Déjà vu

Daar zit ik dan, in het holst van de nacht. Ik kan niet slapen, zoals ik afgelopen jaren wel vaker halve nachten gewoon niet kon slapen. Gewoon omdat er veel te veel gebeurde in mijn woelige leven. Schrijven het beste medicijn tegen niet slapen. Daar zit ik dan…

Vandaag, of nee, gisteren natuurlijk want we zijn middernacht al lang voorbij, gisteren was het Aarts tweede sterfdag. Waarschijnlijk had ik bedacht dat het dit jaar niets voor zou stellen die dag, dat het maar gewoon een datum was als al die anderen en dat ik nu ik zo veel geluk heb gevonden ook die dag wel fluitend door zou fietsen. Niet dat ik tegenwoordig ineens alles fluitend doorfiets, maar meestal ben ik dat een paar dagen later alweer vergeten. Ik plande de dag vol met afspraken en klussen in mijn oude huis, ons oude huis.
De afgelopen week fietste ik al minder fluitend, ik voelde me donkerder worden van binnen, het verdriet sloop stiekem naar binnen. En gisterenavond, oh nee, eergisterenavond, de avond voor de dag dus zeg maar, brak ineens mijn voorraadpot met tranen en liep in één keer leeg.

Twee armen waren daar om mij te ondersteunen, ze sleepten me naar de kamer van Lucas waar ik stilletjes even keek, over zijn wang streelde en toen mijn snikken onderdrukkend weer naar buiten rende. Zoveel onwetendheid en onschuld, slapen zonder zorgen. Mijn lieve kind, ik hoop dat je nog lang onbezorgd zult slapen. Dat je straks weet dat jouw papa dood is, maar dat je gewoon toch gelukkig bent. Gelukkig met die nieuwe armen die ik voor mezelf en voor jou gevonden heb. Iemand die de naam papa ook verdiend en omdat jij dat ook verdiend.

Bij het wakker worden op die tweede sterfdag besefte ik me dat het inderdaad een dag was als alle anderen, maar wel een verdrietige dag. Ik voelde die brok in mijn keel nog zachtjes knijpen en duwen, de tranen in mijn ogen klaar om bij te springen indien nodig. Maar ook met de al geplengde tranen als verzachting van het feit dat ik vandaag gewoon hard aan de bak moest, alsof er niet aan de hand is vandaag. Dus dat deed ik.

Ik reed door de file naar Amersfoort en ging aan de slag.

Tot een uur of halfelf, ik weet het niet meer precies, de klok was op dat moment mijn laatste zorg. Ik was al gebeld door de keukenman over de planning en op het scherm stond de naam van mijn nieuwe lieve armen. Vrolijk nam ik op, maar hij was het niet zelf, het was een collega.

Ik wist het gelijk, hier is iets niet goed. Stop, ik wil dit niet. Maar ze vertelde me dat hij onwel was geworden tijdens een vergadering, gewoon weggezakt, dat het even geduurd had en dat ze 112 gebeld hadden. Nee niet 112! Geen ambulance alsjeblieft was mijn gedachte. Ik wilde in Amersfoort blijven, veel praktischer en logisch ook toch? Ik bedoel, straks hoefde hij helemaal niet mee, of bleek er gewoon een boertje dwars te zitten of zo. Ik heb echter natuurlijk gelukkig ook nog verstand en gevoel, dus ik ging. Op weg naar mijn lief om hem te steunen. Hoe bang ik stiekem ook was om straks te horen: “ja het is zijn hart, het is helemaal niet goed”. NEE, NEE, NEE!

Goddank het was niet zijn hart, het was ook geen andere direct levensbedreigende aandoening. Maar er is wel iets mis gegaan in zijn hoofd, een insult. Nu volgen verdere onderzoeken, maar de neuroloog maakt zich niet direct grote zorgen. Ik wel natuurlijk, stiekem. Want stel nou dat…stel nou dat ze straks zeggen: “het is niet goed mevrouw, het leek niet zo erg maar dat is het wel”.

NOU DAN ZAL IK ERVOOR GAAN OOK. Mij krijgen ze er heus niet onder met een paar ambulances, hartfilmpjes, MRI’s en onderzoeken meer of minder. Maar ik schrik me wel het apenzuur en ik wens echt écht met heel mijn hart dat ik dit nooit meer mee hoef te maken.

Dus laten we nu dan wel even afspreken dat er over een paar weken geen vervelende dingen uit de onderzoeken komen, dat het gewoon klaar is na het ultimatum van drie maanden niet mogen rijden, niet alleen mogen badderen en dat soort ongein. Gewoon klaar ja!

Advertenties

Troost van een eiland

20140706-144232-52952829.jpg
Daar zit ik dan, op een eiland waar ik al mijn hele leven kom. Met mijn ouders, met vrienden en natuurlijk ook met Aart. Twee jaar geleden hadden we hier een heerlijke vakantie. Twee weken genieten van het buiten zijn, fietsen, lekker eten en heel veel lezen. Acht maanden later werd er een piepklein jongetje geboren.
Het jaar daarop ging ik weer, alles was anders. Met dat kleine ventje maar zonder die grote waar ik nog zielsveel van hield. Dat jaar daartussen was de markering van hoe het ineens om kan slaan. Je leven in de achtbaan met helaas een niet altijd goede afloop. Het ongeluk vloog me om de oren dat jaar maar ook het geluk van een jong gezin, de geboorte van mijn prachtige zoon. En toen… Een paar maanden na de apotheose van al het ongeluk, het overlijden van Aart, was daar Terschelling. Afgesproken nog voor Aart ziek werd, een toekomstpunt waarnaar hij uitkeek toen hij op de sombere tl-verlichte mediumcare lag waar het personeel soms leek te vergeten dat de patiënten niet alleen maar medische problemen waten, maar ook personen van vlees en bloed met echte gevoelens. Terschelling was zijn troost. Hij zou weer genieten, daar op dat eiland, gelukkig zijn en misschien zelfs wel gezond.
Zo ver kwam het niet, slechts een paar maanden ervoor op een van de eerste zomerse dagen overleed hij, nog voor er samen, met ons gezin, opnieuw van het eiland hadden kunnen genieten.
Ik ging toch, naar dat troostrijke eiland waar ik al zo veel jaren kwam, met en zonder Aart. Met tranen in mijn ogen fietste ik langs de plekken waar we het jaar daarvoor ook waren geweest. Met vrienden die we samen hadden uitgenodigd, alleen hij kwam niet mee, verloren in de tijd. We waren vreemd geamputeerd die dagen maar het eiland gaf me rust en troost.
Nu zit ik daar weer, bijna een jaar later en het besef begint tot me door te dringen dat mijn leven doorgaat. Onvermoeibaar tikken de minuten door. Ik word gewoon ouder en Lucas ook. En hoewel het verdriet nog altijd schraal is, soms geen weg naar buiten vind, merk ik toch ook; de tijd schrijdt voort en dat is goed. Ik hoef niet meer stil te blijven zitten omdat zijn leven ook nooit meer verder gaat. Ik kijk voorzichtig in de toekomst en wat ik zie bevalt me wel. Mijn leven kan ook mooi zijn zonder Aart. Is ook de moeite waard zonder hem. Al zal ik altijd verlies meedragen.
Het wordt minder alleen maar Lucas die mijn leven kleurt. Ik doe het zelf, ik voel het zelf, de weg naar de toekomst van een nieuw leven wordt weer steeds meer begaanbaar. Ik begin weer te voelen, verdriet krijgt langzamerhand een plekje maar ook fijne gevoelens steken de kop op.
Verwarrend is het soms om je blij te voelen of om te kijken naar een andere man en te denken: “die wil ik wel zoenen”. Maar het is ook fijn om te weten dat het nog bestaat, dat die weg niet voorgoed is afgesneden. Ik kan ook zonder Aart gelukkig zijn, dat weet ik zeker. Het leven van Aart en mij samen stopte toen hij overleed maar hij hield een belangrijke plek in mijn hart. Die plek zal altijd blijven, bevroren in de tijd. Ik heb hem lief gehad en hij mij. Maar naast dat gat is nog een heleboel hart over dat wil voelen en blij zijn. Nu moet ik weer verder, liefhebben kan denk ik ook zonder hem. Kleine sprankjes hoop vertellen het mij.
En ondertussen verwarmt de Terschellingse zon mij geruststellend. ‘Het komt wel goed schatje’. Het zal er altijd zijn dit eiland, zo lang ik leef. Ik zal er altijd blijven komen, om me te laten koesteren door de wind, de zeelucht, en het zand, om me te laten troosten én om te genieten met iedereen die ik lief heb en gelukkig te zijn.
Volgend jaar weer?