In de mixer

Lucas&Thomas

Men neme een portie zonnestralen, een eetlepel warmte, 3 doseringen blauwe lucht, een fles wijn, een heleboel volle terrassen, overal mensen buiten een kind en een kat. Gooi al deze ingrediënten in een grote schaal, eerst de portie zonnestralen mengen met de warmte, dan het blauw toevoegen van de lucht, kieper dan de fles wijn zo snel mogelijk om en gooi er wat stoeltjes bij van het terras. Voeg als laatste de volte, de lucht, de mensen en de kat toe. Pak een grote mixer en mix het geheel tot een gladde massa.  Zorg dat er geen stukjes meer in zitten en verdeel het geheel dan over een paar schaaltjes. Dien het geheel koud op en gebruik voor de garnering het kind en dan heb je, wat ik ongeveer heb: gemixte gevoelens.

Het is zonnig en ik geniet met volle teugen. Terwijl Lucas zijn middagdutje doet zit ik buiten op de stoep in de zon. De kat zit naast me en probeert elke keer als ik even opsta om iets te pakken mijn stoel in te pikken. Ik doe me tegoed aan een stapel tijdschriften die ik al heel lang heb liggen. Tijdschriften over gelukkige gezinnen, over eetstoornissen, over depressies, over narcisme en over hoe iedereen er wonderbaarlijk weer bovenop komt en een successtory wordt die niet misstaat in een Viva, Flair of Margriet. Ja, inderdaad, ik ze dat soort blaadjes te lezen. Ik voel me intens blij als ik de zonnestralen op mijn huid voel, als ik het een beetje voel prikken omdat mijn witte huidje dat niet meer gewend is. Ik loop naar binnen en ineens komt het besef. Aart zit niet op zolder met de luxaflex dicht te typen aan een stukje. Aart zit niet als een holbewoner in zijn onderbroek poppetjes te schilderen terwijl de rest van Nederland naar buiten rent. Aart komt niet zometeen naar beneden om me een kus en een knuffel te geven.

Niet veel later is Lucas wakker. We zitten samen op de stoep. Hij speelt met de kat, kruipt rond, ontdekt dat aarde net zo lekker smaakt als zand en probeert de kat te ontdoen van zijn halsbandje want daar hangt een mooi glimmend naamplaatje aan. Ik voel me ‘shaken not stirred’, ik geniet en voel tegelijk zo veel verdriet. Er zit een gat, een groot gat in mijn hart. Maar de rest van mijn lijf weet dat nog niet en denkt dat het gewoon nog intact is. Nog steeds zijn er dagen dat het zo onwerkelijk voelt, dit kan toch niet? Dit klopt toch niet? Waar is nou dat gelukkige gezin wat wij samen zouden worden? Dit moment hadden we zo naar uitgekeken. Aart had het elke dag vanaf dat Lucas thuis kwam uit het ziekenhuis tot aan de dag dat hij stierf over hoe wij samen zouden gaan fietsen, met Lucas voorop in het fietsstoeltje. Hoe we zouden genieten van het weer, van die eerste zonnestralen. Ik zei dan dat hij echt nog even geduld moest hebben, dat Lucas pas in een fietsstoeltje kon als hij zelf zou gaan zitten.
Daar zijn we nu, wij, Lucas en ik en een gat in mijn hart. Bijna een jaar verder, bijna een jaar geleden dat hij werd geboren. En hij gaat zelf zitten en we fietsen samen met hem voorop in het fietsstoeltje en de wind streelt door zijn pluizige blonde haren. Ik snuif die wind op en geniet maar mis het ook dat Aart met mij geniet. Hij wilde dit zo graag, hij was zo vastbesloten, wij zouden samen fietsen, samen als een gelukkig gezin, of misschien als een chagrijnig gezien, dat komt ook wel eens voor, maar dat kun je van buiten niet altijd zien.

Om me heen zie ik op zulke dagen zo veel gelukkige gezinnen, samen op het strand, in het bos of op de kinderboerderij, samen naar de dierentuin of gewoon samen op de stoep met een glaasje wijn terwijl hun kinderen ravotten op het grasveld voor de deur. Gezinnen met een papa en een mama, zo lijkt het in elk geval op het eerste gezicht. Wij zouden ook zo’n gezin zijn.

Nu ben ik een gezin met Lucas samen.  Als ik iets met Lucas wil ondernemen ben ik degene die alles moet sjouwen en die 
constant in de weer is. Ik heb twee ‘mannen’ in huis die niet kunnen praten, ze drinken geen wijn en sjouwen geen spullen. Een kind en een kat zijn mijn gezelschap, leuk gezelschap, maar toch is er dat gat. Genieten, maar ook nog even veel harder missen wat ik moet missen. Gevoelens samengevoegd in een grote schaal en met een mixer door elkaar gemixt. Zo zijn mijn mooie dagen.

Advertenties

Verlangen naar wat nooit had zullen zijn

IMG_0862

Soms verlang ik naar het ideale gezin, naar die relatie met die man waar ik na 37 jaar nog van houdt, met wie ik wel onenigheid maar nooit ruzie heb. Dan verlang ik naar het hebben van een vakantiehuisje aan zee waar ik elk weekend en elke vakantie met mijn man en kinderen naar toe ga, wat ik heb ingericht met wrakhout en als we dan terug komen in ons DIY (do it yourself) huis waarin we zelf de meubels hebben opgeknapt, dan kruipen we lekker tegen elkaar aan bij de open haard elke avond, want het verveeld nooit en op zondagmorgen krijg ik dan ontbijt op bed. We hebben drie hartstikke leuke kinderen met blonde haren, een meisje en twee jongens, of twee meisjes en een jongen? Een tweeling misschien?

Ik lees over ze in tijdschriften en slik een brok weg. Verdriet omdat Aart en ik dat niet meer hebben, een gevoel van heimwee naar toen. Dat ideale gezin van de boekjes waar je brokken van krijgt in kelen bij het lezen. Maar het is niet waar, het klopt niet. Wij hadden niet dat ideale gezin en de kans dat we dat wel zouden krijgen was echt nihil, zo zaten wij gewoon niet in elkaar.

Ten eerste was daar het leeftijdsverschil, natuurlijk kan ik dat romantiseren, oh hij was zo jong van geest. Maar dan lieg ik, hij was gewoon Aart, 55 jaar al wilde hij daar echt niks van weten. Hij vond zichzelf een oude lul en eerlijk gezegd was hij dat af en toe ook. Mijn lieve oude lul, dat wel en gelukkig bleef hij in vele opzichten ook nog gewoon die kleuter die hij altijd al in zich had. Dan stelde hij zich aan als een klein kind met een heel hoog stemmetje, soms vroeg hij of hij bij zijn vriendjes mocht spelen. Natuurlijk had hij mij toestemming niet nodig, maar of ik hem dan ook wilde brengen en halen. Hij ging met soldaatjes spelen, gelukkig maar, dan had ik ook af en toe even het huis voor mezelf alleen.

Ruzie hadden we zeker wel, toen we samenwoonden in een behekst eenkamerappartementje 3-hoog achter in Amsterdam maar ook toen we gewoon in een eengezinswoning trokken met zijn tweetjes en alle ruimte hadden. Dan was ik boos omdat hij niet praatte en hij praatte niet omdat hij boos was dat ik boos was. Dat was geen onenigheidje, dat was gewoon vuurwerk met vonken en duizendklappers. Niet dat Aart zo van dat vuurwerk was, die hield liever zijn mond en dan kreeg hij van mij die duizendklapper, want ik kon daar niet zo goed tegen. En ruzie over troep, hij was boos op mij dat ik er zo’n zooi van maakte, ik weer boos op hem dat hij niet een beetje meehielp. Ja, we hebben heel wat tropenjaren gehad, een wonder eigenlijk dat we überhaupt ooit nog aan trouwen en een kind toe zijn gekomen zou je bijna zeggen.

Elke avond samen tegen elkaar aan bij de openhaard zat er ook niet zo in bij ons. Eigenlijk zaten we zelden samen beneden. Aart haatte televisie en van de openhaard krijg ik prikogen en gaat het stinken in huis. We waren wel bijna elke dag samen thuis dus misschien was het ook wel ter voorkoming van al te veel ergernissen. Ik zat dan in mijn atelier en hij op zijn werkkamer een verdieping hoger. Regelmatig kwam hij langs gewandeld om even bij me te buurten of riepen we om beurten dingen naar elkaar door onze open deuren. Andere keren kroop ik in de leunstoel naast zijn bureau en kletsen we. Soms stuurde hij me weer weg als hij moest werken en dan smeekte ik hem of ik mocht blijven als ik heel stil zou gaan zitten lezen. Mijn smeekbedes was hij niet tegen opgewassen dus dat mocht altijd. Soms lukte het me wel om me te begraven in een boek maar regelmatig verzuchte Aart na een uur dat ik toch weg moest (“je moet weg” zei hij dan letterlijk). Niet kletsen is best moeilijk hoor als je naast zo’n leuke man zit die je van alles wil vertellen!

Dat vakantiehuisje droomden we vaak van, maar eigenlijk waren we totaal ongeschikt voor zoiets. Een huisje aan zee, waar hij kon gaan schrijven en ik illustreren. Waar we de hele zomer zouden doorbrengen. Ja dromen hadden we genoeg samen maar meestal kwam er bar weinig van terecht. Een combinatie van mijn gebrek aan aandacht, ik was in het begin altijd enthousiast maar als iets niet gelijk van de grond kwam vergat ik het gewoon weer, en zijn gebrek aan initiatief. Ja, hoe zeer hij ook een gentlemen was die deuren voor me open hield, mijn jas aanpakte en mijn stoel aanschoof, intitiatief nam hij bijna nooit. Ik was degene die hém verraste met een nachtje weg, die voorstelde om ergens te gaan eten of om er op uit te gaan, die hem ontbijt op bed bracht en die voorstelde om op reis te gaan of op vakantie en die dat vervolgens uitzocht én boekte. Hoezo romantisch?

Maar hoe verschillend we ook waren, we waren wel gewoon verschrikkelijk verliefd op elkaar in het begin. En naarmate die jaren vorderden veranderde verliefd langzaam in lief. Hij werd liever voor mij, praatte wat meer, ik liever voor hem, dan vroeg ik of hij iets wilde terugzeggen vóór ik zou ontploffen. En naarmate we beter met elkaars kronkels om konden gaan gingen we steeds meer van elkaar houden. We kropen bijna in elkaar en hadden het goed samen. Aart zou trouwens braken als hij deze laatste zin had gelezen. Zondagochtend kreeg ik meestal geen ontbijt op bed, maar deden we andere hongerige dingen.

Als we samen op reis of vakantie waren dan waren we op ons best. Geen beslommeringen van thuis, ergernissen over elkaars troep, niet hoeven koken of huishouden of rekeningen betalen maar gewoon alleen maar genieten en bij elkaar zijn. We konden heel goed bij elkaar zijn. Toen we eens de hele maand september rondreisden weken we nauwelijks van elkaars zijde. Niet dwangmatig, we genoten juist heel erg van elkaars aanwezigheid en van elkaars genieten. Nog steeds moest ik Aart nog ongeveer de berg op slépen, maar we deden het wel. Achteraf was hem die berg op slepen tamelijk riskant, hij had waarschijnlijk toen al dat aneurysma en andere hart- en vaatproblemen, maar gelukkig waren wij (lang) in onwetendheid.

En initiatief nam hij ook op het juiste moment toen hij midden in een van mijn befaamde huilbuien voor me op de grond op zijn knieën ging zitten en me ten huwelijk vroeg. Ik mocht vervolgens het hele huwelijk regelen, maar hé, wat wil een vrouw nog meer? En trouwen met Aart was ook heel romantisch, wie wil er nou niet met een gentleman trouwen? En toen kregen we ook nog een kind!
Het einde had moeten zijn: toen leefden ze nog lang en gelukkig. Maar het werd, helaas zoals we elkaar beloofden bij ons huwelijk: tot de dood ons scheidt. En nu mis ik mijn rare niet zo ideale echtgenoot en het maffe maar dolgelukkige gezin dat wij waren gaan vormen. En droom ik stiekem over hoe het nooit had kunnen zijn want niemand kan bewijzen dat het niet zo was geworden.

Voorleespapa

Illustratie: Wendel Jacobs

Illustratie: Wendel Jacobs

Toen ik zwanger bleek te zijn wist Aart het al, hij zou voorleespapa worden. Hij zei dat hij misschien geen echte voetbalpapa of huttenbouwpapa zou worden, maar dat hij wel een goede voorleespapa zou zijn. Deal! Zeiden we tegen elkaar, ik word wel huttenbouwmama dan.
Toen hij ziek was voelde hij zich regelmatig schuldig over zijn vege lijf en het gebrek aan energie voor wat dan ook. Maarrr….zeiden we dan tegen elkaar, jij wordt voorleespapa, een hele lieve leuke voorleespapa! Wie wil er nou niet zo’n leuke voorleespapa?
Dat hij dat goed kon wist ik al want ik heb hem jarenlang horen voorlezen aan zijn twee oudste zoons. Die hingen als hij voorlas aan zijn lippen en o wee als er een keer niet voorgelezen werd, dat was de grootste straf die er maar kon zijn. Soms moest hij meerdere keren per dag voorlezen, maar áltijd las hij voor voor het naar bed gaan. Soms urenlang, dan werd het veel te laat. Soms dezelfde boeken keer op keer en onvermoeid verzon hij dan gekke of mooie stemmetjes voor de verschillende karakters. Er ging iets heel rustgevends uit van die warme diepe stem die zonder haperen voorlas. Hij kon dat echt heel goed.
Toen Lucas geboren was bladerde Aart verrukt in elk boek wat we van het kraambezoek kregen. Hij kon niet wachten! Hij zou voorleespapa worden, misschien dan wel geen voetbalpapa, maar wie heeft er nou een voetbalpapa nodig als je een liefhebbende voorleespapa hebt?!
Soms probeerde ik Aart zo ver te krijgen dat hij 5 of 8 weken oude Lucas voor zou lezen, gewoon om naar zijn stem te kunnen luisteren, Lucas…en ik. Maar hij vond dat echt onzin. Hij hield wel hele gesprekken met hem over wat hij later zou worden (astronaut en hockeyer) en over andere wereldzaken maar voorlezen dat kon écht nog niet. Hij kon niet wachten tot Lucas ‘oud genoeg’ zou zijn om écht door hem voorgelezen te worden. Niet uit een prentenboek maar uit Tommy Station en uit het Chinese sprookjesboek, van Don quichot en Robinson Crusoe en uit  Ilias en de Odyssee.

Een week geleden heb ik eindelijk Lucas kamer fatsoenlijk opgeruimd en plek gemaakt voor hem om te spelen. De schommelstoel staat nu bij het raam met een schemerlampje, op het kastje een rij boeken. En toen was het zo ver. Die stoel staat daar al tijden werkeloos te wachten op zijn bewoner en de boekjes smachten ernaar om gelezen te worden. Dus pak ik sindsdien elke avond een boekje en lees ik Lucas voor, verzin ik leuke stemmetjes, voor elk karakter een. Soms moet ik even slikken, want dit was zijn plekje en zijn taak. Maar op die momenten denk ik heel hard aan hem en lees voor zoals ik denk dat hij dat gedaan zou hebben. Ik heb nog wel wat oefening nodig. Ik val soms uit mijn rol, haal stemmen door elkaar en lees de geit voor met de stem van de mol en ben nog bezig met poepgeluiden als er alweer gepraat moet worden. Ik had het graag gehoord, Aart, serieuze voorleespapa die poepgeluiden zou maken bij ‘De kleine mol die wilde weten wie er op zijn kop gepoept heeft’. Hij had het vast met verve gedaan hoewel ik me wel afvraag of ze zo levensecht zouden zijn geweest als ik ze doe. Want hee, als ik dan voorleespapa moet zijn dan doe ik het ook goed. En Lucas? Lucas vind het geweldig. De eerste keer schaterde hij het uit, nu zit hij steeds vol verbazing omhoog te kijken naar wat voor fratsen ik allemaal uithaal en moet lachen als ik een raar stemmetje op zet. Van poepgeluiden is hij inmiddels niet meer echt onder de indruk dus doe ik mijn stinkende best ze tot in de puntjes te perfectioneren.

Zo’n vlaag

20131016-083303.jpg

Soms word ik overvallen door zo’n vlaag. Dan denk ik bij mezelf: is dit nou allemaal écht waar? Is Aart écht wel dood? Heb ik dit echt meegemaakt?
Dan moet ik aan hem denken, heel hard. Ik zie het beeld voor me van hoe ik hem vond en vraag hardop: “Was het naar? Ik hoop het niet.”. Ik voel heel even weer de sfeer van hoe het was, hoe het voelde om in de wetenschap te zijn dat hij er altijd is. Ik voel de warmte en de neiging even naar boven te rennen waar ik hem bijna altijd kon vinden achter zijn bureau. Waar ik hem zelfs als allerlaatste nog vond, gewoon zoals altijd in zijn T-shirt en een boxershort met een kop thee (vroeger was dat koffie) en een krentenbol. Alleen hij typt niet meer op zijn pjutertje, hij luistert niet meer naar muziek, schildert niet meer aan zijn pupkes, vloekt niet meer, heeft het niet meer koud, ademt niet meer. Geen armen meer om me heen die me altijd gerust stellen of even praten.
Boven hangt zijn trui nog over een stoel. Ik heb hem klaargelegd voor als Aart het koud krijgt. Af en toe houd ik hem even vast en snuif, maar ik kan zijn geur niet vinden. Op een dag trek ik ‘m aan en koester me in die warme zachte trui. Maar nu moet hij daar eerst nog even blijven hangen. Je weet maar nooit.
Het is er niet meer, maar het gevoel ken ik nog te goed. Ik weet het wel maar mijn gevoel houdt me soms toch voor de gek. De warmte en de liefde voel ik terwijl die er niet meer is, wel in mijn hoofd, niet in persoon. En juist die persoon die mis ik. Die grote man om helemaal bij weg te kruipen, bij wie ik me veilig voel en die mijn thuis is. Gekleurde kussens op de bank en chocola kunnen daar echt niet tegenop.

Zeilen

Friesland 29-08-2013

Friesland 29-08-2013

Soms zit je met een mooi idee in je hoofd voor een blog, je schrijft de titel op en aan het einde van de dag is de bladzijde nog steeds leeg. Vandaag is zo’n dag. Gisteren wist ik het zeker, deze blog moest over zeilen gaan maar eerst zou ik gaan slapen, vandaag staart de titel mij maar aan. Zeilen…

Zeilen is in mijn leven een steeds terugkerend thema geweest. Ik was 8 jaar en ik ging helemaal alleen op kamp. Nog vaag herinner ik me een vervelende jongen genaamd Pascal, nooit meer kan ik die naam horen zonder vervelende associaties. Wat ik me wél nog heel goed herinner was dat het pestweer was en koud en dat we elke dag een pakketje droge kleren en boterhammen mee moesten nemen naar de plek waar we in de optimisten gingen zeilen. Dat pakketjekleding boezemde mij grote angst in, want blijkbaar lag het in de lijn der verwachting dat we het wel eens nodig zouden kunnen gaan hebben. Daar zat ik dan in mijn uppie in het optimistje, zeilen kon ik wel, maar voor omslaan was ik als de dood. Als het nou zo’n warme zomerweek was geweest met hier en daar een zuchtje wind, maar nee, het was vies, nat en koud zoals de zomers in Nederland óók kunnen zijn. Op een dag moesten we leren gijpen. Het was een dag met een fixe woei en we moesten steeds hetzelfde rondje zeilen. Bij de ene boei moesten we overstag, bij de andere moesten we gijpen.
Voor de niet-zeilers onder ons, je maakt altijd een zo kort mogelijke beweging als je van koers veranderd. Als je overstag gaat dan draai je de punt van je boot door de wind heen, je verliest doordat je op een bepaald punt recht tegen de wind in ligt met je boot vaak wel behoorlijk wat vaart. Als je overstag gaat dan gaat je zeil gigantisch klapperen. De kunst van het overstag gaan is dat je geen giek tegen je kop krijgt of stil komt te liggen en je boot onbestuurbaar wordt (want besturen lukt alleen met vaart). Bij gijpen vaar je precies in de andere richting, je draait eigenlijk met je kont in de wind en daardoor vangt het zeil ineens wind van de andere kant waardoor het in een klap naar de andere kant slaat. De kunst van het gijpen is ook om de giek niet tegen je kop te krijgen, want dat gaat hard, maar vooral is de kunst ook om de klap niet te hard te laten zijn, de schoot goed aan te halen en daarna snel weer te laten vieren én in een kleiner bootje om niet om te slaan door de ruk van het zeil.
Dat laatste, daar was ik dus verschrikkelijk bang voor, voor geen goud wilde ik omslaan en mijn pakketje reservekleding nodig hebben. Dus die bewuste dag, elke keer als ik bij het punt kwam dat ik moest gijpen schoot mijn hart in mijn keel en op het állerlaatste moment besloot ik elke keer tóch om een stormrondje te doen. Een stormrondje is dat je in plaats van je kont door de wind te draaien en te gijpen je een extra groot rondje maakt zodat je overstag kunt gaan. Het voordeel daarvan is dat het zeil een minder grote klap maakt en de kans dat je omslaat velen malen kleiner is. De instructeur echter was woest, ik moest gijpen en niet overstag gaan en toen ik het later nog een keer deed kreeg ik op mijn donder. Ik geloof dat ik uiteindelijk gegijpt heb door alle vaart eruit te laten gaan en heel voorzichtig en langzaam te gijpen. Die avond had ik voor het eerst van mijn leven heimwee.

Ook bij Aart was zeilen een belangrijk thema. Hij leerde zeilen in Eindhoven van een priester die als bijbaantje zeilinstructeur was. Ik begreep van Aart dat hij van die betreffende priester vooral geweldig heeft leren vloeken. Toen hij ouder was ging hij ook op zeilkampen, maar niet zoals ik op een groot Fries meer, maar in Frankrijk waar hij in het Frans leerde zeezeilen. Als ik me goed herinner is hij daar later ook nog instructeur geweest. Zeilinstructeur was hij ook in Balk bij een zeilschool. Toen ik hem net leerde kennen vroeg ik hem waarom hij dan toch geen boot had. Hij zei dat zijn boot Nils (zijn oudste zoon) heette “en god, weet je hoe veel geld dat kost!”.

Samen hebben we ook heerlijke momenten op het water beleefd. Van weekendjes aan zee, weken Terschelling, dagjes valk, weekje zeilen tot zo veel mogelijk varen in Venetië en Istanbul tijdens onze rondreis. Ik wilde eigenlijk helemaal niet schrijven over onze avonturen op het water, ik wilde schrijven over het reilen en zeilen van mijn leven. Ik voel me af en toe een beetje alsof ik in mijn eentje op een veel te grote boot vaar, ik sta aan het roer maar kan maar net boven de kajuit uit kijken, kan maar nét het roer in bedwang houden en ik krijg in mijn eentje geen zeil gehesen. Het gaat, ik vaar en ik maak geen botsingen of ernstige ongelukken, maar wat ik het liefste doe, dat zeilen dat gaat zo niet, ik kan niet én de zeilen hijsen en aan het roer staan. Het voelt machteloos omdat de ingrediënten er wel zijn maar ik niet bij machte ben ze te gebruiken. Maar hoewel het op sommige dagen stormt en regent blijk ik toch elke keer weer meer bemanning te hebben dan ik dacht. Steeds weer staan er ineens mensen voor mijn neus die onverwacht lief voor me zijn. Een vriendin die spontaan langs komt om te horen hoe het gaat, een andere vriendin staat ineens op de stoep met een grote envelop met daarin wat fijne verwen dingen, voor zowel mij als Lucas. Er zijn mensen die spontaan aanbieden om op te passen, die dingen voor me doen in huis en er zijn steeds maar weer mensen om me heen die me knuffelen, die me een hart onder de riem steken en waar ik welkom ben én me thuis voel.

Dus hoewel ik niet écht op volle kracht kan varen nu, niet alle zeilen gehesen krijg, ik vaar wél. Ik kom vooruit en hier en daar is er een lichtpuntje zelfs in de somberheid van sommige dagen. Soms zie ik door alle regen de boeg niet meer, voel ik me uitgewrongen en verdrietig. Maar zolang ik vaar, zo lang mijn bemanning zo nu en dan inscheept om me weer een zetje in de goede richting te geven, zo lang blijf ik wel varen en kom ik uiteindelijk wel op een door mij gewenste bestemming.

Aart zou trouwens na het lezen van deze blog flauwe grappen maken over mijn liefde voor beeldspraak en hij zou het “echt weer iets voor wijven” genoemd hebben. Ook een hele geruststelling.

Aarts laatste miniatuurproject

Aarts laatste miniatuurproject