Droom

Illustratie: Wendel Jacobs

Illustratie: Wendel Jacobs

Het komt niet vaak voor dat ik droom. Tenminste, niet dat ik weet. Over het algemeen slaap ik maar zulke kort stukjes nacht dat er volgens mij weinig tijd overblijft om te dromen. Als ik dan toch gedroomd heb ontglipt die droom me vaak voor ik goed en wel wakker ben en kan ik hem met de beste wil van de wereld niet meer te pakken krijgen.

Vanmorgen werd ik om 6.15 u wakker, ging naar de w.c. en sliep daarna weer verder, niks wat me herinnerde aan een droom. Een uurtje later werd ik wakker van Lucas vrolijke geluidjes uit de kamer naast de mijne. Ik haalde hem op en samen in mijn kamer sliepen we nog wat verder. Uiteindelijk lag ik nog een beetje wakker te worden terwijl Lucas al lang klaar voor de dag was. Zo gaat dat wel vaker, sinds ik regelmatig maar een paar uur per nacht slaap ben ik ineens geen ochtendmens meer.

Ik gaf Lucas de fles en speelde wat op mijn ipad terwijl Lucas probeerde zelfstandig het laatste restje pap uit de onderkant van de fles te lurken toen ineens een gedachte in me opkwam: ‘Aart is niet dood.’. Hmmm vreemde gedachte, ik weet heel zeker dat dát niet klopt. Ineens komen er meer beelden en snap ik het, ik heb gedroomd. Waar mijn dromen normaal vervliegen als ik ze niet even goed beet pak, is deze blijven hangen door het onderwerp.

Ik droomde dat Aart niet dood was, dat ik mensen moest gaan vertellen dat het niet klopte. Die mensen vonden dat maar raar dus ik zei: “Ja we dachten wel dat hij dood was, maar dat was toch niet zo.”. In mijn hoofd spelen de beelden van hoe ik hem vond zich af, maar aan het einde was hij niet dood maar ging hij toch weer ademen. Hij was wel bijna dood en we hadden echt een tijdje gedacht dat hij dood was, maar uiteindelijk kwam hij weer uit het ziekenhuis en was hij weer thuis. Hij ging Lucas zou voorlezen zoals we hadden afgesproken. Maar, in mijn droom was ik ook realistischer dan verwacht want ik droomde ook dat hij dan nu wel bij me was gebleven maar dat het toch elk moment gepiept kon zijn. Ik kon me goed voorstellen hoe akelig dat zou zijn als een soort vooruitblik op de toekomst. In het echt weet ik natuurlijk wel hoe dat voelt. Ik melde me af bij een lotgenotengroep wat ik eigenlijk heel jammer vond want het was daar zo gezellig en fijn. Ze waren zo blij voor me dat mijn man toch nog leefde maar dat ze me zouden missen en ik riep: “Don’t worry, I’ll be back!”.

Dat klopt, Aarts hernieuwde leven eindigde met het eindigen van die droom. Jammer de bammer!

Advertenties

Voorleespapa

Illustratie: Wendel Jacobs

Illustratie: Wendel Jacobs

Toen ik zwanger bleek te zijn wist Aart het al, hij zou voorleespapa worden. Hij zei dat hij misschien geen echte voetbalpapa of huttenbouwpapa zou worden, maar dat hij wel een goede voorleespapa zou zijn. Deal! Zeiden we tegen elkaar, ik word wel huttenbouwmama dan.
Toen hij ziek was voelde hij zich regelmatig schuldig over zijn vege lijf en het gebrek aan energie voor wat dan ook. Maarrr….zeiden we dan tegen elkaar, jij wordt voorleespapa, een hele lieve leuke voorleespapa! Wie wil er nou niet zo’n leuke voorleespapa?
Dat hij dat goed kon wist ik al want ik heb hem jarenlang horen voorlezen aan zijn twee oudste zoons. Die hingen als hij voorlas aan zijn lippen en o wee als er een keer niet voorgelezen werd, dat was de grootste straf die er maar kon zijn. Soms moest hij meerdere keren per dag voorlezen, maar áltijd las hij voor voor het naar bed gaan. Soms urenlang, dan werd het veel te laat. Soms dezelfde boeken keer op keer en onvermoeid verzon hij dan gekke of mooie stemmetjes voor de verschillende karakters. Er ging iets heel rustgevends uit van die warme diepe stem die zonder haperen voorlas. Hij kon dat echt heel goed.
Toen Lucas geboren was bladerde Aart verrukt in elk boek wat we van het kraambezoek kregen. Hij kon niet wachten! Hij zou voorleespapa worden, misschien dan wel geen voetbalpapa, maar wie heeft er nou een voetbalpapa nodig als je een liefhebbende voorleespapa hebt?!
Soms probeerde ik Aart zo ver te krijgen dat hij 5 of 8 weken oude Lucas voor zou lezen, gewoon om naar zijn stem te kunnen luisteren, Lucas…en ik. Maar hij vond dat echt onzin. Hij hield wel hele gesprekken met hem over wat hij later zou worden (astronaut en hockeyer) en over andere wereldzaken maar voorlezen dat kon écht nog niet. Hij kon niet wachten tot Lucas ‘oud genoeg’ zou zijn om écht door hem voorgelezen te worden. Niet uit een prentenboek maar uit Tommy Station en uit het Chinese sprookjesboek, van Don quichot en Robinson Crusoe en uit  Ilias en de Odyssee.

Een week geleden heb ik eindelijk Lucas kamer fatsoenlijk opgeruimd en plek gemaakt voor hem om te spelen. De schommelstoel staat nu bij het raam met een schemerlampje, op het kastje een rij boeken. En toen was het zo ver. Die stoel staat daar al tijden werkeloos te wachten op zijn bewoner en de boekjes smachten ernaar om gelezen te worden. Dus pak ik sindsdien elke avond een boekje en lees ik Lucas voor, verzin ik leuke stemmetjes, voor elk karakter een. Soms moet ik even slikken, want dit was zijn plekje en zijn taak. Maar op die momenten denk ik heel hard aan hem en lees voor zoals ik denk dat hij dat gedaan zou hebben. Ik heb nog wel wat oefening nodig. Ik val soms uit mijn rol, haal stemmen door elkaar en lees de geit voor met de stem van de mol en ben nog bezig met poepgeluiden als er alweer gepraat moet worden. Ik had het graag gehoord, Aart, serieuze voorleespapa die poepgeluiden zou maken bij ‘De kleine mol die wilde weten wie er op zijn kop gepoept heeft’. Hij had het vast met verve gedaan hoewel ik me wel afvraag of ze zo levensecht zouden zijn geweest als ik ze doe. Want hee, als ik dan voorleespapa moet zijn dan doe ik het ook goed. En Lucas? Lucas vind het geweldig. De eerste keer schaterde hij het uit, nu zit hij steeds vol verbazing omhoog te kijken naar wat voor fratsen ik allemaal uithaal en moet lachen als ik een raar stemmetje op zet. Van poepgeluiden is hij inmiddels niet meer echt onder de indruk dus doe ik mijn stinkende best ze tot in de puntjes te perfectioneren.

Beetje rauw

23-10-2008

23-10-2008, trouwdag

Vandaag zat ik bij de psychiater, het was een raar en warrig gesprek. Ik kwam daar vanwege mijn ADHD en hij begreep maar niet wat ik nou eigenlijk zei. Ik denk dat het was omdat hij gewoon niet goed zat op te letten, maar het kán natuurlijk ook zo zijn geweest dat ik me ietwat warrig heb uitgelaten. Hij had mijn dossier gelezen, maar had duidelijk gemist dat ik weduwe was want op mijn meisjesnaam kon hij me niet vinden in het systeem van het ziekenhuis. Hij begreep er niets van, vroeg of hij mijn geboortedatum wel goed had en uiteindelijk na een hoop gedoe vroeg hij of ik soms getrouwd was geweest met iemand en die naam eerder had gebruikt… Eh ja, getrouwd ‘geweest’, ja. En ja, het ziekenhuis heeft mij inderdaad omgedoopt tot mevrouw Brouwer-Jacobs toen we tegelijk in het ziekenhuis lagen. Het is verwarrend, is mijn huwelijk voorbij? Je sluit een huwelijk tot de dood je scheid. Ik kan wel stellen dat dat gebeurd is dus dan zou dat voorbij zijn. Maar ik ben wel voor de rest van mijn leven weduwe. Bah wat een rotwoord; het dekt precies de lading.
De conclusie was dat ik maar in januari terug moest komen in ‘het nieuwe ziekenhuis’, eerst maar eens werken aan mijn PTSS (oh heb ik posttraumatische stressstoornis dan? Waarom weet ik niets van die diagnose?) en nadenken over wat ik wil (ik wil wél magische pillen maar geen ellende meer, is dat nou zo veel gevraagd?).

Morgen. Morgen heb ik EMDR. Een beetje vaagsoortige therapie waarmee men vaak snelle en goede resultaten boekt in het geval van trauma’s. Misschien komt daar mijn PTSS dan wel daar vandaan? Of misschien heb ik dat inderdaad wel gewoon. Eenentwintig weken en twee dagen geleden (nee dat houd ik niet bij, dat moest ik natellen in mijn agenda) liep ik rond half twaalf de trap naar zolder op om Aart te wekken die in de logeerkamer sliep. Dat deed hij omdat hij al zijn energie nodig had om te herstellen en het er niet bij kon hebben om een paar keer per nacht wakker te worden van onze lieve kleine Lucas. We vonden het allebei jammer maar hadden er ons bij neergelegd en namen elke avond afscheid onderaan de zoldertrap. Dat hadden we de avond ervoor ook gedaan en ik had nog een keer gezegd dat ik hem zo miste bij me in bed, hij heeft me nog extra stevig geknuffeld. Hij miste mij ook ’s nachts.
Ik kwam boven en vanaf de trap zag ik Aart al zitten; ik wist het gelijk. Hij is dood. Mijn eerste gedachte: “Oh nee, nu is gebeurd waar ik zo bang voor was.”, het gebeurde alleen op een voor mij totaal onverwachts moment. Ik was echt in de veronderstelling dat hij aan het uitslapen was. Ik bedacht me dat ik 112 moest bellen. Ik voelde nog even in zijn nek, koud, echt dood, zoals ik al wist, belde 112 en zei: “Ik heb zojuist mijn man dood gevonden.”, ze hebben me nog gevraagd hoe ik dat zo zeker wist dat hij dood was. Geloof me, dat wist ik zeker, dat kon ik voelen en heel goed zien.

Nu, eenentwintig weken en twee dagen later is dat beeld nog steeds bij mij, het achtervolgt me, elke dag weer. Het sleurt me erbij op het moment dat ik net even rustig zit, het bezorgd me kippenvel in bed en angstige momenten om Lucas, het bezorgd me akelige gedachten, hartkloppingen en vooral heel veel onrust. De angst die ik toen voelde, de schok die er toen door me heen ging, die ervaar ik nog dagelijks, bevroren in de tijd. De rest van mij is verder gegaan, verder met verwerken, maar dat ene beeld is als een plaat die is blijven hangen. Een diepe groef waar ik niet meer uit kan klimmen. Niet zelf.
Dus heb ik morgen voor de eerste keer EMDR. Het houdt me bezig en het houdt me vast zoals dat beeld me vast houd. Of misschien houd ik het wel vast, koester ik het als mijn laatste intieme moment met Aart.
Ik hoop dat vanaf morgen een klein beetje los mag laten, dat ik het mezelf gun om weer een beetje verder te gaan, een beetje verder van Aart vandaan, omdat het moet. Omdat ik niet kan leven terwijl ik zo omstrengeld wordt. Omdat bevroren liefde zo verstikkend wordt.

Ja auw!

De boekenman

Aart bij de boekenkast

Aart bij de boekenkast

Jarenlang waren we bezig om in huis zo veel mogelijk boekenkasten te maken. We bouwden ze zelf, hingen planken aan de muur en maakten Billy’s tot aan het plafond. Jarenlang probeerde Aart doosje voor doosje alle boeken een plekje te geven. Een hopeloze zaak want de ene week kwam hij met 3 boeken thuis na de redactievergadering van woensdag, de andere keer met 10. Gekregen op de krant of opgeduikeld in een boekhandel. De meest vreemde exemplaren kregen bij ons een tehuis en hoewel overvol, kon Aart het nooit over zijn hart verkrijgen een mooi, goed of leuk boek geen kans te gunnen.
Week na week, maand na maand, jaar na jaar kwam hij scheef lopend onder het gewicht thuis. Eerst met zo’n ouderwetse leren schooltas, later een simpele eastpack waarvan hij de banden in de grootste stand had en die hij steevast over één schouder droeg. Belangrijke zaken zoals een echte niet-Amsterdammer betaamt in het voorvakje. Trots toonde hij mij zijn trofeeën als hij weer in Amsterdam was geweest. Soms zat er iets voor mij bij, of voor zijn kinderen, vaak verdween de hele stapel naar boven naar zijn werkkamer waar hij op zijn grote ‘koloniale’ (maar nieuwe) bureau ze rijen dik opstapelde om ze toch tenminste een tijdelijk tehuis te geven. Soms bleven ze daar jaren liggen want de hoeveelheid muur in een huis is beperkt en het aantal meters boekenplanken dus ook. Bovendien stond er nog een oneindige voorraad dozen. Ondanks de 101,69 meter boekenplanken (ja ik heb het opgemeten) in ons huis was er nooit ruimte genoeg voor al die schatten die hij veroverde.

Je zou trouwens verwachten van een man die zo zijn schatten koestert dat hij daar dan ook netjes mee om gaat. Maar dát was niet het geval. Dus goot hij er uitentreuren kopjes koffie overheen, gebruikte ze als onderzetter en bedolf ze met sigarettenas. Behalve geleefd moesten de boeken ook gelezen worden. Een door Aart ‘gelezen’ boek is uit duizenden te herkennen. De bladzijden zijn soepel, de rug is goed en flink geknakt, liefst gewoon helemaal omgevouwen zodat de voor en achterzijde van de kaft elkaar raken en hij tijdens het lezen het boek in één hand kon houden. In zijn andere hand hield hij dan zijn rode fineliner waarmee hij elk boek wat hij las te lijf ging. Een door Aart gelezen boek bevat dan ook talloze rode strepen waarmee hij aangaf welke passages of zinnen belangrijk waren. Soms zette hij er een uitroepteken bij en héél soms, als je geluk had krabbelde hij wat in de kantlijn. Bij een Frans boek wat ik laatst in handen had, had hij in eerste instantie in het Nederlands en later in het boek in het Frans, allerlei feiten, opmerkingen en letterlijk kanttekeningen gemaakt bij wat hij onderstreept had.
Het laatste bijna onvermijdelijke kenmerk zijn uiteraard de ezelsoren, lekker scherp gevouwen voor als een boek onverhoopt toch een keer dicht moest.
Aart las trouwens het liefst op bed. Op zijn zij liggend, steunend op zijn elleboog, bril op zijn voorhoofd, pen in zijn mond, of in een hand en het boek in de andere.
Mijn familie vroeg zich tijdens een kerstvakantie op Terschelling eens af of hij het wel naar zijn zin had terwijl hij zich kostelijk vermaakte, afgezonderd op het bed in onze slaapkamer met een stapel bij “de boekenboer” gescoorde boeken en een rode pen.

De boeken hebben ook een soort hiërarchie. Boven in zijn werkkamer de filosofen, boeken over politiek en de boeken van Philip Roth en in een apart boekenkastje de boeken en regelsets die hij gebruikte bij wargaming. In de ruimte daarnaast, de voorzolder, alle historische boeken over oorlogen. In de logeerkamer historische boeken over onder andere landen of personen.
Op de plank boven ons bed stond dan het werk in uitvoering, de boeken die hij nog aan het lezen was. Dat waren er altijd meerdere tegelijk en er waren veel onvoltooide werken, meestal met een voorwerp er tussen als boekenlegger zodat het onmogelijk stapelbare hompjes werden.
Dan beneden in de huiskamer de romans, de Franse boeken (die niet onder andere categorieën vallen want hij sorteerde in eerste instantie op onderwerp en pas in tweede instantie op taal.), de Duitse boeken, de boeken over film, over kunst en de Russen. Oh ja, en ik heb ook nog wat boeken die een boekenkast in de huiskamer mogen bevolken.
Allerlaagst in rang staan de boeken die nog steeds op zolder in de berging in dozen zitten.

Daar zit ik dan in een bibliotheek zonder leden met meer boeken dan ik in mijn leven zou kunnen lezen als ik dat al zou willen of kunnen.
Vorige week hakte ik vast één knoop door, alle Fransen de deur uit. Ik lees geen woord Frans en het veel van die boeken was ooit van Aarts vader. In de meeste van die boeken staan dan ook geen rode strepen en dus kan ik ze zonder veel verdriet weg doen. Helaas is er in Nederland nauwelijks markt voor en dus zit ik met een hoop dozen. Aart zou ze, als hij eenmaal had besloten ze weg te doen en er geen koper voor zou kunnen vinden, gewoon in de papierbak hebben geflikkerd maar dat gaat me écht te ver!

Nu heb ik, voor het eerst in jaren, eindelijk een beetje ruimte aan de muur voor iets anders dan boeken. Stukje bij beetje neem ik, niet eens stiekem, het huis over. Het is fijn, een klein beetje ademruimte. Ik houd van boeken en ik zal er altijd meer houden dan me lief is dankzij Aarts liefde, maar 4000 (ik telde vanmorgen 48 boeken op 1 meter, ik ronde het af naar 45 en vermenigvuldigde dat met de 101,69 meter plank die we hebben en kwam daarmee uit op 4500 boeken) is me écht een beetje te veel.

Sorry Aart, jouw boekenkast is nu voor een klein stukje van mij maar één gewoonte houd ik wel in ere. Ik schrijf
de meeste van mijn stukjes ’s nachts.

Een nacht, vele nachten

20131013-020224.jpg

Wallen tot onder mijn oksel, mijn tong ergens op mijn knieën, ene voet voor de andere. Ik kan mij niet heugen wanneer ik me voor het laatst kwiek heb gevoeld. Moehoe! Bijna een jaar geleden begon het gelazer. Zwanger was ik natuurlijk ook al rond deze tijd vorig jaar maar behalve van misselijkheid had ik verrassend weinig last van me, myself and I. Ja ik moet ze altijd alle drie tevreden zien te houden, best lastig hoor!

Het begon allemaal ’s nachts om een uur of twee toen Aart zich benauwd voelde en het niet beter werd, ik bleef rustig maar Aart raakte steeds verder in paniek. Ik belde de huisartsenpost en terwijl ze daar op hun dooie gemakje overlegden sommeerde Aart mij een ambulance te bellen. Doodkalm zei ik dat hij niet blauw zag, nog ademde en op twee benen stond dus dat ik toch even die arts afwachtte. Het kostte wat overredingskracht hem zo ver te krijgen hier heen te komen want hij had niet zo’n zin de nacht te doorbreken met een gevalletje hyperventilatie. Pas na een half uur kwam hij aankakken om Aart in een antihyperventilatiegeval te laten blazen. Hielp niet en toen pas besloot hij de saturatie te meten die superlaag was in plaats van hoog zoals bij hyperventilatie. Omdat hij het niet snapte belde hij toch maar een ambulance en prikte een slecht infuus. Hij zou misschien wel longembolie hebben. Dat was het begin van de reeks ontdekkingen dat Aarts gezondheid erbarmelijk slecht was. Dat zijn conditie niet bijster goed was wisten we al en dat het allemaal niet helemaal lekker ging ook. Hij was vlak ervoor gestopt met roken, wie weet zou dat verlichting brengen. Dat het zo slecht was kwam echter als donderslag bij heldere hemel.

De volgende ‘nacht’ was toen ik een week later thuis kwam van koor met buikpijn. Darmkramp dacht ik. De hele nacht lag ik te kronkelen, geen houding was goed en ondanks pijnstillers kon ik niet slapen. Pas in de ochtend durfde ik te bellen en bleek ik een blindedarmontsteking te hebben. Vanaf dat moment had ik continue harde buiken. In bed werden ze vaak nog heviger, dat sliep ook niet zo lekker.

Een paar weken later volgden nog heel wat nachten. De nacht voordat Aart geopereerd werd. Ik sliep in een hotel met een vette slaappil een paar uurtjes. Om acht uur ’s ochtends ging Aart onder het mes, om acht uur ’s avonds waren ze zo’n beetje klaar. Helaas werd hij niet stabiel en werd mij aangeraden dichtbij te blijven. Het beetje dommelen deed ik die nacht in het logeerbed van vrienden in de buurt. De volgende ochtend ging Aart nog een keer onder het nes en die nacht sliep ik, met behulp van een inslaappil een paar uur. Ook de nachten daarna kon ik het slapen wel vergeten, het ging zo slecht. Het duurde een week voor Aart eindelijk van de medium care af mocht. Die week had hele lang nachten waarin ik regelmatig met mijn telefoon in mijn hand lag, naar niet belde omdat ik wist dat ze mij zouden bellen als het echt slecht ging. Een beetje slecht dat wilde ik niet horen zo midden in de nacht.
Die week had óók de nacht dat ik mijn baby voor het eerst in mijn buik voelde bewegen. Vanaf dat moment hield hij mij ’s nachts regelmatig wakker met zijn circuskunsten.

Tussen kerst en oud en nieuw volgde de volgende reeks slapeloze nachten. Er werd twee keer ingebroken. Ik durfde pas weer thuis te slapen toen Aart terug kwam uit het ziekenhuis een week later.

Vanaf zijn thuiskomst ook regelmatig slapeloze nachten. Hij voelde zich ’s nachts vaak hondsberoerd. Na een maand zaten we na weer zo’n doorwaakte nacht voor de tweede dag op een rij bij de huisarts. Saturatie van 83%, ik mocht hem met mijn zwangere buik en slaperige kop naar de eerste harthulp rijden.

Na een week opname mocht hij naar huis, dat hield hij krap 24 uur vol, twee slapeloze nachten later werd hij weer opgenomen.

Na thuiskomst na die derde opname bleef het kwakkelen en met enige regelmaat zat we ’s nachts op de eerste harthulp. We mochten zelf direct bellen en langskomen als er iets was.

Volgend op een van die bezoeken bleek mijn bloeddruk veel te hoog. Ik was 33 weken zwanger en werd opgenomen. Ik regelde dat Aart opgehaald werd van de eerste harthulp waar ik hem had achter gelaten met een ritmestoornis en bij mij mocht slapen. Hij sliep als een roos terwijl ik midden in de nacht boterhammen at en bloeddrukcontroles had. Na een week mocht ik naar huis. Die week had ik weer regelmatig slapeloze nachten door een zich niet lekker voelende Aart. We zaten ook weer een keer om vier uur ’s ochtends op de eerste hart hulp. Daarna had ik controle en was mijn bloeddruk weer veel te hoog. Eerst maar naar huis om te slapen.

Die zondag, 35 weken zwanger (maart 2013) was ik niet lekker, ’s avonds laat toch maar naar het ziekenhuis. Bloeddruk was 210/140, nu toch echt zwangerschapsvergiftiging, er volgde wederom een vrij slapeloze nacht met infuusgeprik, bloeddrukmetingen en hondsberoerd van de medicatie. Ook de nachten daarna sliep ik nauwelijks, ik lag aan een infuus, had een blaaskatheter en door het inleiden vrij pijnlijke harde buiken. Op woensdagochtend om een uur of vier belde ik de verpleging omdat ik niet lekker was. Bloeddruk was veel te hoog. Ik kreeg nog een infuus en de mededeling dat we de volgende dag ouders zouden worden.

Op 20 maart werd Lucas geboren bij 35 weken en 3 dagen. Er volgden heel wat slapeloze nachten die 3,5 week dat hij in het ziekenhuis lag.

Nou ja en daarna natuurlijk ook, nachtvoedingen en kolven. Aart hield me ook regelmatig wakker omdat hij niet lekker was en dan in paniek raakte.

Uiteindelijk toen alles een beetje een plekje begon te krijgen, het hebben van een baby routine begon te worden en het geruststellen van Aart bijna normaal, toen vond ik hem zo maar op een zonnige zondagmorgen dood en jullie willen niet weten hoeveel slapeloze nachten dáár uit volgden en nog volgen!

Het is twee uur ’s nachts, Lucas slaapt als een roosje en ik, ik lig wakker en vraag me af hoeveel jaar ik nodig zal hebben hiervan bij te slapen.

Vernietmeerjaardag

hoedjevanpapier

Vandaag is het zo ver, het is Aarts eerste vernietmeerjaardag. Afgelopen 55 jaar vierde hij op deze dag dat hij een jaartje ouder was geworden, taart, cadeautjes, uit eten, hieperde piep hoera en lang zal hij leven zingen. Zo vanzelfsprekend. Tot het niet meer te vieren valt omdat die gene simpel weg niet meer verjaart. Menigeen zou er voor tekenen. Nóóit meer jarig zijn, voorgoed de leeftijd houden die je hebt. Stop de tijd!
Het was ook stiekem de wens van Aart. Hij haatte het met het jaar meer, dat verjaren, dat ouder worden. Hij voelde zich als een soort oude kaas die over datum raakte. Het liefst had hij deze dag overgeslagen de laatste jaren. Hij deed ook verwoede pogingen, maar altijd was ik daar die hem dwong een verlanglijstje te maken, die hem ’s ochtends tegen wil en dank taart voorschotelde en die hem feliciteerde met zijn geweldig mooie leeftijd. Ik organiseerde een keer een verrassingsfeestje en ik sleepte hem vaak mee naar een restaurant ’s avonds. Kortom, van mij kreeg hij geen kans de dag ongemerkt voorbij te laten gaan maar als hij de kans had gehad. Van hem hoefde niemand te weten dat hij alwéér een jaartje ouder was geworden.

Nooit meer ouder worden, nooit meer dat gevoel van: Ik word een ouwe zak. Hij wilde niets liever dan dat, de eeuwige ‘jeugd’. De tijd staat nu stil, Aart zal nooit ouder worden dan 55 jaar, een respectabele leeftijd toch? Hij vond dat al oud, maar volgens mij meer met de hijgende adem van het bejaardendom in zijn nek. Hij zal nooit bejaard worden. Goddank, want hij leek vast op zijn mopperende oude vader en dat was ook precies waar hij zo tegenop zag.
Hij verzocht mij ooit te beloven dat als hij zich ooit net zo onhebbelijk zou gaan gedragen als zijn vader in de frustratie van de ouderdom deed, dat ik hem dan in zijn rolstoel van de trap moest duwen, Aart dus, niet zijn vader, die is gewoon op 88 leeftijd van ouderdom gestorven. Wij begrepen goed dat ze in het bejaardentehuis paaltjes hadden voor de trapgaten. Vast niet alleen voor gefrustreerde familieleden, ook voor gefrustreerde kamikazerolstoelrijders.
Aart in een rolstoel bleek in het ziekenhuis al niet zo’n goed idee, hij haalde er stunts mee uit in de lift, reed mensen aan en ging er vandoor als ze hem weer eens te lang lieten wachten bij de röntgenafdeling. Het scheelt, hij hoeft ook nooit meer in een rolstoel en al helemaal niet omdat de ouderdom de kracht uit zijn benen had laten vloeien.

Aart had een gruwelijke hekel aan oud worden en deed zijn best daar niet in mee te gaan. Hij gedroeg zich soms als een peuter, inclusief pruillip en nephuiltje. Hij gedroeg zich regelmatig als een kleuter, waarbij hij mij dan vroeg of hij bij zijn vriendjes mocht spelen (wargamen) en of ik hem wilde brengen. Hij gedroeg zich bij tijd en wijle als een puber, inclusief ochtendhumeur en onmogelijkheden. Hij speelde online games, wist alles van computers en kende het taalgebruik van de jongeren als geen ander. Hij ging écht met zijn tijd mee… Als Aart dit gelezen had dan had ik nu een ram gekregen want met je tijd mee gaan is iets voor ouwe mensen. Nou ja vooruit hij ging ook niet helemaal met zijn tijd mee. Zijn mobiele telefoon nam hij alleen mee als ik hem dat uitdrukkelijk verzocht en als er hardware aangesloten moest worden dan mocht ik onder zijn bureau aan de slag. Op het internet kende hij de weg als geen ander, maar om op het internet te kómen had hij wel wat hulp nodig.

Aart, van harte gefeliciteerd man, ik moet het ja nageven het is je gelukt. Had je niet kunnen bedenken dat als je wenste om niet meer ouder te worden je op een dag gewoon op zou houden te bestaan? Nu ben je er alleen nog in ons hoofd, in ons hart en natuurlijk op papier. Laat je ons achter met een lege verjaardag zonder feestje, een lekkere ben jij. Was jij.
Vandaag vier ik een non-feestje, van één van jouw artikelen vouw ik een hoedje van papier. Wie schrijft die blijft. In mijn hoofd en vandaag ook erop.

Voicemailbericht van een gentleman

voicemail

“Dit is het einde van het bericht” hoor ik vanmiddag op mijn voicemail een dame van de bank zeggen. *Plop* herinnering komt boven! Aart had altijd een nogal specifieke manier van voicemailberichten inspreken.
“Piep, met Aart” zei hij steevast in het begin, vervolgens volgde dan zijn boodschap. Meestal iets belangrijks, iets waar we op hadden zitten wachten, iets waarvan hij wist dat ik het graag wilde weten want anders belde hij namelijk niet. Daarna zei hij dan meestal nog iets liefs en dan eindigde hij het bericht met: “Einde bericht!”. Heel soms belde hij zomaar: “Piep met Aart, ik wilde even zeggen dat ik je lief vind en dat ik van je houd, kom je gauw thuis? Einde bericht!” stond er dan op mijn voicemail. “Ware liefde!” zou Aart zeggen.

Het was typisch Aart om dat soort dingen te doen volgens de etiquette, tenminste ik heb dat ding nooit gelezen, maar ik denk dat het een soort ouderwetse vorm van netjes doen moet zijn. Het heeft natuurlijk vast z’n functie gehad, misschien stamt het uit de tijd van de telegrammen (prehistorie dus). De “piep, met Aart” was zijn antwoord op “spreek uw boodschap in na de piep”, ik moest er altijd wel om lachen, zijn manier om er toch een beetje tegenaan te schoppen, hoewel ik me af vraag of hij serieuze werkvoicemails ook zo insprak. Ik zie het al voor me, een of andere politicus met een voicemailberichtje: “Piep, met Brouwer, zoals afgesproken heb ik bladiebladiebla, ik hoor graag van u. Einde bericht”. Ik moet er uitwendig van glimlachen.

Aart deed regelmatig verwoede pogingen mij te doordringen van zijn gentlemanskills maar dit was meestal tevergeefs. Dan stond hij achter me om mijn stoel aan te schuiven die ik natuurlijk al lang zelf had aangeschoven. Dan hoorde ik hem achter me zuchten want hij vond dat echt een hiaat in mijn opvoeding. Ook mijn gewoonte voor hem uit een restaurant of café binnen te rennen vond hij tamelijk onhebbelijk. Moet je net mij hebben, altijd haantje de voorste en bovendien zie je ook zo weinig als je áchter je reus van een man gaat lopen. Hij vond echter dat ik hem écht voor mij naar binnen moest laten gaan A. omdat hij dan de deur voor me kon open houden en B. omdat een heer altijd eerst hoort te checken of het wel veilig is voor de dame in kwestie. Ik vond het wel een lief argument dus streek ik uiteindelijk met mijn hand over mijn hart en deed ik écht heel hard mijn best om er aan te denken op die momenten.
Hij wilde ook graag mijn jas voor me ophouden maar steevast had ik hem al half aan voor ik me dat bedacht óf zaten mijn mouwen binnenstebuiten. Zijn pogingen om de autodeur voor me open te houden heeft hij wel gauw gestaakt, het is toch een beetje maf als je als man zonder rijbewijs je vrouw dan eerst de portier moet laten open maken en ze dan aan de kant moet stappen om jou de portier voor haar open te laten houden. Werkt niet, vooral niet als de vrouw in kwestie dan al lang is ingestapt…

Er aan terugdenkend moet ik altijd een beetje grinniken, Aart die vond dat je als je een pak droeg je ook sokophouders aan moest, die vond dat je een héér moest zijn en die in sommige dingen hopeloos ouderwets was, maar die in vele opzichten een betere huisman was en moderner dan ik en uiteindelijk moesten we altijd om elkaar lachen. En hoewel ik wars van hoe het hoort er regelmatig stiekem een beetje de draak mee stak zou ik nu dólgraag in een restaurant geduldig willen wachten tot hij de mouwen van mijn jas binnenstebuiten heeft gevist en mijn jas op houd zodat ik die aan kan doen.
Gelukkig kán ik het ook zelf.