Vernietmeerjaardag #3

Ik zit aan tafel achter mijn laptop, naast me op de grond speelt Lucas, 2,5 jaar is hij alweer en hij kletst honderduit. “lopen, lopen, lopen” hoor ik hem zeggen terwijl hij met een duplopoppetje over zijn net gebouwde toren wandelt.
Ondertussen dwaal ik in gedachten even weg naar Aart. Vandaag is de derde verjaardag die hij niet meer viert. Hij zou verheugd zijn geweest dat hij dat niet meer hoefde te vieren want dat ouder worden vond hij vreselijk. En hij zou best oud geworden zijn nu als hij nog geleefd had. Ouder dan hem lief was eigenlijk. Wat dat betreft zou je kunnen stellen dat het misschien wel beter is zo. Maar ja wat is beter, want was het niet ook beter geweest als hij er gewoon was geweest om die leuke voorleespapa voor Lucas te zijn?

Het is ook Lucas die me regelmatig doet beseffen dat Aart er niet meer is. Dan kijk ik in twee ondeugende ogen, die best wel lijken op die van zijn vader en dan besef ik dat hij zijn vader niet kent. Dat hij niet weet wie Aart was of wat Aart was. Hij kan nu naar de foto’s van Aart wijzen en zeggen: kijk papa Aaarrrrt, de r onhandig uitgesproken met een aardappel onder zijn tong. En soms vertel ik er dan bij dat papa Aart dood is, dan kijkt hij me serieus aan en zegt: ‘Ja papa Aart dood he’ om vervolgens vrolijk over te gaan op de orde van de dag. Gelukkig ook maar, hij is vrij en onbezorgd. Hij draagt niet de last van het verlies, hij kent het niet.
Dus draag ik zijn verlies bij het mijne in mijn hart, voel ik verdriet om wat er nooit geweest is, wat Lucas niet heeft verloren. Maar wat er wel geweest had kúnnen zijn en wat zo mooi had kunnen zijn. Papa Aart zou voorlezen en diepzinnige gesprekken voeren met ‘zijn zoon’, die alles na zou praten, de woorden proevend in zijn mond. Hij zou trots zijn en zeggen dat hij geweldig was, net zoals hij altijd trots was op zijn andere zoons. Hij zou over hem opscheppen en met hem knuffelen. Hij zou hem het woord onbetamelijk hebben geleerd. Hij zou hem verteld hebben dat hij van hem houdt elke keer opnieuw.

Het is ook gek om zo te denken, want het is er niet, het is er nooit geweest. Voor Lucas niet, voor Lucas bestaat de tijd uit gisteren en uit vandaag. Slechts gevoelens zijn de wazige herinneringen over vroeger. Dat er van hem gehouden is, altijd, dat zit in zijn bestaan.
Lucas zegt nu ‘papa’ tegen iemand anders, tegen mijn lief die ook echt zijn papa is. Die voor Lucas zorgt, hem troost als hij verdrietig is, knuffelt als hij naar bed gaat, poepluiers verschoont en zijn kleren wast. Die hem zelfs voorleest, elke dag weer, als een echte voorleespapa. Wel een beetje een dyslectische, soms produceert hij vreemde woorden, maar hij vindt het net zo belangrijk.

Ondertussen stapelt Lucas de duploblokjes steeds hoger terwijl hij zegt: ‘plakken, plakken, nog meer plakken’, hij praat honderduit. Hij pakt een auto en zegt: “de auto gaat even over meenemen, hij gaat helpen, er is puur (vuur), kijk eens, klik klak, klik klak, oh pallen (vallen)”. En ware spraakwaterval. En dan pakt hij een poppetje en zegt: “kijk papa, ga maar even zitten papa” en daarna pakt hij een ander poppetje en zegt: “kijk en dat is mama, mama ook zitten”.

Zijn leven is mooi, zijn leven is gewoon zoals het is, met een papa en een mama en een zusje waar hij gek op is. En er is ook een dooie papa en de mama van zijn zusje is ook dood. Zo is het gewoon, niks verdrietigs aan. Voor hem dan.

Gefeliciteerd Aart met je 3e vernietmeerjaardag. Ik ben alweer vergeten hoe oud je nu zou zijn geweest. Dat zou je wel deugd doen denk ik. We beginnen maar gewoon opnieuw met tellen, je sterven is nog zo jong. En het voordeel van vernietmeerjaardagen, wat niet is kun je eindeloos blijven tellen.

Advertenties

Pijpiesglas

Mijmerend zit ik op de fiets op weg naar mijn favoriete Italiaanse broodjeskraam voor mijn wekelijkse broodje geitenkaas, rauwe ham, rucola en rode pesto. Mijn gedachten mijlenver van de aarde verwijderd en op mijn neus de zon. Ik zie een auto van een glashandel en gelijk dwalen mijn gedachten weg. Ik denk aan die keer dat het glas van onze badkamerdeur vervangen moest worden. Er kwam een man van de glashandel met een stem alsof hij zijn dagelijkse portie glasscherven al had gehad. “Och” zei hij, “dit is nog het ouwe pijpiesglas, dat moake se niet meer.”. “Pijpiesglas” sis ik hees terwijl ik probeer de stem van die man na te doen. Twee seconden later kijk ik opzij, ik zie een vrouw in de deuropening van een voordeur zitten. Ze kijkt me met grote ogen aan, alsof ik haar elk moment kan komen halen. Alsof ze dacht in de nieuwste Harry Potterfilm belandt te zijn waar niets is wat het lijkt. Oh ja, ik zat op de fiets, even vergeten. Met een brede grijns fiets ik verder.

Een minuut later dringt er ineens iets tot me door. Ik dacht niet ‘dat moet ik aan Aart vertellen’ zoals ik een paar maanden geleden dacht. Ik wilde het aan mensen vertellen, maar niet aan Aart, ik dacht slechts: ‘dat had Aart leuk gevonden.’ Dat had ie ook, maar ergens tussen toen en nu is er iets wezenlijks veranderd, is Aart minder aanwezig geworden, mijn hoofd niet meer voortdurend van Aart doordrongen. Ik ben verder gegaan met leven, Aart nu gewoon ergens in mijn hart als een vanzelfsprekende aanwezigheid zonder echt aanwezig te zijn in nu.
Waar het eerst vanzelfsprekend was dat ik Aart bij thuiskomst hierover zou vertellen, grinnikend om die vrouw met de grote ogen, grinnikend ook om de gedeelde herinnering van het pijpiesglas, lijkt het nu vanzelfsprekend te worden dat dat niet meer kan. De herinneringen van toen zijn nu nog slechts de mijne, in gedachten gedeeld met iemand die er niet meer is. De nieuwe belevenissen echter wil ik nu met anderen delen. Wat raar, wanneer is dat gebeurd? Ook fijn, dat ik nu gewoon grinnikend op de fiets kan zitten zonder het melancholische nagevoel dat ik iets leuks wil vertellen aan iemand die er niet meer is, die niet meer meelacht. Het is zo zinloos, wat fijn dat ik dat nu niet meer hoef!
En gek, ja ook wel gek dat dat blijkbaar toch kan veranderen terwijl ik maandenlang heb gedacht dat ik voor altijd gevangen zou zitten in die rouw, die nare akelige diepe verdrietige rauwe rouw. Maar blijkbaar niet, blijkbaar kan rouw ook lichter worden en dat voor zo’n zwaargewicht van een man. Zijn aanwezigheid is minder grauw, minder op de voorgrond, gewoon veel meer als een vanzelfsprekend gegeven, onderdeel van mijn verhaal. En mijn verhaal gaat door, ik ga door met leven, niet meer alleen omdat het niet anders kan, maar omdat ik dat graag wil. Omdat ik weer dingen zie om voor te leven. Omdat ik blij ben, vrolijk en me weer gelukkig kan voelen, al voelt dat soms nog vreemd, alsof ik na maanden weer eens ga fietsen en moet wennen aan hoe dat ook alweer moet.

Troost van een eiland

20140706-144232-52952829.jpg
Daar zit ik dan, op een eiland waar ik al mijn hele leven kom. Met mijn ouders, met vrienden en natuurlijk ook met Aart. Twee jaar geleden hadden we hier een heerlijke vakantie. Twee weken genieten van het buiten zijn, fietsen, lekker eten en heel veel lezen. Acht maanden later werd er een piepklein jongetje geboren.
Het jaar daarop ging ik weer, alles was anders. Met dat kleine ventje maar zonder die grote waar ik nog zielsveel van hield. Dat jaar daartussen was de markering van hoe het ineens om kan slaan. Je leven in de achtbaan met helaas een niet altijd goede afloop. Het ongeluk vloog me om de oren dat jaar maar ook het geluk van een jong gezin, de geboorte van mijn prachtige zoon. En toen… Een paar maanden na de apotheose van al het ongeluk, het overlijden van Aart, was daar Terschelling. Afgesproken nog voor Aart ziek werd, een toekomstpunt waarnaar hij uitkeek toen hij op de sombere tl-verlichte mediumcare lag waar het personeel soms leek te vergeten dat de patiënten niet alleen maar medische problemen waten, maar ook personen van vlees en bloed met echte gevoelens. Terschelling was zijn troost. Hij zou weer genieten, daar op dat eiland, gelukkig zijn en misschien zelfs wel gezond.
Zo ver kwam het niet, slechts een paar maanden ervoor op een van de eerste zomerse dagen overleed hij, nog voor er samen, met ons gezin, opnieuw van het eiland hadden kunnen genieten.
Ik ging toch, naar dat troostrijke eiland waar ik al zo veel jaren kwam, met en zonder Aart. Met tranen in mijn ogen fietste ik langs de plekken waar we het jaar daarvoor ook waren geweest. Met vrienden die we samen hadden uitgenodigd, alleen hij kwam niet mee, verloren in de tijd. We waren vreemd geamputeerd die dagen maar het eiland gaf me rust en troost.
Nu zit ik daar weer, bijna een jaar later en het besef begint tot me door te dringen dat mijn leven doorgaat. Onvermoeibaar tikken de minuten door. Ik word gewoon ouder en Lucas ook. En hoewel het verdriet nog altijd schraal is, soms geen weg naar buiten vind, merk ik toch ook; de tijd schrijdt voort en dat is goed. Ik hoef niet meer stil te blijven zitten omdat zijn leven ook nooit meer verder gaat. Ik kijk voorzichtig in de toekomst en wat ik zie bevalt me wel. Mijn leven kan ook mooi zijn zonder Aart. Is ook de moeite waard zonder hem. Al zal ik altijd verlies meedragen.
Het wordt minder alleen maar Lucas die mijn leven kleurt. Ik doe het zelf, ik voel het zelf, de weg naar de toekomst van een nieuw leven wordt weer steeds meer begaanbaar. Ik begin weer te voelen, verdriet krijgt langzamerhand een plekje maar ook fijne gevoelens steken de kop op.
Verwarrend is het soms om je blij te voelen of om te kijken naar een andere man en te denken: “die wil ik wel zoenen”. Maar het is ook fijn om te weten dat het nog bestaat, dat die weg niet voorgoed is afgesneden. Ik kan ook zonder Aart gelukkig zijn, dat weet ik zeker. Het leven van Aart en mij samen stopte toen hij overleed maar hij hield een belangrijke plek in mijn hart. Die plek zal altijd blijven, bevroren in de tijd. Ik heb hem lief gehad en hij mij. Maar naast dat gat is nog een heleboel hart over dat wil voelen en blij zijn. Nu moet ik weer verder, liefhebben kan denk ik ook zonder hem. Kleine sprankjes hoop vertellen het mij.
En ondertussen verwarmt de Terschellingse zon mij geruststellend. ‘Het komt wel goed schatje’. Het zal er altijd zijn dit eiland, zo lang ik leef. Ik zal er altijd blijven komen, om me te laten koesteren door de wind, de zeelucht, en het zand, om me te laten troosten én om te genieten met iedereen die ik lief heb en gelukkig te zijn.
Volgend jaar weer?

Verjaardag

Taart2go

Binnenkort heb ik een verjaardag. Een hele vreemde, want de eigenaar van die verjaardag leeft niet meer. Hij verjaart dus ook niet meer en toch is het zíjn verjaardag. Een dag waarop je het leven viert, “nog vele jaren!” roept en “lang zal hij leven” zingt. De laatste verjaardag wisten we nog van niets, ik weet niet eens meer wat we hebben gedaan. Ik weet niet eens meer wat ik hem heb gegeven. Of ja, vaag staat me iets bij van een mokka-taart. Ik lust geen mokka-taart maar aangezien ik toch kotsmisselijk was van het zwanger zijn maakte het niks uit. Hij kreeg een hele mokkataart. Van de Lidl, dat dan weer wel. Als ik in mijn agenda kijk zie ik dat ik de hele dag weg was, maar dat we ’s avonds lekker uit eten moeten zijn gegaan. Shabu Shabu, na Sumo in Scheveningen onze favoriete sushitent. Tegen Sumo kan niet veel op, maar ja Shabu is om de hoek.

Het is gek om na te denken over taart, over uit eten gaan en een verjaardag vieren. Toch komt die dag er onherroepelijk aan en ik weet niet, écht niet wat ik er nou mee moet. Het vieren en doen alsof hij jarig is terwijl hij nooit meer een jaar ouder wordt? De gelegenheid aangrijpen om met dierbaren uit eten te gaan, misschien óns leven te vieren? Of toch dat van Aart vieren, niet wat hij niet meer heeft, maar wat hij had. Die 55 verjaardagen die hij voorbij zag schuiven. Een mooi rond getal?
Het blijft gek want in mijn hoofd staat al tijden vast dat er op die dag een feestje gevierd moest worden. Ik vond namelijk dat Aart dat verdiend had na al die ellende. Ik dacht, in oktober, als hij zich beter voelt, dan ga ik weer eens een écht verjaardagsfeestje voor hem organiseren. Concrete vormen had het nog niet, maar ik had wel besloten dat het met zijn hartklachten maar geen surpriseparty moest worden.
De enige keer dat ik dat wel had gedaan is echt al heel wat jaren terug geweest en ik had het voor elkaar gekregen om zonder dat Aart het door had, terwijl op zolder zat te werken, niet alleen een grote maaltijd te koken maar ook allerlei gasten binnen te halen. Toen ik hem riep voor het verjaardagseten vroeg ik hem of hij wel even kléren aan wilde doen omdat ik dat wel zo gezellig vond aan tafel. Ik had natuurlijk niet kunnen vermoeden dat hij dan op zijn afschuwelijk lelijke sandalen naar beneden zou komen. Die sandalen hebben trouwens niet lang geduurd, hij wilde daar sowieso dood (dat is gelukt) nog levend (niet gelukt) in gevonden worden dus nadat hij de gasten begroet had maakte hij hij rechtsomkeert om iets fatsoenlijks aan te trekken.

Kortom, wat doe je op zo’n dag die feestelijk zou moeten zijn? Wie worden zijn gasten? Wie worden mijn gasten? En als ik iets doe, staat het dan voor eeuwig vast dat op die dag er zoiets moet gebeuren? Wordt het een traditie? Een fijne of zo eentje waar je maar moeilijk af komt terwijl je eigenlijk niet meer wil? Ik weet het niet en ondertussen komt die dag met rasse schreden naderbij. Kan ik ’t niet gewoon vergeten? Net zoals onze trouwdag die er ook rap aan komt? Zoals ik eigenlijk jaarlijks deed. Gewoon per ongeluk vergeten op welke datum het ook alweer was die verjaardag of trouwdag en daarna ook niet weten welke datum het eigenlijk ís. Wat onze trouwdag betreft, daar ben ik gelukkig op 1 jaar na altijd in elk geval nog op de dag zelf achter gekomen en dan gingen we meestal uit eten.

Uit eten, dat was bij ons wel het summum van genot, vooral als het Japans was zaten we meestal letterlijk hardop te genieten.
Tja, wat zal ik doen. Twee ‘dagen’ in oktober die ineens een andere lading hebben. Hoe doe je dat?
Een ding weet ik zeker: dit jaar ga ik die data écht niet vergeten dus ik zal er wat mee moeten.

20130928-073826.jpg