Zelf doen

Ja, daar zit je dan, tranen ergens diep verstopt in je keel proberen hun weg te vinden. Moe, ja ik ben moe en heel verdrietig. Ik weet vandaag even niet meer waarom, ik weet alleen dat ik ze voel, die opgesloten tranen diep in mijn keel. Ik wil ze graag huilen, maar komen doen ze niet, ze blijven halverwege steken en geven me het gevoel dat ik moeilijk kan slikken. Droge ogen, kúrkdroge ogen, geven aan dat ik van hen in elk geval niets hoef te verwachten.
Vanavond was Lucas aan het mopperen, hij was ook moe, we hadden gisteren een drukke (leuke!) dag, hij deed vandaag al drie slaapjes, maar het was niet genoeg. Ik merkte dat het gewoon even te veel was. Ik wilde gewoon even geen worstelpartij op het aankleedkussen bij het tandenpoetsen en uitkleden. Hij werkte daar uiteraard niet aan mee, want als je net ontdekt hebt dat je je ook om kunt draaien en weg kunt kruipen en dat er een heleboel spannende dingen op de commode liggen, dan blijf je niet netjes op je rug liggen natuurlijk. Ik voelde me boos, ik zei tegen hem dat ik graag wilde dat hij ophield omdat ik het al stom genoeg vind dat ik het élke dag weer moet doen, élke dag weer hetzelfde riedeltje. Ik wiiiihiiiil niet meer wilde ik het liefst roepen. Maar Lucas had zelfs geen boodschap aan de houtgreep. Het voorlezen bestond uit zo snel mogelijk de zinnen uit dikkie dik opdreunen en ondertussen proberen mijn kind er van te weerhouden de bladzijden aan flarden te scheuren. Gezellig joh. Ik legde hem gauw in bed en zei zoals elke avond: “slaap lekker Lucas, ga maar lekker slapen, tot morgen.” en maakte daarbij het gebaar voor slapen. Daarna verdween ik gauw uit zijn kamer, opgelucht dat hij niet begon te huilen. Hèhè, eindelijk even rust.

Tien minuten later miste ik hem alweer en sloop ik zijn kamer nog een keertje in om hem te zoenen. Half wakker nam hij ze in ontvangst om zich vervolgens nog eens lekker om te draaien. Hoe blij ik dan ook ben dat hij lekker is gaan slapen. Sommige avonden wil ik het liefst bij hem op zijn kamer gaan zitten en naar hem kijken en met hem knuffelen. Alleen het is zo zielig dat hij dan elke keer wakker wordt. Zijn behoefte is duidelijk een andere dan de mijne.

Ja, op zo’n avond voel ik me alleen, voel ik de vermoeidheid over me heen kruipen, voel ik de zwaarte van de voorbije dag maar ook de zwaarte van de komende. Dan voel ik ze drukken, die dagen met bijbehorende tranen en lijkt alles even hopeloos.

In feite zijn er ook genoeg dingen hopeloos. Ik zie bijvoorbeeld Aarts oudste kinderen nooit meer. Ik heb geschroomd hier over te schrijven omdat de situatie pijnlijk is en ik de zaken niet wil verergeren. Maar ik heb besloten hier toch, een heel klein tipje van de sluier op te lichten. Gewoon omdat ik echt verdrietig ben dat de zaken zo gelopen zijn. Dat Lucas zijn twee oudste broers nooit ziet, dat zijn twee oudste broers hem niet zien opgroeien, niet meegenieten van het opgroeien of Aart in hem herkennen zoals anderen dat doen. Ik ben verdrietig omdat de reden dat ze niet komen volgens mij niet ligt in het feit dat zij me niet willen zien, maar door de relatie van hun moeder met mij. Ik hoop dat ze snappen dat ondanks alles mijn deur nog steeds voor ze op een kier staat en dat ze op een dag weer bij me op de stoep staan.

Het afhandelen van de erfenis is ook hopeloos. Er worden dingen van mij geëist waar ik verdrietig van word, nog niet aan toe ben. Ik moet knopen doorhakken over dingen waarvan ik niet eens weet waar de knopen liggen. Het is raar want het gaat niet over mij, eigenlijk niet. Het gaat over Aart, over Aart en zijn kinderen. Over wat Aart voor ogen had, over de toekomst, een goede toekomst. Maar hoe kan ik nou bepalen over een toekomst waarvan ik niet weet hoe die er misschien uit ziet omdat ik de eigenaren van die toekomst nooit zie, nooit spreek. Ik weet niets over hun wensen en verlangens, niet wat ze nodig hebben of wat ze doen. Ik wil ze graag helpen, maar het vervelende is, ik zie ze niet, spreek ze niet. Ik kan ze niet vragen of ze herinneringen willen, of ze spullen willen hebben. Ik kan ze niet de gelegenheid geven om nog eens in zijn werkkamer rond te snuffelen voor ik deze uitruim. Ik kan ze niet vragen om samen mij dingen uit te zoeken. Ik kan ze niet knuffelen(ok, puberjongens zijn sowieso behoorlijk onknuffelbaar over het algemeen) en samen delen in het verdriet waarvan ik zeker weet dat zij het ook hebben. Het kan niet want ik zie ze nooit.
Er wordt aan mij getrokken, er hangen dingen boven mijn hoofd die ik niet mee wil maken maar om ze af te wenden moet ik dingen beslissen die ik nog helemaal niet kan beslissen in deze wirwar van emoties.

Ik moet het zelf doen. De verantwoordelijkheid is enorm want ik hak hier de knopen door. Ik maak de beslissingen en ik draag ook, helemaal alleen, de consequenties. Niet alleen voor mezelf, maar ook voor Lucas en die andere twee, die hier weliswaar misschien minder van voelen omdat ze er nauwelijks weet van hebben, maar ik heb touwtjes in handen die ik helemaal niet in handen wil hebben.
Ik wil niet kiezen. Ik wil gewoon dat alles weer goed komt.

 

Advertenties

Van het witte paard

Aart, waar ben je nou als ik je nodig heb? Vandaag mis ik jouw twee armen om me heen nog harder. Ineens ben je zo ver weg terwijl ik je stem wil horen, je geruststellende woorden wil horen zeggen en je handen op mijn rug wil voelen.
Vandaag ben ik gestruikeld over mijn eigen voeten, maar jij hielp mij niet met opstaan. Nu lig ik nog op de vloer en dat is allemaal jouw schuld. Het is er koud en ik probeer te bedenken hoe ik dit nou zelf moet doen. Ik kan het niet. In gedachten hoor ik je stem zeggen dat ik me wel een beetje aan stel, dat het allemaal zo erg nog niet is. Maar voor even is de paniek de baas, mijn controledrang groter dan mijn ratio en jij bent er niet. Niet om me van wijze raad te voorzien, niet om me op af te reageren of als boksbal te gebruiken. Niet om me te vertellen dat ik best een beetje raar doe en niet om er met me over te praten totdat ik dat zelf eigenlijk ook wel vind. Vandaag stapelt mijn paniek zich op, vliegt een angst mij naar de keel als een ongenode gast.
Vandaag vind ik het stom dat je dood bent. Omdat ik wil doen wat ik altijd deed als ik zo’n bui had. Volkomen onredelijk, ik wil tegen je schreeuwen dat het allemaal stom is. Dat wat ik wel en niet wil volledig met elkaar in conflict zijn en dat ik het allemaal stom, stom, stom vind en dat jij me niet begrijpt wat nog veel stommer is. En dan wil vervolgens grote verdrietige tranen in jouw armen huilen omdat het me allemaal te veel is. Ik wil dan gewiegd worden in jouw armen ook al was ik volkomen onredelijk. Ik wil dan snotterend tot rust komen en zoute zoenen met je zoenen om dan tot de conclusie te komen dat de oplossing eigenlijk best wel voor de hand ligt. Maar je bent er niet. En die oplossing zie ik ook niet.
Vandaag ben jij niet mijn prins op het witte paard Aart, want prinsen doen zoiets niet en al helemaal niet op een wit paard.

Meneer en mevrouw Traan

tranen2

Ze zijn al zo lang ik me kan herinneren onderdeel van mijn leven; meneer en mevrouw Traan. Ze waren er als ik verdrietig was of boos was, ze streelden mijn wangen als het me even te veel werd en verwarmden mijn gezicht als niets ging zoals het moest. Ze stonden aan mijn zijde bij frustraties en bij spannende momenten. Ze zaten zachtjes te wiebelen achter mijn oogleden op mooie momenten, rolden soms onverwachts of biggelden bij ontroerende momenten. Soms lieten ze het ook afweten op de momenten dat ik ze het hardst nodig had, maar altijd op het moment dat ik dacht dat ik ze kwijt was kwamen ze weer.
Meneer en mevrouw Traan, niet altijd gewenst aanwezig maar zo vergroeid met mijn leven dat ik niet zonder ze kan. Als de spanning me even te veel werd kwam mevrouw Traan om me te troosten, ze hielp me de spanning af te vloeien. Meneer Traan was er altijd, natte wangen als gevolg van zijn wijze gesproei.
De afgelopen maanden lieten ze het afweten. Ze waren ze er vaker niet dan wel. In de steek gelaten als ik me voelde smeekte ik of ze terug wilde komen. Meneer en mevrouw Traan zijn eigenwijze mensen, ze komen niet op commando en ze blijven niet weg op commando. Soms als ze kwamen, als ongenode gasten, totaal onverwachts, gingen ze bovenop me zitten en smoorden me en dan wenste ik dat ze weer gingen. Als ze gingen zoals ik wenste dan smeekte ik later of ze weer wilden komen en dan vocht ik met ze tot de laatste snik.

Ik was boos op meneer en mevrouw Traan, ze frustreerden me. Ik had ze nodig maar ze waren er niet voor me, ik wilde ze voelen maar juist op die momenten waren ze zo ver weg. Tranen, ik verlangde naar ze, warme zilte tranen, natte wangen, een snotneus en dikke oogleden. Bergen tissues en hoofdpijn de volgende dag, ik wilde leed zoals je dat met tranen lijd in rechtstreekse pijn.
Maar meneer en mevrouw Traan zijn niet te dwingen. Pas nu ik ze los laat, nu alles in mij weer een beetje losser wordt, nu pas komen ze weer. Schuifelend en stapje voor stapje sluipen ze voorzichtig weer mijn leven binnen. Ze kijken om het hoekje of het wel veilig is, geschrokken door de intensiteit van mijn verdriet. Voorzichtig snotter ik, druppel ik en moet ik af en toe naar de tissues grijpen en hoe zeer ik ze ook verfoei op sommige momenten, ik ben blij dat meneer en mevrouw Traan weer in mijn leven zijn. Zonder hun ben ik niet mezelf, ben ik niets waard ben ik zonder gevoel en zit ik op slot.

Ik voel me wankelen, de krampachtig pogingen staande te blijven heb ik gestaakt. Liever val ik met meneer en mevrouw Traan in een grote plas. Het biedt de mogelijkheid je er af en toe even in te verdrinken maar uiteindelijk ook de mogelijkheid om in ze te spetteren en te stampen met mooie rode regenlaarzen. Liever dat dan blijven staan en nooit meer in beweging te komen.