Dat jij er bent

En in weer zo’n donkere eenzame nacht sluip ik naar het kamertje van mijn zoon. Míjn zoon! Ik leg hem recht, dek hem nog eens toe, streel over zijn haartjes en wring me in een onmogelijke bocht over de rand van zijn ledikantje om zijn hoofdje te kussen. Ik hoor een zachte zucht. Ik leg zijn speentje terug in bed, zijn knuffels recht en zachtjes fluister ik: “ik ben zo blij dat jij er bent”.
Hij hoort me niet, hij ligt onschuldig diep te slapen en ik ben blij dat hij het allemaal niet meekrijgt. Die verdrietige doorwaakte nachten waarin ik spook en ik in bed liggen afwissel met zachtjes rondsluipen.
Ik ben zo blij dat hij er is, dat ik mijn liefde nog op hem kan botvieren. Dat ik ’s nachts getroost kan worden door hem even zachtjes aan te raken. Mijn kind, mijn zóón.
Hij kan mij niet vertellen dat het allemaal wel goed komt met mooie woorden. Hij slaat geen troostende arm om me heen. Hij trekt hoogstens aan mijn haar als hij de kans krijgt of probeert eens een hapje uit mijn arm en brabbelt papapapapa. Hij hoeft dat ook niet te doen, hij is mijn kind en als ik hem zie wéét ik dat het goed komt. Het, ja, datgene wat nu enigszins ondefinieerbaar maakt dat het niet goed ís. Als ik naar hem kijk denk ik aan al die mooie momenten die wij samen nog gaan krijgen. Aan hoe ik hem zal vertellen over papa, hoe verliefd die op hem was en hoe hij hem mee nam naar zijn werkkamer op zolder om hem te laten slapen in de wasmand. Hoe hij dan uren naar hem zat te kijken en totaal vergat wat hij daar aan het doen was. Hoe hij glom van trots als hij het over hem had.
En als ik naar hem kijk en hem driftig hoor brullen dan denk ik: als jij op je vader én je moeder lijkt krijg ik nog heel wat met je te stellen. En stiekem moet ik dan een beetje glimlachen, we waren me een stelletje.

Advertenties

Een jaar geleden (4), kerstmis 2012

20131225-140310.jpg

Daar zaten we dan, een jaar geleden. Het was 1e kerstdag en de week in het St. Antonius ziekenhuis was inmiddels twee en een halve week geworden. Elke dag vroeg Aart wanneer hij terug mocht naar het ziekenhuis in Amersfoort. Niet eens naar huis, gewoon naar het oude vertrouwde Amersfoort waar hij al weken had gelegen, waar het veel fijner was.
Op eerste kerstdag hadden wij de hoop opgegeven dat het snel zou gebeuren, er was elke keer wel weer een reden om hem in Nieuwegein te houden en nu was het kerst, kerst in geen dag om patiënten te gaan verplaatsen.

Dus bracht ik thuis de dag in de keuken door, alleen. Ik versierde een kerstboompje, een echte in een pot en ik maakte gevulde eieren, een gehaktbrood en een Griekse salade. Alles wat Aart heerlijk vond en zo ontzettend miste daar in het ziekenhuis.
En tegen etenstijd pakte ik alles in folie, bakjes etc. en toog met mijn auto vol eten en kerstspullen naar het ziekenhuis in Nieuwegein.
Daar lag Aart die dacht dat ik gewoon een frietje zou komen brengen, of iets anders simpels. Ik zette zijn boompje neer, met kleine ballen en lichtjes op batterijen. Een lantaarntje met een nepwaxinelichtje en zijn ziekenhuisnachtkastje cq tafeltje toverde ik om tot kersttafel compleet met tafelkleedje. Aart keek bij dit alles zijn ogen uit en raakte maar niet uitgepraat over hoe fijn het was, hoe lief het was en hoe heerlijk en geweldig hij het vond. Hij schepte op over dat hij zo’n geweldige vrouw had tegen iedereen die het maar wilde horen.

Tussendoor ging de verzorging gewoon door. Bloeddruk meten, temperaturen, vragen beantwoorden en pillen slikken. Gedwee onderging hij het terwijl hij zijn voor de verandering niet volledig zoutarme maal naar binnen schranste. Het kon hem even niets meer schelen.

20131225-140411.jpg

En toen, toen we bijna bij het toetje waren, kwam er ineens weer een verpleegkundige langs: “ze komen u zo halen meneer Brouwer, gaat u uw spulletjes maar pakken.”. Aart keek verbouwereerd en mijn mond hing half open: “halen?” Wat gaan ze doen dan. “Meneer wilde toch graag naar Amersfoort? Nou dat hebben we geregeld. Aarts ogen begonnen nog mee te glimmen dan ze al deden. Daar eindigde ons kerstdiner met door Aart zeer gewenst cadeautje. Ik pakte zijn tas in, stopte de etensresten weer in bakjes, vouwde het tafelkleed op en toen stonden er ineens twee ambulancebroeders met een brancard in de kamer. Daar gingen we, ik met de kerstboom onder mijn arm en mijn bolle buik waggelend achter de brancard aan.

Toen ik in Amersfoort aan kwam zat Aart al op zijn nieuwe bedje in een van die piepkleine benauwde zaaltjes van A0, zijn geliefde afdeling. Van de ambulancebroeders had hij een beer gekregen voor zijn ongeboren zoon waar hij trots over verteld had.
We besloten ons kerstdiner nog even af te maken, ik installeerde opnieuw de kerstboom en terwijl wij de laatste hapjes van ons diner verorberden kwam de ene na de andere ziekenhuismedewerker even buurten. Van voedingsassistent tot verpleegkundige, ze kwamen allemaal even hoi zeggen, sommigen vertelden dat ze zich zorgen hadden gemaakt toen hij maar niet meer terug kwam.

Na een half uur moest ik weg, niet omdat het bezoekuur voorbij was, ze knepen wel een oogje toe. Maar Aart hield zijn ogen haast niet meer open. Moe, maar intens tevreden kroop hij onder zijn dekens. Eindelijk weer ‘thuis’ in zijn oude vertrouwde ziekenhuis waar hij zo liefdevol verzorgd was, weg uit dat akelige koude grootschalige hol waar hij zulke slechte herinneringen aan had. Een kerstdiner waar hij alleen maar van had kunnen dromen, een kerstboom.

Zo kwam het dat ik op eerste kerstdag ’s avonds alleen op de bank zat met tóch met een heel tevreden gevoel. Morgen dacht ik, ben ik gewoon in 10 minuten bij hem, wat een luxe!

Nu, een jaar later denk ik: ja wat een luxe was dat toen. Ik had hem misschien niet bij mij thuis, maar als ik wilde kon ik wel twee keer per dag gaan knuffelen, zoenen, praten. Als ik wilde kon ik altijd bellen, even zijn mooie warme stem horen die altijd iets liefdevols zei. Ja wat een luxe.

Stil met kerst

Het is hier stil, al een tijdje heb ik niets geschreven. Dat komt omdat ik in de war ben. De dagen rondt Sinterklaas en Aarts grote operatie waren moeilijk, veel moeilijker dan ik dacht. En nu is het weer stil, het voelt als het oog van de storm, alsof ik er midden in zit maar alles ineens heel kalm is geworden. Nou ja betrekkelijk kalm want bij mij van binnen stormt er nog steeds een storm, elke dag weer. Ik ben moe en gewoon in de war. De gedachten in mijn hoofd vormen geen rijen van twee meer, staan niet netjes in positie, maar vliegen alle kanten op. Nou is dat bij mij wel vaker het geval hoor, ik heb meer laatjes dan de gemiddelde mens en ik vergeet regelmatig op te ruimen. Dan is het een troep in mijn hoofd en weet ik van gekkigheid niet meer wat ik met mezelf aan moet.
Ik merk dat ik probeer de laatjes weer te sorteren, maar mijn hoofd voelt als een hoofd vol watten. Wanneer kan ik nou gewoon weer helder nadenken? Wanneer zakt de moed me niet meer in de schoenen als ik een brief open waarin staat dat er van mij een actie verlangd wordt? Gewoon zoiets stoms als een formuliertje invullen of het betalen van een rekening. Wanneer schiet ik niet meer in de stress alleen maar omdat er ook avondeten gekocht moet worden, of nee nog erger… gekookt!
Maar ondanks dat probeer ik er gewoon toch wat van te maken. Toch gewoon een beetje te genieten en leuke dingen te doen. Want anders zou het gewoon een wel heel treurige bende worden hier.

Ik timmerde bijvoorbeeld een kerstboom in het kader van: “kerst is wat je er zelf van maakt”. Ik wilde dit jaar geen kerstboom, herinneringen aan het mini-boompje van vorig jaar wat ik bij Aart in het ziekenhuis bracht staan me nog helder voor de geest. Vorig jaar was kerst al niet echt leuk met Aart in het ziekenhuis, dit jaar is Aart er helemaal niet bij, hoezo fijne feestdagen? Maar tegelijkertijd wilde ik ook niet doen alsof het geen kerst was, geen kans ook, je wordt er overal mee geconfronteerd. Onze traditie was dat we elk jaar een echte boom hadden, rijk versierd in alle kleuren van de regenboog. Elk jaar kwamen daar een paar zorgvuldig en liefdevol uitgekozen versieringen bij. Meestal deed ik dat, dan kwamen er weer een paar rood met wittestippenballen bij, maar soms bemoeide Aart zich er mee. Twee jaar geleden heeft hij mij de hele kerst doen grijnzen telkens als ik de boom zag want hij had, bloedserieus, voor in de boom een roze kop en schotel en een roze bijpassende theepot uitgezocht. Nog steeds moet ik daar om lachen, want hij vond het serieus erg mooi. Ik vind ze vrij eh, roze, maar kon het idee waarderen.
Ik bedacht me dat het zonde was dat die kop en schotel dit jaar niet opgehangen zouden worden en ging op zoek naar een alternatieve kerstboom. Ik googelde plaatjes van houten kerstbomen en maakte een plan. Met dat plan toog ik naar de gamma waar ik twaalf balken in stukken liet zagen. Het was daarmee dat ik een kerstboom fabriceerde die ik eigenlijk nog bijna leuker vind dan die echte boom. Gewoon omdat hij anders is en anders bij mij past. En zo leuk, al die kerstversieringen die wij in de loop de jaren verzameld hebben hebben een ereplekje gekregen. De kop en theepot, de pauw en de vogels, de rode ballen met witte stippen, de paddenstoelen, maar ook oude ballen die ooit van Aarts ouders waren, net zoals de houten kerstengeltjes.
Ik vier kerst maar gewoon een beetje op mijn eigen manier.

Afgelopen vrijdag gaven we een groot kerstconcert in de grote kerk van Harderwijk. Dat was een bijzondere ervaring, om als Pop&Rockkoor in een uit de kluiten gewassen kerk te zingen. Ik vond het vooral leuk om te merken hoe saamhorig het koor er van werd. Precies een gevoel waar ik momenteel behoefte aan heb. Dat ik totaal uitgeput en leeggelopen was van al die input is dan even van ondergeschikt belang.
Ik schreef ook nog voor de afsluitende kerstviering van koor gisteren een alternatieve versie voor ‘Hark! The Herald Angels Sing’ en was nog zo gek die voor ze te gaan zingen ook. Dat gaat nooit echt goed want zodra ik in de buurt van de microfoon kom schiet ik zo verschrikkelijk in de stress dat ik mijn papier met tekst bijna niet meer kan vast houden, vals ga zingen en volledig de timing verlies, zelfs als een orkest op de achtergrond gewoon min of meer de melodie speelt.
Maar ik merk dat sinds Aarts overlijden me er toch minder druk om maak. Ja ik krijg een knalrood hoofd, schiet in de stress en baal dat het wéér niet gelukt is mijn zenuwen in bedwang te houden. Maar ik lig er niet meer wakker van. Net alsof ik me eindelijk gerealiseerd heb dat er belangrijkere dingen zijn in je leven om je druk over te maken. Bovendien doe ik mee voor mijn plezier, toch?
Het was een hele gezellige avond en tot mijn stomme verbazing kreeg ik nog een bedanktroffee ook voor het mede een onvergetelijk maken van de avond. Ik denk dat ik maar een prijzenkast moet gaan timmeren!
En dan, aan het einde van zo’n avond, wil ik het liefste mijn matrasje uitstallen in de gymzaal waar we altijd oefenen en de leuke avond voor altijd laten voortduren. Dan wil ik niet naar huis, ook al is daar Lucas samen met mijn lieve zus die oppast. Ik wil dan blijven, ook al voel ik me verdrietig zo tegen het einde. Verdrietig omdat ik weet dat ik mijn ervaringen niet met Aart kan delen. Omdat ik weet dat het geen zin heeft om bij thuiskomst enthousiast naar zolder te rennen om te vertellen over je blunder van de avond. Omdat hij er niet is om er met je om te lachen, je te knuffelen en te vertellen dat hij gewoon nog steeds van je houdt, ook als je vals en uit de maat zingt. Omdat ik Aart gewoon verschrikkelijk mis en ik dat dan na zo’n leuke avond extra hard voel.

Een beetje breken

Illustratie: Wendel Jacobs

Illustratie: Wendel Jacobs

Ooit hadden wij een onmogelijke liefde. Onmogelijk in de beginselen van ons bestaan, onmogelijk door onze karakters. Zeventien was ik en Aart noemde me een guppie. Drieënveertig was hij, ik noemde hem een wijze man. Met grote ogen keek ik naar hem op, wilde zijn wat hij was, niet worden maar zo zijn. Zo wijs, zo belezen, zo warm en zelfverzekerd. Iets in hem raakte mij vanaf het allereerste contact. Ook al was hij een nukkige, eigenwijze man. Beschadigd ook zonder dat hij daar ooit over sprak. Andersom raakte iets in mij hem ook want we raakten aan elkaar verknocht. We mailden onze diepste zielenroerselen met elkaar, we zaten op terrasjes en gingen uit eten en we praatten en praatten. Ik had graag nog willen vragen wat hij nou precies in dat guppie zag, waarom hij vriendschap met me sloot?

Zeventien was ik en Aart zei: “Je bent verliefd op mij he?”, ik heb nog geprobeerd te ontkennen, maar het was waar, tot over mijn oren. Maar het was een onmogelijke liefde, hoe kon een meisje van zeventien met een man van drieënveertig? Maar het moest, het was hopeloos, ik was reddeloos verloren want ik wilde alleen nog maar met hém verder. Het kon me niet schelen dat het niet kon, ik wist het gewoon. Hij had mij geraakt waar nog nooit iemand mij geraakt had. Ik ging ervoor, zocht toenadering, probeerde die veel te lange man te zoenen vanaf een trapje in een portiek. Hij had mij veel te goed in de gaten, wilde wel maar het kon gewoon niet. Hij deed een stapje achteruit, zei: “Zoek nou een vent van je eigen leeftijd.”. Maar ik wist het gewoon, wij moesten samen verder. Het kon grandioos mislukken of geweldig mooi worden maar voor minder ging ik niet.

Het was onmogelijk, dat bleek. Een paar jaar later woonden we samen. Gek werden we van elkaar. Daar zat ik dan met een nukkige man in een éénkamerwoning van iemand anders die haar SM-spullen gewoon in de laatjes van haar kasten had laten liggen. De muizen namen daar ’s nachts de boel over en zaten overdag soms gewoon naast je op het bed. Op het tapijt waarin de haren van de eigenaresse verweven waren lagen de koffers waaruit we leefden. Ik studeerde, hij werkte ’s nachts aan zijn stukken.

Hij had ontelbaar veel gelezen, ik snapte soms maar de helft van wat hij zei. Hij rustig en ik explosief, hij kon niet tegen ruzie, ik wist niet eens hoe je anders dan schreeuwend over iets moest praten waar je het niet mee eens was. Hij was vaak nukkig en eigenwijs maar ook een echte gentleman. Lief, warm, hartelijk maar ook een botte boer. Leefde soms het liefst als een kluizenaar en werd gék van mijn gebabbel en drukke aanwezigheid en ik, ik wilde meer, meer, meer!

Ik ging de reizen maken die ik altijd al wilde maken maar die hij al gemaakt had. Hij dreigde het uit te maken als ik niet ging en meende het. Hij kon niet met mij verder als ik stil bleef staan, ik kon niet met hem verder als ik mijn dromen niet waar kon maken. Ik ging vijf maanden in Paraguay wonen, vrijwilligerswerk in Marokko doen en rondreizen door Guatamala, Hondaras, Belize en Mexico en elke reis kreeg ik meer heimwee, wilde ik steeds liever thuis zijn bij Aart en kreeg ik minder behoefte tegen hem te schreeuwen. Ik leerde wie ik was en daarmee groeide ook onze relatie.

Met de jaren kwam onze liefde steeds meer bij elkaar, konden we elkaar steeds beter lief hebben zonder dat het als een onstabiel explosief was. We leerden elkaar te waarderen als wie we waren. Heel langzaam vonden wij onze weg totdat het onomkeerbaar was, onontkoombaar was. We konden niet meer zonder elkaar, met elkaar zijn werd voor ons allebei een noodzaak. We waren door de gevechten die we samen geleverd hadden om bij elkaar te blijven met elkaar verbonden geraakt.

De laatste jaren raakten we met elkaar vergroeid, het was alsof onze liefde met ieder jaar wat erbij kwam alleen maar dieper werd. Twaalf jaar waren we samen, bouwden wij steentje voor steentje op wat we uiteindelijk hadden. Iets wat Aart graag “waaaaare liefde” noemde en we bezegelden door onze trouwringen tegen elkaar aan te laten klikken.
We werkten allebei grotendeels vanuit huis en toen besloten we dat het tijd werd voor een liefdesbaby zoals Aart dat sentimenteel noemde. Ik mag dat vast niet zeggen, want Aart wilde niet sentimenteel gevonden worden. Maar hij was het wel. Behalve ik was er niemand gelukkiger ter aarde toen hij hoorde dat ik zwanger was.

In de periode dat hij ziek was groeiden we nog verder naar elkaar toe. We leerden andere kanten van elkaar kennen die ons héél goed bevielen. Aart had bewondering voor mijn kracht, leunde op mij en bleef maar zeggen dat hij het zonder mij nooit gered had. Hij wilde me elke dag zien, het liefst had hij mij ’s nachts onder zijn ziekenhuisbed verstopt. Ik leerde Aart kennen op zijn kwetsbaarst en ook die Aart was een hele mooie man.

En toen, toen kregen wij een kind. Veel te vroeg en piepklein. Ik moest er aan wennen, wennen ook dat het mijn baby was, maar toen dat eenmaal tot me doordrong, wauw! Aart was op slag verliefd. Zó mooi, zo lief vond hij hem. Hij zat te kirren bij zijn wiegje ook al kon hij soms nauwelijks overeind zitten en hij schepte tegen iedereen op dat hij zo’n mooi wijs kind had gekregen.
Het was alles wat wij wilden. Samen zijn, samen vechten, samen liefhebben. Elkaar en ons kind. Lucas, we zouden hem overspoelen met liefde. Hij zou misschien niet met zijn vader kunnen voetballen, maar Aart zou een echte voorleespapa worden. Liefde zou hij krijgen, misschien wel meer dan goed voor hem was. De toekomst had misschien niet meer alle kleuren van de regenboog, maar rood was zeker nog niet verdwenen.

In die liefde, volledige ware liefde, volmaakt gelukkig met elkaar en ons gezin barstte op een dag ineens een bom. De ene dag stonden we nog op zijn werkkamer te swingen op Robbie Williams ‘Rock DJ’, knuffelden we samen met Lucas en zongen we liedjes terwijl ik achter de naaimachine zat en hij zijn boeken opruimde en de volgende dag was alles ineens over, verkleurde zelfs de kleur rood van de regenboog naar grijszwart.

Het was op die dag dat ik besloot een moddermasker te dragen, de huid er onder te laten helen buiten het naakte felle zonlicht waar iedereen het kon zien. Nu het masker droog is moet ik vooral niet bewegen. Niet praten, niet huilen, niet lachen en als ik schreeuw dan vliegen de spetters er vanaf.
Ik wil nu schreeuwen, ik wil nu huilen zonder modderstroompjes op mijn gezicht. Mijn masker heeft zijn functie gehad, maar nu is het tijd voor dat rauwe licht. Voorzichtig peuter ik het eraf.
Het is niet mooi hierbinnen, ik waarschuw jullie vast.

Beetje rauw

23-10-2008

23-10-2008, trouwdag

Vandaag zat ik bij de psychiater, het was een raar en warrig gesprek. Ik kwam daar vanwege mijn ADHD en hij begreep maar niet wat ik nou eigenlijk zei. Ik denk dat het was omdat hij gewoon niet goed zat op te letten, maar het kán natuurlijk ook zo zijn geweest dat ik me ietwat warrig heb uitgelaten. Hij had mijn dossier gelezen, maar had duidelijk gemist dat ik weduwe was want op mijn meisjesnaam kon hij me niet vinden in het systeem van het ziekenhuis. Hij begreep er niets van, vroeg of hij mijn geboortedatum wel goed had en uiteindelijk na een hoop gedoe vroeg hij of ik soms getrouwd was geweest met iemand en die naam eerder had gebruikt… Eh ja, getrouwd ‘geweest’, ja. En ja, het ziekenhuis heeft mij inderdaad omgedoopt tot mevrouw Brouwer-Jacobs toen we tegelijk in het ziekenhuis lagen. Het is verwarrend, is mijn huwelijk voorbij? Je sluit een huwelijk tot de dood je scheid. Ik kan wel stellen dat dat gebeurd is dus dan zou dat voorbij zijn. Maar ik ben wel voor de rest van mijn leven weduwe. Bah wat een rotwoord; het dekt precies de lading.
De conclusie was dat ik maar in januari terug moest komen in ‘het nieuwe ziekenhuis’, eerst maar eens werken aan mijn PTSS (oh heb ik posttraumatische stressstoornis dan? Waarom weet ik niets van die diagnose?) en nadenken over wat ik wil (ik wil wél magische pillen maar geen ellende meer, is dat nou zo veel gevraagd?).

Morgen. Morgen heb ik EMDR. Een beetje vaagsoortige therapie waarmee men vaak snelle en goede resultaten boekt in het geval van trauma’s. Misschien komt daar mijn PTSS dan wel daar vandaan? Of misschien heb ik dat inderdaad wel gewoon. Eenentwintig weken en twee dagen geleden (nee dat houd ik niet bij, dat moest ik natellen in mijn agenda) liep ik rond half twaalf de trap naar zolder op om Aart te wekken die in de logeerkamer sliep. Dat deed hij omdat hij al zijn energie nodig had om te herstellen en het er niet bij kon hebben om een paar keer per nacht wakker te worden van onze lieve kleine Lucas. We vonden het allebei jammer maar hadden er ons bij neergelegd en namen elke avond afscheid onderaan de zoldertrap. Dat hadden we de avond ervoor ook gedaan en ik had nog een keer gezegd dat ik hem zo miste bij me in bed, hij heeft me nog extra stevig geknuffeld. Hij miste mij ook ’s nachts.
Ik kwam boven en vanaf de trap zag ik Aart al zitten; ik wist het gelijk. Hij is dood. Mijn eerste gedachte: “Oh nee, nu is gebeurd waar ik zo bang voor was.”, het gebeurde alleen op een voor mij totaal onverwachts moment. Ik was echt in de veronderstelling dat hij aan het uitslapen was. Ik bedacht me dat ik 112 moest bellen. Ik voelde nog even in zijn nek, koud, echt dood, zoals ik al wist, belde 112 en zei: “Ik heb zojuist mijn man dood gevonden.”, ze hebben me nog gevraagd hoe ik dat zo zeker wist dat hij dood was. Geloof me, dat wist ik zeker, dat kon ik voelen en heel goed zien.

Nu, eenentwintig weken en twee dagen later is dat beeld nog steeds bij mij, het achtervolgt me, elke dag weer. Het sleurt me erbij op het moment dat ik net even rustig zit, het bezorgd me kippenvel in bed en angstige momenten om Lucas, het bezorgd me akelige gedachten, hartkloppingen en vooral heel veel onrust. De angst die ik toen voelde, de schok die er toen door me heen ging, die ervaar ik nog dagelijks, bevroren in de tijd. De rest van mij is verder gegaan, verder met verwerken, maar dat ene beeld is als een plaat die is blijven hangen. Een diepe groef waar ik niet meer uit kan klimmen. Niet zelf.
Dus heb ik morgen voor de eerste keer EMDR. Het houdt me bezig en het houdt me vast zoals dat beeld me vast houd. Of misschien houd ik het wel vast, koester ik het als mijn laatste intieme moment met Aart.
Ik hoop dat vanaf morgen een klein beetje los mag laten, dat ik het mezelf gun om weer een beetje verder te gaan, een beetje verder van Aart vandaan, omdat het moet. Omdat ik niet kan leven terwijl ik zo omstrengeld wordt. Omdat bevroren liefde zo verstikkend wordt.

Ja auw!

Fantoomliefde

En in de lucht hangen allemaal tranen.

En met brute kracht werd hij afgesneden, mijn ledemaat. Geamputeerd alsof hij niet van mij was, alsof hij niet mijn been was. Of mijn arm, vinger neus of welk onderdeel dan ook. De pijn die ik daarna voelde was écht, om iets wat er niet meer is.
Soms denk ik dat dat stuk van mij gewoon nog bestaat, de liefde die ik voel is écht. Ware liefde zoals dat alleen kan bestaan tussen ware geliefden. Zoals dat alleen kan bestaan bij mensen die van elkaar houden en ruzie met elkaar maken zoals je soms ook ruzie hebt met je eigen ledematen. Dat stomme been, die rare tenen, die jeukende vingers maar tegelijk wil je niet zonder, houd je van je been zoals het is en als het afgehakt wordt dan voel je nog jaren later de pijn tot in je tenen.
Ik voel pijn tot in mijn tenen maar ook liefde tot in mijn tenen. Die liefde die dwaalt hier nog door het huis, zit in de herinneringen en voelt zó levensecht, zo bestaand. Ik droom van lange sterke armen die mij beschermen tegen de wereld en het kwaad, tegen inbrekers en schorem en ik voel ze écht hoewel ik weet dat ze er niet meer zijn.
Het is mijn hart wat jeukt alsof de liefde nog steeds tussen Aart en mij bestaat. Maar tussen Aart en mij bestaat niets want tussen Aart en mij bestaat niet meer. Er is geen tussen als één van de twee verdwijnt, van de wereld afglijd en niet meer terug komt. Er is geen ruimte tussen mijn zijn en zijn niet zijn. Er is geen leegte tussen ons want ons bestaat niet meer. Er is geen is er is alleen maar was.
Toch voel ik die liefde echt. Het laat me terugdenken aan die lieve dingen die hij zei. Soms om me gerust te stellen, soms om me op te jutten, vaak om me de liefde te verklaren en soms de oorlog.
Die liefde doet me opspringen van mijn stoel omdat ik naar boven wil rennen en in zijn armen wil kruipen. Doet me opspringen in enthousiasme om hem daar deelgenoot van te maken. Geeft mij een oneindig warm gevoel.
Zonder zou ik niet dromen, zou ik niet zwijmelen en genieten van de liefde. Zonder liefde zou ik niet missen, alleen maar willen wissen.
En net zoals bij het verliezen van een been ben je wie je bent geworden door wat je eerst was. Eerst had ik een been en daarmee kon ik lopen, nu moet ik het zonder doen maar ik zal altijd een vrouw mét been zijn geweest.
Het is een liefde zonder voeding, het bestaat uit wat het was en wordt nooit meer dan dat. Omdat het bestond blijft het bestaan. Misschien neem ik wel een prothese omdat ik er naar verlang weer te lopen, misschien wordt dat nieuwe been wel nóg beter maar dat ene been zal ik altijd blijven missen. Het was wél mijn been.
Ik ben een vrouw waar van gehouden is, heel veel van gehouden is en ik ben een vrouw die houd van. Door wat er was en wat er daardoor van mij geworden is.

Als antwoord op Sandra’s vraag of fantoomliefde zou bestaan.

Geliefden

20130822-040457.jpg

Boven in bed ligt een lief stel. Lief omdat ze mijn vrienden zijn en lief omdat ze geliefden zijn. Lief omdat ze lief voor elkaar zijn en elkaar stangen waar nodig. Ergens is dat bijzonder geruststellend. De wereld is niet vergaan want er is nog liefde. ‘Ware liefde!’ riep Aart vaak, alsof het een soort bezwering was die dat moest bewerkstelligen. Het werkte in ieder geval prima en we bezegelden dat vaak door onze trouwringen tegen elkaar aan te stoten.
Elke liefkozing die ze van elkaar stelen geeft mij een warm gevoel en tegelijk weemoedige pijn. Het zijn de liefkozingen van mensen die al jaren samen zijn, zo gewoon. Nu ze er niet meer zijn tussen mij en Aart is voor mij de vanzelfsprekendheid ineens voorbij.
Elke nacht liggen ze boven samen in bed (denk ik, ik kan niet door het plafond heen kijken) en ik lig beneden, alleen in het grote bed en staar naar het plafond. Ik zou er bijna tussenin willen kruipen, de liefde voelen. Het besef dat het niet zo lekker zal liggen in de spleet van de twee tegen elkaar geschoven bedden houd mij tegen.
Op zulke momenten doe ik mijn bedlampje aan en kijk naar mijn slapende baby, zo mooi en onschuldig, zo veel liefde. En toch kan het niet vervangen wat ik mis omdat mijn liefde voor Lucas een andere liefde is. Samen zijn en je toch eenzaam voelen is een verdriet wat ik de laatste tijd pas echt goed heb leren kennen. Ik sta aan de zijlijn van de liefde.

Fietsend over het eiland met mijn vrienden schrijf ik een beetje heen over de paden die we vorig jaar samen volgden. We zitten op hetzelfde terras, we fietsen over dezelfde paden. Vandaag aten we bij het restaurant waar we vorig jaar besloten dat dít het goede leven was en dat we er helemaal niet zo ver voor hoefden te reizen.
Deze winter, toen de hel op aarde was losgebarsten stelde het vooruitzicht van ons geplande bezoek aan het eiland ons gerust en we bedachten dat we onze vrienden mee zouden nemen naar dit restaurant om ze te bedanken voor alle steun en goede zorgen. Dat was toen het nog samen was. Nu gingen we met z’n drieeneenhalven om ze nog meer te bedanken. het was heerlijk genieten, een gezellige avond maar ook die schim van Aart die stiekem een beetje naast me zat. Ik zou hem willen knuffelen, rozig en ietwat aangeschoten van de drank en nagenietend van deze fijne avond.

Nu zo alleen in bed voelt de nacht zo leeg, maar overdag zijn daar mijn lieve vrienden die zachtjes een heel klein beetje het gat vullen. Met hun aanwezigheid. En met liefde.

Jan-Willem, Emmy, bedankt voor al die goede zorgen, bedankt voor de fijne week die jullie me bezorgen. Bedankt voor de liefde.