Stil van buiten

Het is stil, buiten is het stil, hier binnen is het stil. Hier is het stil. Maar van binnen is het dat niet. In mij woedt een storm die mij maant tot stilstand. Die maakt dat ik deze weken niet zo goed kan schrijven, niet kan tekenen. Daarvoor moet er beweging zijn, letters en ideeën moeten vloeien. Misschien is dit wel een eerste stap. Ik moest wel schrijven want de stilte overweldigde mij.
Ik lag in bed met mijn ogen dicht, klaar wakker maar toch met droomgedachten. Hersenspinsels voortkomend uit mijn angsten.
Ik zei laatst dat ik somber was. “Moet ik mij zorgen maken?” vroeg mijn behandelaar mij. Niet begrijpend keek ik hem in eerste instantie aan. Of ik suïcidaal was bedoelde hij. Ik zei lachend nee. Net in bed bedacht ik mij dat ik hem had willen zeggen dat dat pas zou gebeuren als Pasen en Pinksteren op één dag zouden vallen en dan waarschijnlijk nog niet. ‘Maar wel als Lucas doodgaat’ zegt vervolgens één van mijn hersenspinsels. Waarna ik me vervolgens voorstel hoe dat zou voelen en voor me zie hoe ik mezelf van een brug werp of nee te bloederig, een hand vol pillen slik. Hmmm verkeerde onderwerp, ik probeer mijn gedachten te sturen naar een wat zonnigere richting. Ineens is het wel zonnig, maar ben ik weer op die mooie zondagmorgen in juni, ik sta in de deuropening te wachten, ik hoor een sirene. Ik bedenk me weer hoe ik mensen belde om te vertellen dat ik Aart gevonden had, dood en of ze wilden komen al is het maar omdat ik met mijn trillende handen de melk voor Lucas niet in een flesje krijg. Mijn ouders, mijn zusje, vriendinne, Aarts beste vriend en zijn lieve vrouw. Ongeloof en paniek, verdiet en ik sta te trillen maar blijf rustig. Ik moet praktisch blijven. Mijn baby slaapt op de eerste verdieping.
Er komt een motorambulance aan, in mijn gedachten zijn het er twee, maar in werkelijkheid kwam die tweede later pas.
Het volgende moment ben ik ineens weer aan de telefoon met de alarmcentrale, maar het gaat anders dan hoe het was, ik moet hem gaan reanimeren maar ik durf niet, hij is te zwaar, ik kan het niet.

Ik lig te trillen in bed, mijn hart klopt in mijn keel. Ergens in de verte voel ik opgesloten tranen.
Hersenspinsels, ze overvallen me in het donker, als de hele wereld slaapt en ik ook niets liever wil dan dat. In de schemering tussen waken en slapen, als ik mijn harnas heb afgelegd en kwetsbaar probeer te gaan slapen grijpen ze mij, houden mij af van wat ik wil en nodig heb en vertellen mij wat ik overdag soms nog een beetje weg kan duwen: auw.

Advertenties

Fantoomliefde

En in de lucht hangen allemaal tranen.

En met brute kracht werd hij afgesneden, mijn ledemaat. Geamputeerd alsof hij niet van mij was, alsof hij niet mijn been was. Of mijn arm, vinger neus of welk onderdeel dan ook. De pijn die ik daarna voelde was écht, om iets wat er niet meer is.
Soms denk ik dat dat stuk van mij gewoon nog bestaat, de liefde die ik voel is écht. Ware liefde zoals dat alleen kan bestaan tussen ware geliefden. Zoals dat alleen kan bestaan bij mensen die van elkaar houden en ruzie met elkaar maken zoals je soms ook ruzie hebt met je eigen ledematen. Dat stomme been, die rare tenen, die jeukende vingers maar tegelijk wil je niet zonder, houd je van je been zoals het is en als het afgehakt wordt dan voel je nog jaren later de pijn tot in je tenen.
Ik voel pijn tot in mijn tenen maar ook liefde tot in mijn tenen. Die liefde die dwaalt hier nog door het huis, zit in de herinneringen en voelt zó levensecht, zo bestaand. Ik droom van lange sterke armen die mij beschermen tegen de wereld en het kwaad, tegen inbrekers en schorem en ik voel ze écht hoewel ik weet dat ze er niet meer zijn.
Het is mijn hart wat jeukt alsof de liefde nog steeds tussen Aart en mij bestaat. Maar tussen Aart en mij bestaat niets want tussen Aart en mij bestaat niet meer. Er is geen tussen als één van de twee verdwijnt, van de wereld afglijd en niet meer terug komt. Er is geen ruimte tussen mijn zijn en zijn niet zijn. Er is geen leegte tussen ons want ons bestaat niet meer. Er is geen is er is alleen maar was.
Toch voel ik die liefde echt. Het laat me terugdenken aan die lieve dingen die hij zei. Soms om me gerust te stellen, soms om me op te jutten, vaak om me de liefde te verklaren en soms de oorlog.
Die liefde doet me opspringen van mijn stoel omdat ik naar boven wil rennen en in zijn armen wil kruipen. Doet me opspringen in enthousiasme om hem daar deelgenoot van te maken. Geeft mij een oneindig warm gevoel.
Zonder zou ik niet dromen, zou ik niet zwijmelen en genieten van de liefde. Zonder liefde zou ik niet missen, alleen maar willen wissen.
En net zoals bij het verliezen van een been ben je wie je bent geworden door wat je eerst was. Eerst had ik een been en daarmee kon ik lopen, nu moet ik het zonder doen maar ik zal altijd een vrouw mét been zijn geweest.
Het is een liefde zonder voeding, het bestaat uit wat het was en wordt nooit meer dan dat. Omdat het bestond blijft het bestaan. Misschien neem ik wel een prothese omdat ik er naar verlang weer te lopen, misschien wordt dat nieuwe been wel nóg beter maar dat ene been zal ik altijd blijven missen. Het was wél mijn been.
Ik ben een vrouw waar van gehouden is, heel veel van gehouden is en ik ben een vrouw die houd van. Door wat er was en wat er daardoor van mij geworden is.

Als antwoord op Sandra’s vraag of fantoomliefde zou bestaan.