Déjà vu

Daar zit ik dan, in het holst van de nacht. Ik kan niet slapen, zoals ik afgelopen jaren wel vaker halve nachten gewoon niet kon slapen. Gewoon omdat er veel te veel gebeurde in mijn woelige leven. Schrijven het beste medicijn tegen niet slapen. Daar zit ik dan…

Vandaag, of nee, gisteren natuurlijk want we zijn middernacht al lang voorbij, gisteren was het Aarts tweede sterfdag. Waarschijnlijk had ik bedacht dat het dit jaar niets voor zou stellen die dag, dat het maar gewoon een datum was als al die anderen en dat ik nu ik zo veel geluk heb gevonden ook die dag wel fluitend door zou fietsen. Niet dat ik tegenwoordig ineens alles fluitend doorfiets, maar meestal ben ik dat een paar dagen later alweer vergeten. Ik plande de dag vol met afspraken en klussen in mijn oude huis, ons oude huis.
De afgelopen week fietste ik al minder fluitend, ik voelde me donkerder worden van binnen, het verdriet sloop stiekem naar binnen. En gisterenavond, oh nee, eergisterenavond, de avond voor de dag dus zeg maar, brak ineens mijn voorraadpot met tranen en liep in één keer leeg.

Twee armen waren daar om mij te ondersteunen, ze sleepten me naar de kamer van Lucas waar ik stilletjes even keek, over zijn wang streelde en toen mijn snikken onderdrukkend weer naar buiten rende. Zoveel onwetendheid en onschuld, slapen zonder zorgen. Mijn lieve kind, ik hoop dat je nog lang onbezorgd zult slapen. Dat je straks weet dat jouw papa dood is, maar dat je gewoon toch gelukkig bent. Gelukkig met die nieuwe armen die ik voor mezelf en voor jou gevonden heb. Iemand die de naam papa ook verdiend en omdat jij dat ook verdiend.

Bij het wakker worden op die tweede sterfdag besefte ik me dat het inderdaad een dag was als alle anderen, maar wel een verdrietige dag. Ik voelde die brok in mijn keel nog zachtjes knijpen en duwen, de tranen in mijn ogen klaar om bij te springen indien nodig. Maar ook met de al geplengde tranen als verzachting van het feit dat ik vandaag gewoon hard aan de bak moest, alsof er niet aan de hand is vandaag. Dus dat deed ik.

Ik reed door de file naar Amersfoort en ging aan de slag.

Tot een uur of halfelf, ik weet het niet meer precies, de klok was op dat moment mijn laatste zorg. Ik was al gebeld door de keukenman over de planning en op het scherm stond de naam van mijn nieuwe lieve armen. Vrolijk nam ik op, maar hij was het niet zelf, het was een collega.

Ik wist het gelijk, hier is iets niet goed. Stop, ik wil dit niet. Maar ze vertelde me dat hij onwel was geworden tijdens een vergadering, gewoon weggezakt, dat het even geduurd had en dat ze 112 gebeld hadden. Nee niet 112! Geen ambulance alsjeblieft was mijn gedachte. Ik wilde in Amersfoort blijven, veel praktischer en logisch ook toch? Ik bedoel, straks hoefde hij helemaal niet mee, of bleek er gewoon een boertje dwars te zitten of zo. Ik heb echter natuurlijk gelukkig ook nog verstand en gevoel, dus ik ging. Op weg naar mijn lief om hem te steunen. Hoe bang ik stiekem ook was om straks te horen: “ja het is zijn hart, het is helemaal niet goed”. NEE, NEE, NEE!

Goddank het was niet zijn hart, het was ook geen andere direct levensbedreigende aandoening. Maar er is wel iets mis gegaan in zijn hoofd, een insult. Nu volgen verdere onderzoeken, maar de neuroloog maakt zich niet direct grote zorgen. Ik wel natuurlijk, stiekem. Want stel nou dat…stel nou dat ze straks zeggen: “het is niet goed mevrouw, het leek niet zo erg maar dat is het wel”.

NOU DAN ZAL IK ERVOOR GAAN OOK. Mij krijgen ze er heus niet onder met een paar ambulances, hartfilmpjes, MRI’s en onderzoeken meer of minder. Maar ik schrik me wel het apenzuur en ik wens echt écht met heel mijn hart dat ik dit nooit meer mee hoef te maken.

Dus laten we nu dan wel even afspreken dat er over een paar weken geen vervelende dingen uit de onderzoeken komen, dat het gewoon klaar is na het ultimatum van drie maanden niet mogen rijden, niet alleen mogen badderen en dat soort ongein. Gewoon klaar ja!

Liefde gemengd met druppeltjes verdriet

Ik zit in de auto en rijd van mijn huis naar mijn huis. Of nou ja rijdt, ik zou lopend waarschijnlijk sneller zijn want ik sta weer eens hopeloos in de file. Een mooi moment om mijn gedachten de vrije loop te laten. Ik mijmer over waar ik nu sta in mijn leven. In de file ja. Maar ook op een punt waar ik twee jaar geleden nooit van had kunnen denken dat ik daar zou zijn, wat ik drie jaar geleden nooit van mijn levensdagen had kunnen bedenken. Mijn leven is vierdubbel over de kop gegaan in de achtbaan en nu is het ineens weer soort van normaal, voor zover leven met mij überhaupt ooit normaal wordt. Drie jaar geleden was ik nog niet zwanger van Lucas, genoten Aart en ik van het leven samen. Genoten we na van de prachtige treinreis van een maand die we gemaakt hadden door Zuid-Oost Europa en maakten we plannen voor nieuwe reizen. En plannen voor een kind.

Twee jaar geleden, mei van het jaar 2013 was alles al groots en meeslepend anders. Aart was ziek geworden en weer bijna beter, ik was ziek geworden en te vroeg bevallen, Lucas was geboren en samen maakten we plannen om met ons gezin te gaan genieten. Eerst maar eens op Terschelling zeiden we tegen elkaar, gewoon genieten van een stukje fietsen. Wijs geworden door alle gebeurtenissen hadden we geleerd om klein te denken. Maar niet klein genoeg bleek een week later toen ik Aart opeens daar zo aantrof aan zijn bureau, al het leven al weggevloeid, mijn Aart al niet meer daar toen ik hem vond.

Het jaar wat daar op volgde was een jaar waar ik me nauwelijks nog wat van herinner. Ik weet nog dat ik intens verdrietig was, ik weet nog dat ik verschrikkelijk moe was. Dat Lucas het enige was dat me er toe kon bewegen om uit bed te komen, hoewel ik me heus soms wel eens omdraaide en de deken over mijn hoofd trok om nog even vijf minuten… Maar ook dat ik er rotsvast van overtuigd was dat het allemaal weer beter zou worden, dat die mist ooit weer op zou trekken en dat ik, ja ik, die oh zo ongelukkig getroffen weduwe, weer gelukkig zou worden. Het moest gewoon, het moest voor Lucas en misschien ook wel voor mezelf.
En het gebeurde, toen het jaar rond was, alle eerste keren zonder Aart geweest, trok de mist steeds verder op. Ik kreeg het gevoel dat mijn toekomst wel weer kleur zou hebben, ingekleurd door Lucas, ja dat leek me wel wat en misschien, ooit in de verre toekomst over een jaar of tien met een nieuwe vent. Want ja, ik had eigenlijk best wel zin om te zoenen.

En toen, toen struikelde ik ineens over een man tijdens een vakantie, om te zoenen, een weduwnaar nog wel. Eentje die me in het afgelopen jaar heel dierbaar werd. En met die liefde trok de mist steeds verder op, kwam de rouw meer in rust en het gat in mijn hart lekte niet meer alleen verdriet, maar ook liefde. Heel veel liefde. Liefde gemengd met druppeltjes verdriet.
Mijn dreumes werd een peuter, de winter maakte weer plaats voor Lente en toen was er ineens dat moment daar. Wij wilden niet meer langer heen en weer pendelen tussen twee steden, steeds maar twee kinderen heen en weer slepen, steeds maar dagen met elkaar missen en onduidelijkheid. Dat was het moment dat we besloten echt samen te willen leven.

En daar op dat punt in mijn leven ben ik nu. Samen met een schat en twee lieve kinderen bouwen wij voorzichtig de staanders voor een nieuw gezin. En dat is nou het gekke…het voelt zo gewoon. Gewoon alsof dit al jaren zo is, alsof dit gezin is zoals het bedoeld was. En daarmee is het soms net alsof onze hele voorgeschiedenis een beetje wordt weggevaagd. Want als ik er niet bij nadenk, dan ben ik gewoon bezig met de was, de bergen en bergen strijkgoed die een relatie met een man die overhemden draagt en een meisje dat jurkjes draagt met zich mee brengt. Dan maak ik me druk over wat we die avond gaan eten en de boodschappen. Dan leef ik gewoon mijn leven alsof het altijd zo is geweest. Zo…raar!

Het is heerlijk, het is heerlijk om weer te kunnen ademen, om rond te fietsen en de bloemen te kunnen zien en er gewoon ongecompliceerd blij van te worden. Maar het is soms ook zó, zó ontzettend raar dat ik nu gewoon rondfiets met een bakfiets met twee kinderen er in. Zo…gewoon.

Kerstboom

IMG_6370

Kerst 2013, ik besluit dat ik een project nodig heb, iets om kerst een andere wending te geven. Geen gemopper omdat ik in mijn eentje een boompje naar huis moet zien te slepen, of omdat ik in mijn eentje alle kerstversiering uit moet pakken. Geen getreur om het alleen versieren van de boom, geen tranen die vallen tegelijk met duizenden prikkende naalden. Ik koop een bosje latten, mep ze in elkaar, schilder er een boom op, timmer er flink wat spijkers in en voilà, klaar is mijn nieuwe boom.
Kerst 2014, inmiddels is mijn leven flink veranderd, ik ben niet meer zo alleen alleen, een nieuwe liefde wacht op mij aan mijn horizon, maar toch moet ik in mijn eentje die boom weer doen, hij woont ietwat ver weg. Ik pak mijn alternatieve kerstboom van het vorige jaar, zet hem op een veilige Lucashoogte en tuig hem op, licht weemoedig laat ik de ballen en andere versierselen die Aart en ik samen hebben uitgezocht door mijn handen gaan en tevreden hang ik ze weer aan de spijkertjes van mijn boom.
Maar ja, mijn leven is veranderd, nu is er een andere vent, een vent met wie ik samen een kerstboom kan opzetten. Zo geschiedde het dat het door mij zorgvuldig vermeden evenement, het opzetten van de kerstboom (dus geen platte lattenboom zoals ik zelf thuis heb) toch plaatsvind. Het in elkaar zetten van de kunstige boom gaat nog wat schamper lacherig, Aart zou echt werkelijk waar nooit zo’n plastic geval hebben willen hebben. Maar ik moet toegeven het is een mooi geval, hij lijkt best echt, hij is alleen ietwat keurig. Als de boom eenmaal staat volgt de ledverlichting ietwat nukkig, stomme ledverlichting, echte kaarsjes, dat is wat ik mis.
Daarna gaan de dozen vol ballen en andere versiering open, de versiering van een ander gezin, liefdevol bij elkaar gespaard door twee mensen waarvan er eentje nu, inmiddels meer dan een jaar, dood is. De ander is nu mijn lief. Net als ik die ander voor hem ben, die ene van twee waarvan het ene lief overleed. Zo is het gewoon.
Ik mopper wat over het stomme lint dat in de boom gehangen wordt, ik laat hier en daar wat ballen liggen die ik eerlijk gezegd zelf liever niet in mijn boom zou willen hebben. Ik kijk nukkig, ik word steeds stiller en stuurser. Stomme kerstboom, stom rotding, stomme rottige kerstballen, stom rottig kerstgevoel. Op de vraag waarom in zo stil ben weet ik nog geen antwoord maar even later komt het: tranen met tuiten. Ik wilde helemaal geen kerstboom versieren, ik wilde niet denken aan al die keren dat Aart en ik dat ding samen gingen optuigen. En de kerstboom opzetten op de sterfdag van mijn liefs andere lief is ook al niet erg bevorderlijk voor het vrolijke gevoel wat er wat mij betreft bij zou moeten horen. Rotkerst.
Het kerstgevoel is wat dat betreft helemaal compleet als we later die dag naar het tuincentrum gaan om een klein kerstboompje voor op haar graf te kopen. Niet dat ik dat zo erg vind, ik zoek er met liefde eentje uit. Maar als ik later even alleen ben tussen de kerstballen zijn ze er weer, die tranen en die herinneringen. Herinneringen aan al die keren dat Aart en ik samen door het tuincentrum draalden, op zoek naar die ene nieuwe kerstversiering voor in de boom. We kwamen ooit thuis met een pauw en twee vogels, met een moderne engel die trompet blaast en ook een keer met een roze op en schotel en een roze theepot aan lintjes die volgens Aart écht een plekje in de kerstboom verdienden. Ik denk aan die traditie en aan kerst 2012, onze laatste kerst samen, in het ziekenhuis, met voor het laatst een echt kerstboompje, piepklein en door mij versierd en meegenomen, staande op het ziekenhuistafeltje. Ik kruip even weg in de armen van mijn nieuwe lief, hij zoent mijn tranen weg.
Ik vierde kerst dit jaar met een hele nieuwe familie, ik vierde kerst met een lief die ook zijn lief miste, juist ook met kerst. Ik voel me rijk, zo veel mensen om me heen, nieuwe lieve mensen, een nieuwe liefde. Maar ergens op de achtergrond voel ik me met kerst ook gewoon schraal en eenzaam, verdrietig en leeg. Kerst is niet meer zoals kerst vroeger was, warm en onschuldig.
Gelukkig is er nu tijd en ruimte voor nieuwe tradities, we kochten samen met de kinderen versiering voor in de boom, ieder eentje. Volgend jaar doen we dat weer, net zo lang tot de boom kleurrijk uit zijn voegen barst. We maken samen nieuwe herinneringen, de oude niet verloochenend maar koesterend bij het nieuw geluk. Want wat hebben we een geluk dat we gewoon twee keer de liefde mogen vinden en twee keer gelukkig mogen zijn.

Nu is het de hoogste tijd om de kerstboom weer op te ruimen. Onder luid gemopper uiteraard want niets vind ik vervelender dan dat. Dag boom, dag kerst, tot volgend jaar, op naar vele mooie nieuwe herinneringen.

Troost van een eiland

20140706-144232-52952829.jpg
Daar zit ik dan, op een eiland waar ik al mijn hele leven kom. Met mijn ouders, met vrienden en natuurlijk ook met Aart. Twee jaar geleden hadden we hier een heerlijke vakantie. Twee weken genieten van het buiten zijn, fietsen, lekker eten en heel veel lezen. Acht maanden later werd er een piepklein jongetje geboren.
Het jaar daarop ging ik weer, alles was anders. Met dat kleine ventje maar zonder die grote waar ik nog zielsveel van hield. Dat jaar daartussen was de markering van hoe het ineens om kan slaan. Je leven in de achtbaan met helaas een niet altijd goede afloop. Het ongeluk vloog me om de oren dat jaar maar ook het geluk van een jong gezin, de geboorte van mijn prachtige zoon. En toen… Een paar maanden na de apotheose van al het ongeluk, het overlijden van Aart, was daar Terschelling. Afgesproken nog voor Aart ziek werd, een toekomstpunt waarnaar hij uitkeek toen hij op de sombere tl-verlichte mediumcare lag waar het personeel soms leek te vergeten dat de patiënten niet alleen maar medische problemen waten, maar ook personen van vlees en bloed met echte gevoelens. Terschelling was zijn troost. Hij zou weer genieten, daar op dat eiland, gelukkig zijn en misschien zelfs wel gezond.
Zo ver kwam het niet, slechts een paar maanden ervoor op een van de eerste zomerse dagen overleed hij, nog voor er samen, met ons gezin, opnieuw van het eiland hadden kunnen genieten.
Ik ging toch, naar dat troostrijke eiland waar ik al zo veel jaren kwam, met en zonder Aart. Met tranen in mijn ogen fietste ik langs de plekken waar we het jaar daarvoor ook waren geweest. Met vrienden die we samen hadden uitgenodigd, alleen hij kwam niet mee, verloren in de tijd. We waren vreemd geamputeerd die dagen maar het eiland gaf me rust en troost.
Nu zit ik daar weer, bijna een jaar later en het besef begint tot me door te dringen dat mijn leven doorgaat. Onvermoeibaar tikken de minuten door. Ik word gewoon ouder en Lucas ook. En hoewel het verdriet nog altijd schraal is, soms geen weg naar buiten vind, merk ik toch ook; de tijd schrijdt voort en dat is goed. Ik hoef niet meer stil te blijven zitten omdat zijn leven ook nooit meer verder gaat. Ik kijk voorzichtig in de toekomst en wat ik zie bevalt me wel. Mijn leven kan ook mooi zijn zonder Aart. Is ook de moeite waard zonder hem. Al zal ik altijd verlies meedragen.
Het wordt minder alleen maar Lucas die mijn leven kleurt. Ik doe het zelf, ik voel het zelf, de weg naar de toekomst van een nieuw leven wordt weer steeds meer begaanbaar. Ik begin weer te voelen, verdriet krijgt langzamerhand een plekje maar ook fijne gevoelens steken de kop op.
Verwarrend is het soms om je blij te voelen of om te kijken naar een andere man en te denken: “die wil ik wel zoenen”. Maar het is ook fijn om te weten dat het nog bestaat, dat die weg niet voorgoed is afgesneden. Ik kan ook zonder Aart gelukkig zijn, dat weet ik zeker. Het leven van Aart en mij samen stopte toen hij overleed maar hij hield een belangrijke plek in mijn hart. Die plek zal altijd blijven, bevroren in de tijd. Ik heb hem lief gehad en hij mij. Maar naast dat gat is nog een heleboel hart over dat wil voelen en blij zijn. Nu moet ik weer verder, liefhebben kan denk ik ook zonder hem. Kleine sprankjes hoop vertellen het mij.
En ondertussen verwarmt de Terschellingse zon mij geruststellend. ‘Het komt wel goed schatje’. Het zal er altijd zijn dit eiland, zo lang ik leef. Ik zal er altijd blijven komen, om me te laten koesteren door de wind, de zeelucht, en het zand, om me te laten troosten én om te genieten met iedereen die ik lief heb en gelukkig te zijn.
Volgend jaar weer?

Stil van buiten

Het is stil, buiten is het stil, hier binnen is het stil. Hier is het stil. Maar van binnen is het dat niet. In mij woedt een storm die mij maant tot stilstand. Die maakt dat ik deze weken niet zo goed kan schrijven, niet kan tekenen. Daarvoor moet er beweging zijn, letters en ideeën moeten vloeien. Misschien is dit wel een eerste stap. Ik moest wel schrijven want de stilte overweldigde mij.
Ik lag in bed met mijn ogen dicht, klaar wakker maar toch met droomgedachten. Hersenspinsels voortkomend uit mijn angsten.
Ik zei laatst dat ik somber was. “Moet ik mij zorgen maken?” vroeg mijn behandelaar mij. Niet begrijpend keek ik hem in eerste instantie aan. Of ik suïcidaal was bedoelde hij. Ik zei lachend nee. Net in bed bedacht ik mij dat ik hem had willen zeggen dat dat pas zou gebeuren als Pasen en Pinksteren op één dag zouden vallen en dan waarschijnlijk nog niet. ‘Maar wel als Lucas doodgaat’ zegt vervolgens één van mijn hersenspinsels. Waarna ik me vervolgens voorstel hoe dat zou voelen en voor me zie hoe ik mezelf van een brug werp of nee te bloederig, een hand vol pillen slik. Hmmm verkeerde onderwerp, ik probeer mijn gedachten te sturen naar een wat zonnigere richting. Ineens is het wel zonnig, maar ben ik weer op die mooie zondagmorgen in juni, ik sta in de deuropening te wachten, ik hoor een sirene. Ik bedenk me weer hoe ik mensen belde om te vertellen dat ik Aart gevonden had, dood en of ze wilden komen al is het maar omdat ik met mijn trillende handen de melk voor Lucas niet in een flesje krijg. Mijn ouders, mijn zusje, vriendinne, Aarts beste vriend en zijn lieve vrouw. Ongeloof en paniek, verdiet en ik sta te trillen maar blijf rustig. Ik moet praktisch blijven. Mijn baby slaapt op de eerste verdieping.
Er komt een motorambulance aan, in mijn gedachten zijn het er twee, maar in werkelijkheid kwam die tweede later pas.
Het volgende moment ben ik ineens weer aan de telefoon met de alarmcentrale, maar het gaat anders dan hoe het was, ik moet hem gaan reanimeren maar ik durf niet, hij is te zwaar, ik kan het niet.

Ik lig te trillen in bed, mijn hart klopt in mijn keel. Ergens in de verte voel ik opgesloten tranen.
Hersenspinsels, ze overvallen me in het donker, als de hele wereld slaapt en ik ook niets liever wil dan dat. In de schemering tussen waken en slapen, als ik mijn harnas heb afgelegd en kwetsbaar probeer te gaan slapen grijpen ze mij, houden mij af van wat ik wil en nodig heb en vertellen mij wat ik overdag soms nog een beetje weg kan duwen: auw.

Alleen

Alleen. Daar zit ik dan, een loodzware week achter de rug met een belastingaangifte waar je u tegen zegt, gesprekken over de afhandeling van de erfenis, een naar onderzoek aan mijn heup een doodziek kind, nieuwe medicatie en ga zo maar verder. Ik ben moe en toe aan rust. Rust kreeg ik ook want op de een of andere manier gaan allerlei leuke afspraken niet door, allemaal met een andere goede reden. Het komt goed uit, ik heb ook zin om lekker in de tuin in de zon te gaan zitten met een boek en geen gesleep of gedoe met een kind dat eigenlijk nog niet zo lekker is.

Waarom voel ik me dan ineens zo verschrikkelijk verdrietig? Waarom overvalt mij ineens een gevoel van eenzaamheid? Terwijl Lucas zit te spelen zit ik hier stiekem een potje te huilen. Ik heb ineens helemaal geen zin meer in dit weekend, ik wil geen zon. Ik wil vies pestweer zodat ik een goede reden heb om met mijn boek in bed te kruipen, diep onder de dekens met mijn elektrische dekentje aan wat mij opwarmt.

Eigenlijk raakt het aan een gevoel wat ik al een hele tijd bij mij draag. Eenzaamheid. Een gevoel wat ik maar niet van me af kan schudden, iets wat ik bij me heb, elke dag weer. Het maakt niet uit hoeveel mensen ik om me heen heb, hoe fijn iedereen me ook steunt. Ik voel me voortdurend alleen. Zelfs de aanwezigheid van Lucas kan me daarbij niet helpen. Ik kan het wel een stukje van me afschuiven, even wegdenken voor een tijdje. Ik kan genieten van de leuke dingen die ik doe, het zijn ook kleine oplaadmomentjes. Het is ook niet zo dat ik elk moment dat ik alleen ben, ’s avonds op de bank, andere weekenden dat ik (meestal bewust) geen afspraken heb, huilend in een hoekje weg kruip. Ik vind dat helemaal niet zo erg. Maar soms overvalt mij dat gevoel van alleen zijn, helemaal alleen.

Het was ook eigenlijk Aart die dat intense gevoel van eenzaamheid bij mij verbrak toen ik een relatie met hem kreeg. Het is een gevoel wat ik al jaren bij mij draag, ingegeven door het bewustzijn dat niemand mijn ooit echt helemaal zal begrijpen. Zelfs ikzelf niet. Maar Aart kwam er dicht bij in de buurt. Niet dat hij alles maar dan ook alles van me wist en snappen deed hij het al helemaal niet. Maar bij hem vond ik een soort rust in die eenzaamheid, voelde ik me eindelijk niet meer alleen op de wereld. En ik weet niet wat het is, maar zo voel ik me nu wel weer. Ik ben op mezelf aangewezen, ik ben op mezelf teruggeworpen. Ik ben de enige die er altijd is en altijd zal zijn zolang ik leef. De enige op wie ik dus ook echt kan bouwen. Ik kán ook op mezelf bouwen, de tijd heeft me geleerd dat ik een sterke vrouw ben, ik heb vertrouwen in mijn kunnen en weet van mijn onkunde.

Maar die eenzaamheid, die sluipt weer stiekem onder mijn huid. Het is een gevoel wat ik af en toe op een zijspoor kan zetten als ik merk dat mensen er voor me zijn, als ik me gekoesterd voel. En hoe eenzamer ik me voel, eenzaam diep vanbinnen, want verder naar de oppervlak heb ik nergens last van, hoe eenzamer ik me voel, hoe groter de behoefte om gekoesterd te worden. Liefde, de liefde van Aart koesterde me, ik voelde me gewenst en ik kon het gevoel van eenzaamheid opzij schuiven. Ik was me er altijd van bewust dat het er was, ergens diep van binnen. Maar het was een overbodig gevoel geworden, want ik werd gekoesterd, het gevoel bedekt met de mantel der liefde.

Nu vervaagt die liefde, zachtjes uitgevlakt door de tijd en nog maar een schaduw van wat hij daadwerkelijk was. Liefde die ik nog geef vooral, die ik uitstraal maar die niet ontvangen word en niet geretourneerd door Aart. Wel in gedachten, maar niet in het lijfelijke gevoel van twee armen om je heen die je áltijd weer dat geborgen gevoel kunnen geven, die je koesteren en die samen met jou de weg van de eenzaamheid bewandelen. Want eenzaam, dat waren we samen.

Gescheiden

Regelmatig word het weduwezijn vergeleken met een scheiding door mensen die proberen een poging te wagen het te begrijpen of door mensen die het gevoel hebben met hun scheiding iets vergelijkbaars meegemaakt te hebben. Maar al te vaak ontsteken weduwen in woede omdat ze dat niet vergelijkbaar vinden. Mij maak je niet boos met die vergelijking, iedereen zoekt herkenning en er is ook gewoon een duidelijke overlapping wat mij betreft. Daar kun je als weduwe ook best wat aan hebben. Maar dat neemt niet wel dat er natuurlijk ook verschillen zijn. Ik wil iedereen graag hier uitnodigen om er over te praten. Weduwen die hier nog toevoegingen op hebben, maar ook juist gescheiden vrouwen die hier anders tegen aan kijken (of het zelfde), die overeenkomsten zien of juist nog andere verschillen.

De moeilijkheid zit hem in het feit dat er inderdaad ontzettend veel overeenkomsten (kunnen) zijn. Bijvoorbeeld bij dames (en heren) die ineens verlaten worden door hun man (of vrouw). Van de ene op de andere dag zijn ze geen partners meer, verliezen ze de gene van wie ze dachten te houden. Of op z’n minst dachten een relatie mee te hebben. Het gaat natuurlijk niet altijd zo abrupt, maar het komt toch ook regelmatig voor. Ik ken meerdere dames die met jonge kinderen en zonder man zitten omdat betreffende man de benen heeft genomen.
Als je man overlijd ben je ook van de ene op de andere dag je geliefde kwijt, heb je ook het besef dat je het voortaan zonder hem moet rooien, dat je vanaf dat moment alleen bent.
In beide situaties krijg je een flinke schok te verwerken, iets waar je nog heel lang van ondersteboven kunt zijn en waar je beschadigd van kunt raken. In beide gevallen moet je een verlies gaan verwerken en ga je een periode van intens verdriet door.

Maar er zijn natuurlijk ook verschillen. Dingen die het een anders maken dan het andere.
Bijvoorbeeld de schade, als je man je van de ene op de andere dag verlaat kan ik me zo maar voorstellen dat je zelfvertrouwen een flinke deuk op loopt. In gevallen van suïcide is dit trouwens denk ik ook het geval. Het maakt dat je aan jezelf gaat twijfelen, je vraagt je ook misschien wel af of liefde wel voor je is weggelegd. Ik weet het niet precies, het is mij niet overkomen, het is voor mij net zo als voor de gescheiden vrouw om te raden naar hoe het is om weduwe te zijn denk ik.
Als je man overlijd wordt je vertrouwen in het leven geschaad. Je wordt geconfronteerd met de vergankelijkheid van het leven en dat raakt aan ontzettend veel. De angst dat je zelf ook zoiets kan overkomen of nog veel erger, de angst dat je kinderen of andere dierbaren zoiets kan overkomen. Ik sta regelmatig met hartkloppingen aan Lucas’ bedje omdat ik ineens als de dood ben dat hij niet meer ademt. Nou schijnt dat ook wel een beetje moeder eigen te zijn, maar dit kwam bij mij pas in volle hevigheid opzetten na Aarts overlijden.

In beide gevallen ben je ineens alleen. Heb je verdriet en is de gene die je moet troosten juist de veroorzaker van het verdriet. Het verschil is wel dat je met je overleden man nooit meer kunt praten, tenzij je geloofd in het paranormale, maar daar zijn dus nogal wat kunstgrepen voor. Met je ex kun je nog wel praten, helaas misschien wel, want dat is misschien wel het laatste waar je op zit te wachten. Maar die persoon is er nog wel.
En waar ik als weduwe er heel wat voor over zou hebben om nog een keertje ruzie met mijn man te kunnen maken is dat waarschijnlijk het laatste waar je op zit te wachten met je ex. Maar het kán nog wel!

Ook een verschil is dat ik als weduwe voor eeuwig geliefde ben. Ik zal altijd in de wetenschap zijn dat mijn man ontzettend veel van me hield en ik van hem. Dat werd ruw verstoort door die stomme dood, maar het blijft voor altijd bij me. Het is ook iets wat ik me wil blijven herinneren, iets wat ik in elk geval een beetje vast wil houden. Terwijl dit bij scheidingen juist vaak kapot gemaakt is. Het houden van geknakt, vertrouwen in de liefde gebroken. Niet elke weduwe heeft dat geluk misschien, maar het is wel een tendens.

Uiteindelijk maakt het mij niet uit, iedereen is verschillend, iedere weduwe rouwt anders en iedere scheiding raakt anders. Verdriet is verdriet. Er zijn altijd overeenkomsten en verschillen en wat mij betreft moeten wij alleenstaande vrouwen en moeders elkaar gewoon steunen in zware tijden.

Dat jij er bent

En in weer zo’n donkere eenzame nacht sluip ik naar het kamertje van mijn zoon. Míjn zoon! Ik leg hem recht, dek hem nog eens toe, streel over zijn haartjes en wring me in een onmogelijke bocht over de rand van zijn ledikantje om zijn hoofdje te kussen. Ik hoor een zachte zucht. Ik leg zijn speentje terug in bed, zijn knuffels recht en zachtjes fluister ik: “ik ben zo blij dat jij er bent”.
Hij hoort me niet, hij ligt onschuldig diep te slapen en ik ben blij dat hij het allemaal niet meekrijgt. Die verdrietige doorwaakte nachten waarin ik spook en ik in bed liggen afwissel met zachtjes rondsluipen.
Ik ben zo blij dat hij er is, dat ik mijn liefde nog op hem kan botvieren. Dat ik ’s nachts getroost kan worden door hem even zachtjes aan te raken. Mijn kind, mijn zóón.
Hij kan mij niet vertellen dat het allemaal wel goed komt met mooie woorden. Hij slaat geen troostende arm om me heen. Hij trekt hoogstens aan mijn haar als hij de kans krijgt of probeert eens een hapje uit mijn arm en brabbelt papapapapa. Hij hoeft dat ook niet te doen, hij is mijn kind en als ik hem zie wéét ik dat het goed komt. Het, ja, datgene wat nu enigszins ondefinieerbaar maakt dat het niet goed ís. Als ik naar hem kijk denk ik aan al die mooie momenten die wij samen nog gaan krijgen. Aan hoe ik hem zal vertellen over papa, hoe verliefd die op hem was en hoe hij hem mee nam naar zijn werkkamer op zolder om hem te laten slapen in de wasmand. Hoe hij dan uren naar hem zat te kijken en totaal vergat wat hij daar aan het doen was. Hoe hij glom van trots als hij het over hem had.
En als ik naar hem kijk en hem driftig hoor brullen dan denk ik: als jij op je vader én je moeder lijkt krijg ik nog heel wat met je te stellen. En stiekem moet ik dan een beetje glimlachen, we waren me een stelletje.

Een jaar geleden (4), kerstmis 2012

20131225-140310.jpg

Daar zaten we dan, een jaar geleden. Het was 1e kerstdag en de week in het St. Antonius ziekenhuis was inmiddels twee en een halve week geworden. Elke dag vroeg Aart wanneer hij terug mocht naar het ziekenhuis in Amersfoort. Niet eens naar huis, gewoon naar het oude vertrouwde Amersfoort waar hij al weken had gelegen, waar het veel fijner was.
Op eerste kerstdag hadden wij de hoop opgegeven dat het snel zou gebeuren, er was elke keer wel weer een reden om hem in Nieuwegein te houden en nu was het kerst, kerst in geen dag om patiënten te gaan verplaatsen.

Dus bracht ik thuis de dag in de keuken door, alleen. Ik versierde een kerstboompje, een echte in een pot en ik maakte gevulde eieren, een gehaktbrood en een Griekse salade. Alles wat Aart heerlijk vond en zo ontzettend miste daar in het ziekenhuis.
En tegen etenstijd pakte ik alles in folie, bakjes etc. en toog met mijn auto vol eten en kerstspullen naar het ziekenhuis in Nieuwegein.
Daar lag Aart die dacht dat ik gewoon een frietje zou komen brengen, of iets anders simpels. Ik zette zijn boompje neer, met kleine ballen en lichtjes op batterijen. Een lantaarntje met een nepwaxinelichtje en zijn ziekenhuisnachtkastje cq tafeltje toverde ik om tot kersttafel compleet met tafelkleedje. Aart keek bij dit alles zijn ogen uit en raakte maar niet uitgepraat over hoe fijn het was, hoe lief het was en hoe heerlijk en geweldig hij het vond. Hij schepte op over dat hij zo’n geweldige vrouw had tegen iedereen die het maar wilde horen.

Tussendoor ging de verzorging gewoon door. Bloeddruk meten, temperaturen, vragen beantwoorden en pillen slikken. Gedwee onderging hij het terwijl hij zijn voor de verandering niet volledig zoutarme maal naar binnen schranste. Het kon hem even niets meer schelen.

20131225-140411.jpg

En toen, toen we bijna bij het toetje waren, kwam er ineens weer een verpleegkundige langs: “ze komen u zo halen meneer Brouwer, gaat u uw spulletjes maar pakken.”. Aart keek verbouwereerd en mijn mond hing half open: “halen?” Wat gaan ze doen dan. “Meneer wilde toch graag naar Amersfoort? Nou dat hebben we geregeld. Aarts ogen begonnen nog mee te glimmen dan ze al deden. Daar eindigde ons kerstdiner met door Aart zeer gewenst cadeautje. Ik pakte zijn tas in, stopte de etensresten weer in bakjes, vouwde het tafelkleed op en toen stonden er ineens twee ambulancebroeders met een brancard in de kamer. Daar gingen we, ik met de kerstboom onder mijn arm en mijn bolle buik waggelend achter de brancard aan.

Toen ik in Amersfoort aan kwam zat Aart al op zijn nieuwe bedje in een van die piepkleine benauwde zaaltjes van A0, zijn geliefde afdeling. Van de ambulancebroeders had hij een beer gekregen voor zijn ongeboren zoon waar hij trots over verteld had.
We besloten ons kerstdiner nog even af te maken, ik installeerde opnieuw de kerstboom en terwijl wij de laatste hapjes van ons diner verorberden kwam de ene na de andere ziekenhuismedewerker even buurten. Van voedingsassistent tot verpleegkundige, ze kwamen allemaal even hoi zeggen, sommigen vertelden dat ze zich zorgen hadden gemaakt toen hij maar niet meer terug kwam.

Na een half uur moest ik weg, niet omdat het bezoekuur voorbij was, ze knepen wel een oogje toe. Maar Aart hield zijn ogen haast niet meer open. Moe, maar intens tevreden kroop hij onder zijn dekens. Eindelijk weer ‘thuis’ in zijn oude vertrouwde ziekenhuis waar hij zo liefdevol verzorgd was, weg uit dat akelige koude grootschalige hol waar hij zulke slechte herinneringen aan had. Een kerstdiner waar hij alleen maar van had kunnen dromen, een kerstboom.

Zo kwam het dat ik op eerste kerstdag ’s avonds alleen op de bank zat met tóch met een heel tevreden gevoel. Morgen dacht ik, ben ik gewoon in 10 minuten bij hem, wat een luxe!

Nu, een jaar later denk ik: ja wat een luxe was dat toen. Ik had hem misschien niet bij mij thuis, maar als ik wilde kon ik wel twee keer per dag gaan knuffelen, zoenen, praten. Als ik wilde kon ik altijd bellen, even zijn mooie warme stem horen die altijd iets liefdevols zei. Ja wat een luxe.

Stil met kerst

Het is hier stil, al een tijdje heb ik niets geschreven. Dat komt omdat ik in de war ben. De dagen rondt Sinterklaas en Aarts grote operatie waren moeilijk, veel moeilijker dan ik dacht. En nu is het weer stil, het voelt als het oog van de storm, alsof ik er midden in zit maar alles ineens heel kalm is geworden. Nou ja betrekkelijk kalm want bij mij van binnen stormt er nog steeds een storm, elke dag weer. Ik ben moe en gewoon in de war. De gedachten in mijn hoofd vormen geen rijen van twee meer, staan niet netjes in positie, maar vliegen alle kanten op. Nou is dat bij mij wel vaker het geval hoor, ik heb meer laatjes dan de gemiddelde mens en ik vergeet regelmatig op te ruimen. Dan is het een troep in mijn hoofd en weet ik van gekkigheid niet meer wat ik met mezelf aan moet.
Ik merk dat ik probeer de laatjes weer te sorteren, maar mijn hoofd voelt als een hoofd vol watten. Wanneer kan ik nou gewoon weer helder nadenken? Wanneer zakt de moed me niet meer in de schoenen als ik een brief open waarin staat dat er van mij een actie verlangd wordt? Gewoon zoiets stoms als een formuliertje invullen of het betalen van een rekening. Wanneer schiet ik niet meer in de stress alleen maar omdat er ook avondeten gekocht moet worden, of nee nog erger… gekookt!
Maar ondanks dat probeer ik er gewoon toch wat van te maken. Toch gewoon een beetje te genieten en leuke dingen te doen. Want anders zou het gewoon een wel heel treurige bende worden hier.

Ik timmerde bijvoorbeeld een kerstboom in het kader van: “kerst is wat je er zelf van maakt”. Ik wilde dit jaar geen kerstboom, herinneringen aan het mini-boompje van vorig jaar wat ik bij Aart in het ziekenhuis bracht staan me nog helder voor de geest. Vorig jaar was kerst al niet echt leuk met Aart in het ziekenhuis, dit jaar is Aart er helemaal niet bij, hoezo fijne feestdagen? Maar tegelijkertijd wilde ik ook niet doen alsof het geen kerst was, geen kans ook, je wordt er overal mee geconfronteerd. Onze traditie was dat we elk jaar een echte boom hadden, rijk versierd in alle kleuren van de regenboog. Elk jaar kwamen daar een paar zorgvuldig en liefdevol uitgekozen versieringen bij. Meestal deed ik dat, dan kwamen er weer een paar rood met wittestippenballen bij, maar soms bemoeide Aart zich er mee. Twee jaar geleden heeft hij mij de hele kerst doen grijnzen telkens als ik de boom zag want hij had, bloedserieus, voor in de boom een roze kop en schotel en een roze bijpassende theepot uitgezocht. Nog steeds moet ik daar om lachen, want hij vond het serieus erg mooi. Ik vind ze vrij eh, roze, maar kon het idee waarderen.
Ik bedacht me dat het zonde was dat die kop en schotel dit jaar niet opgehangen zouden worden en ging op zoek naar een alternatieve kerstboom. Ik googelde plaatjes van houten kerstbomen en maakte een plan. Met dat plan toog ik naar de gamma waar ik twaalf balken in stukken liet zagen. Het was daarmee dat ik een kerstboom fabriceerde die ik eigenlijk nog bijna leuker vind dan die echte boom. Gewoon omdat hij anders is en anders bij mij past. En zo leuk, al die kerstversieringen die wij in de loop de jaren verzameld hebben hebben een ereplekje gekregen. De kop en theepot, de pauw en de vogels, de rode ballen met witte stippen, de paddenstoelen, maar ook oude ballen die ooit van Aarts ouders waren, net zoals de houten kerstengeltjes.
Ik vier kerst maar gewoon een beetje op mijn eigen manier.

Afgelopen vrijdag gaven we een groot kerstconcert in de grote kerk van Harderwijk. Dat was een bijzondere ervaring, om als Pop&Rockkoor in een uit de kluiten gewassen kerk te zingen. Ik vond het vooral leuk om te merken hoe saamhorig het koor er van werd. Precies een gevoel waar ik momenteel behoefte aan heb. Dat ik totaal uitgeput en leeggelopen was van al die input is dan even van ondergeschikt belang.
Ik schreef ook nog voor de afsluitende kerstviering van koor gisteren een alternatieve versie voor ‘Hark! The Herald Angels Sing’ en was nog zo gek die voor ze te gaan zingen ook. Dat gaat nooit echt goed want zodra ik in de buurt van de microfoon kom schiet ik zo verschrikkelijk in de stress dat ik mijn papier met tekst bijna niet meer kan vast houden, vals ga zingen en volledig de timing verlies, zelfs als een orkest op de achtergrond gewoon min of meer de melodie speelt.
Maar ik merk dat sinds Aarts overlijden me er toch minder druk om maak. Ja ik krijg een knalrood hoofd, schiet in de stress en baal dat het wéér niet gelukt is mijn zenuwen in bedwang te houden. Maar ik lig er niet meer wakker van. Net alsof ik me eindelijk gerealiseerd heb dat er belangrijkere dingen zijn in je leven om je druk over te maken. Bovendien doe ik mee voor mijn plezier, toch?
Het was een hele gezellige avond en tot mijn stomme verbazing kreeg ik nog een bedanktroffee ook voor het mede een onvergetelijk maken van de avond. Ik denk dat ik maar een prijzenkast moet gaan timmeren!
En dan, aan het einde van zo’n avond, wil ik het liefste mijn matrasje uitstallen in de gymzaal waar we altijd oefenen en de leuke avond voor altijd laten voortduren. Dan wil ik niet naar huis, ook al is daar Lucas samen met mijn lieve zus die oppast. Ik wil dan blijven, ook al voel ik me verdrietig zo tegen het einde. Verdrietig omdat ik weet dat ik mijn ervaringen niet met Aart kan delen. Omdat ik weet dat het geen zin heeft om bij thuiskomst enthousiast naar zolder te rennen om te vertellen over je blunder van de avond. Omdat hij er niet is om er met je om te lachen, je te knuffelen en te vertellen dat hij gewoon nog steeds van je houdt, ook als je vals en uit de maat zingt. Omdat ik Aart gewoon verschrikkelijk mis en ik dat dan na zo’n leuke avond extra hard voel.