van dat vuurwerk was, die hield liever zijn mond en dan kreeg hij van mij die duizendklapper, want ik kon daar niet zo goed tegen. En ruzie over troep, hij was boos op mij dat ik er zo’n zooi van maakte, ik weer boos op hem dat hij niet een beetje meehielp. Ja, we hebben heel wat tropenjaren gehad, een wonder eigenlijk dat we überhaupt ooit nog aan trouwen en een kind toe zijn gekomen zou je bijna zeggen.

Elke avond samen tegen elkaar aan bij de openhaard zat er ook niet zo in bij ons. Eigenlijk zaten we zelden samen beneden. Aart haatte televisie en van de openhaard krijg ik prikogen en gaat het stinken in huis. We waren wel bijna elke dag samen thuis dus misschien was het ook wel ter voorkoming van al te veel ergernissen. Ik zat dan in mijn atelier en hij op zijn werkkamer een verdieping hoger. Regelmatig kwam hij langs gewandeld om even bij me te buurten of riepen we om beurten dingen naar elkaar door onze open deuren. Andere keren kroop ik in de leunstoel naast zijn bureau en kletsen we. Soms stuurde hij me weer weg als hij moest werken en dan smeekte ik hem of ik mocht blijven als ik heel stil zou gaan zitten lezen. Mijn smeekbedes was hij niet tegen opgewassen dus dat mocht altijd. Soms lukte het me wel om me te begraven in een boek maar regelmatig verzuchte Aart na een uur dat ik toch weg moest (“je moet weg” zei hij dan letterlijk). Niet kletsen is best moeilijk hoor als je naast zo’n leuke man zit die je van alles wil vertellen!

Dat vakantiehuisje droomden we vaak van, maar eigenlijk waren we totaal ongeschikt voor zoiets. Een huisje aan zee, waar hij kon gaan schrijven en ik illustreren. Waar we de hele zomer zouden doorbrengen. Ja dromen hadden we genoeg samen maar meestal kwam er bar weinig van terecht. Een combinatie van mijn gebrek aan aandacht, ik was in het begin altijd enthousiast maar als iets niet gelijk van de grond kwam vergat ik het gewoon weer, en zijn gebrek aan initiatief. Ja, hoe zeer hij ook een gentlemen was die deuren voor me open hield, mijn jas aanpakte en mijn stoel aanschoof, intitiatief nam hij bijna nooit. Ik was degene die hém verraste met een nachtje weg, die voorstelde om ergens te gaan eten of om er op uit te gaan, die hem ontbijt op bed bracht en die voorstelde om op reis te gaan of op vakantie en die dat vervolgens uitzocht én boekte. Hoezo romantisch?

Maar hoe verschillend we ook waren, we waren wel gewoon verschrikkelijk verliefd op elkaar in het begin. En naarmate die jaren vorderden veranderde verliefd langzaam in lief. Hij werd liever voor mij, praatte wat meer, ik liever voor hem, dan vroeg ik of hij iets wilde terugzeggen vóór ik zou ontploffen. En naarmate we beter met elkaars kronkels om konden gaan gingen we steeds meer van elkaar houden. We kropen bijna in elkaar en hadden het goed samen. Aart zou trouwens braken als hij deze laatste zin had gelezen. Zondagochtend kreeg ik meestal geen ontbijt op bed, maar deden we andere hongerige dingen.

Als we samen op reis of vakantie waren dan waren we op ons best. Geen beslommeringen van thuis, ergernissen over elkaars troep, niet hoeven koken of huishouden of rekeningen betalen maar gewoon alleen maar genieten en bij elkaar zijn. We konden heel goed bij elkaar zijn. Toen we eens de hele maand september rondreisden weken we nauwelijks van elkaars zijde. Niet dwangmatig, we genoten juist heel erg van elkaars aanwezigheid en van elkaars genieten. Nog steeds moest ik Aart nog ongeveer de berg op slépen, maar we deden het wel. Achteraf was hem die berg op slepen tamelijk riskant, hij had waarschijnlijk toen al dat aneurysma en andere hart- en vaatproblemen, maar gelukkig waren wij (lang) in onwetendheid.

En initiatief nam hij ook op het juiste moment toen hij midden in een van mijn befaamde huilbuien voor me op de grond op zijn knieën ging zitten en me ten huwelijk vroeg. Ik mocht vervolgens het hele huwelijk regelen, maar hé, wat wil een vrouw nog meer? En trouwen met Aart was ook heel romantisch, wie wil er nou niet met een gentleman trouwen? En toen kregen we ook nog een kind!
Het einde had moeten zijn: toen leefden ze nog lang en gelukkig. Maar het werd, helaas zoals we elkaar beloofden bij ons huwelijk: tot de dood ons scheidt. En nu mis ik mijn rare niet zo ideale echtgenoot en het maffe maar dolgelukkige gezin dat wij waren gaan vormen. En droom ik stiekem over hoe het nooit had kunnen zijn want niemand kan bewijzen dat het niet zo was geworden.

Arme mensen

Arme mensen om mij heen denk ik soms. Ik heb af en toe de neiging om ietwat hardvochtig te zijn. Mensen schrikken zich vaak het apenlazarus als ik zeg: “nee, ik heb geen man meer, die is dood” of “nee Lucas heeft geen vader meer, die is dood.”. Dan schrikken ze trouwens nog erger want Lucas is natuurlijk nog maar een baby. Dan zie je ze denken: dat kan nooit lang geleden zijn geweest, hoe zit dat?

Soms loop ik door de supermarkt en denk ik: nu loop ik hier en iedereen denkt dat ik gewoon een moeder ben die boodschapjes doet. Een gelukkige jonge moeder want met een baby ben je natuurlijk onderdeel van een gelukkig jong gezin. Ik moet af en toe echt de neiging onderdrukken om niet te gaan gillen: “Hallooo, jongens, KIJK dan toch eens, ik ben geen gelukkige jongen moeder. Ik ben weduwe, mijn man is DOOHOOOOD en Lucas heeft geen vader meer.”.
Maar ik doe het toch maar niet. Die arme mensen, ik denk dat ze niet zouden weten waar ze moesten kijken. Ik denk dat ze misschien wel een busje voor me zouden bellen ook. Hoewel, er lopen wel meer mafkezen rond daar, maar die zijn gewoon gek. Ik ben niet gek maar gek geworden. Ach zo sneu he, een moeder met kindje en dan zo’n zotte kop, zielig ook. Het schrikbeeld van elke vrouw, man etc.

Meestal denk ik dat ik gewoon nog op aarde sta, de eerste maanden na Aarts dood zweefde ik er een metertje of wat boven, maar ik denk dat ik geland ben meestal. Toch zijn er ook dagen, weken dat ik daar aan twijfel. Dan vraag ik me af of ik er niet toch stiekem nog boven zweef. Dan kijk ik naar mijzelf, naar mijn leven en voelt het alsof ik niet helemaal hier ben. Alsof ik het van buitenaf beschouw. Dan merk ik dat ik het gewoon niet helemaal snap, dan snap ik niet goed waar ik ben en wat ik voel. Niet dat ik nu volledig de kluts kwijt ben hoor, wees niet bang jullie hoeven geen busje voor me te bellen. Niet nodig ook ik ga al naar de gekkenafdeling. Maar ik ben regelmatig verbaasd over dat een mens zo lang verdrietig kan zijn, dat ik dat kan. Soms ben ik verbaasd dat ik niet meer voel, soms kijk ik vol verwondering naar de totale chaos in mijn hoofd. Soms snap ik gewoon niet dat het niet zo werkt dat je jezelf even herpakt en weer verder gaat, hoe zeer ik mezelf die opdracht ook heb gegeven.

En andere keren snap ik het heel goed. Rouw, ik ben in de rouw en hoewel ik dat niet wil sijpelt dat door in mijn hele leven. En wat krijg je als je rouw+zwangerschapsvergiftigingnaweeën+ADHD bij elkaar optelt? Totale chaos! Ja dat is een ding dat zeker is. En als ik het zo bekijk dan ben ik soms ook best gewoon trots dat ik er nog sta, dat mijn huis er nog staat en dat mijn kind gewoon elke avond te eten krijgt. Dat mijn kind nog geen kranten in zijn broekje heeft gekregen omdat de luiers op waren en dat ik hem nog nooit heb laten ontbijten met cake omdat het brood op was.
En de moraal van dit verhaal: Ik moet het maar gewoon accepteren, ik zit op een raar eiland waar ik niks van snap, cultuurshock tot en met. Ik roei maar met de riemen die ik heb, eilanden komen meestal niet vooruit, maar zo blijf ik in elk geval in training tot er een bootje komt. En misschien is hier ook nog wel wat moois te halen.