Zomaar

Daar lig ik dan, als vanouds klaarwakker in mijn bedje. Ik speel een spelletje op mijn tablet om mijn gedachten te verzetten in de hoop de slaap te kunnen vatten. Het lukt niet, de tranen zitten te hoog. Ik weet weer hoe het voelde, eenzaam en alleen in het heftige verdriet. De ellenlange slapeloze nachten, de nachten van verdriet.
Er is weer iemand uit het leven geamputeerd, gewoon zomaar afgerukt en weggesneden van haar gezin. Een lid van mijn dierbare koor, het koor dat mij zo steunde na de toch behoorlijk plotselinge dood van mijn lieve Aart.
Verdorie waarom nou toch? Waarom gaan er te jonge mensen zomaar dood?
Vanavond was ik op koor, tranen over mijn wangen, zingen met een brok in mijn keel. Het voelde weer een beetje als toen, toen mijn lieve Aart zomaar dood was gegaan. Hoe geamputeerd ik me voelde. De ene week was hij er nog, de week daarna ineens niet meer. Het zingen met een brok in min keel, bijna huilen maar net niet. Ineens was niets meer hetzelfde.
Ik keek vandaag naar die lege plek in mijn koor, die plek waar zij had moeten staan. Ineens van vandaag op morgen was alles anders.
We praten over de afscheidsdienst die komen gaat, ik denk aan de onze. Aan die onwerkelijke periode en al het geregel, aan hoe het daarna echt voorbij was. We zingen het lied wat het koor op de afscheidsdienst gaat zingen en ik slik duizend tranen weg. In gedachten hoor ik nogmaals onze muziek.
Ik denk aan die keer dat ik weer naar koor ging nadat mijn lieve Aart overleed, ik werd beknuffeld, ik kreeg schouderklopjes, condoleances. Ik zong liedjes zonder te weten wat ik precies zong. Ik bleef na afloop voortaan zo lang mogelijk daar want mijn huis was leeg. Geen Aart die mij kon troosten terwijl ik hem het hardste nodig had, geen Aart meer om mee na te praten.
Ik lig alleen en verdrietig in mijn bed en voel me weer een beetje als toen. Leeg, verdrietig en eenzaam alleen, de hele wereld slaapt en ik zit hier met mijn brok en als enige vriend het geduldige digitale papier als een altijd luisterend oor. Ik heb nog zoveel onvergoten tranen.
Ik denk aan haar, zomaar geamputeerd, weg van haar geliefden en familie. Zomaar weg uit ons koor waar ze vast onderdeel van was. Zomaar dood na het eten van een broodje ossenworst of zoiets. Zomaar.

Advertenties

Troost van een eiland

20140706-144232-52952829.jpg
Daar zit ik dan, op een eiland waar ik al mijn hele leven kom. Met mijn ouders, met vrienden en natuurlijk ook met Aart. Twee jaar geleden hadden we hier een heerlijke vakantie. Twee weken genieten van het buiten zijn, fietsen, lekker eten en heel veel lezen. Acht maanden later werd er een piepklein jongetje geboren.
Het jaar daarop ging ik weer, alles was anders. Met dat kleine ventje maar zonder die grote waar ik nog zielsveel van hield. Dat jaar daartussen was de markering van hoe het ineens om kan slaan. Je leven in de achtbaan met helaas een niet altijd goede afloop. Het ongeluk vloog me om de oren dat jaar maar ook het geluk van een jong gezin, de geboorte van mijn prachtige zoon. En toen… Een paar maanden na de apotheose van al het ongeluk, het overlijden van Aart, was daar Terschelling. Afgesproken nog voor Aart ziek werd, een toekomstpunt waarnaar hij uitkeek toen hij op de sombere tl-verlichte mediumcare lag waar het personeel soms leek te vergeten dat de patiënten niet alleen maar medische problemen waten, maar ook personen van vlees en bloed met echte gevoelens. Terschelling was zijn troost. Hij zou weer genieten, daar op dat eiland, gelukkig zijn en misschien zelfs wel gezond.
Zo ver kwam het niet, slechts een paar maanden ervoor op een van de eerste zomerse dagen overleed hij, nog voor er samen, met ons gezin, opnieuw van het eiland hadden kunnen genieten.
Ik ging toch, naar dat troostrijke eiland waar ik al zo veel jaren kwam, met en zonder Aart. Met tranen in mijn ogen fietste ik langs de plekken waar we het jaar daarvoor ook waren geweest. Met vrienden die we samen hadden uitgenodigd, alleen hij kwam niet mee, verloren in de tijd. We waren vreemd geamputeerd die dagen maar het eiland gaf me rust en troost.
Nu zit ik daar weer, bijna een jaar later en het besef begint tot me door te dringen dat mijn leven doorgaat. Onvermoeibaar tikken de minuten door. Ik word gewoon ouder en Lucas ook. En hoewel het verdriet nog altijd schraal is, soms geen weg naar buiten vind, merk ik toch ook; de tijd schrijdt voort en dat is goed. Ik hoef niet meer stil te blijven zitten omdat zijn leven ook nooit meer verder gaat. Ik kijk voorzichtig in de toekomst en wat ik zie bevalt me wel. Mijn leven kan ook mooi zijn zonder Aart. Is ook de moeite waard zonder hem. Al zal ik altijd verlies meedragen.
Het wordt minder alleen maar Lucas die mijn leven kleurt. Ik doe het zelf, ik voel het zelf, de weg naar de toekomst van een nieuw leven wordt weer steeds meer begaanbaar. Ik begin weer te voelen, verdriet krijgt langzamerhand een plekje maar ook fijne gevoelens steken de kop op.
Verwarrend is het soms om je blij te voelen of om te kijken naar een andere man en te denken: “die wil ik wel zoenen”. Maar het is ook fijn om te weten dat het nog bestaat, dat die weg niet voorgoed is afgesneden. Ik kan ook zonder Aart gelukkig zijn, dat weet ik zeker. Het leven van Aart en mij samen stopte toen hij overleed maar hij hield een belangrijke plek in mijn hart. Die plek zal altijd blijven, bevroren in de tijd. Ik heb hem lief gehad en hij mij. Maar naast dat gat is nog een heleboel hart over dat wil voelen en blij zijn. Nu moet ik weer verder, liefhebben kan denk ik ook zonder hem. Kleine sprankjes hoop vertellen het mij.
En ondertussen verwarmt de Terschellingse zon mij geruststellend. ‘Het komt wel goed schatje’. Het zal er altijd zijn dit eiland, zo lang ik leef. Ik zal er altijd blijven komen, om me te laten koesteren door de wind, de zeelucht, en het zand, om me te laten troosten én om te genieten met iedereen die ik lief heb en gelukkig te zijn.
Volgend jaar weer?

Kosmisch onderwijs

Sorry Aart, sorry dat Facebook het eerder wist dan jij, dat ik het je nu pas vertel. Ik heb zojuist onze eenjarige zoon ingeschreven voor een basisschool. Ja een beetje vroeg, absurd he, maar je schijnt er bijtijds bij te moeten zijn als je iets bijzonders wilt. Ik weet zeker dat jij de beste school voor je zoon wilde, maar of je dit onder het beste zou hebben geschaard weet ik eigenlijk niet.
Het is een montessorischool Aart. Ik weet wel dat je meneer Steiner een beetje een enge vent vond, je wilde niet dat jouw zoon aan zulke indoctrinaties blootgesteld zou worden maar hoe je over mevrouw Montessori dacht weet ik eigenlijk niet zeker.  Je vind dat vast minder erg dan meneer Steiner. Ja toch? Zeg nou maar gewoon ja.
Ja oké, misschien had je de term kosmisch onderwijs met argusogen bekeken. Dat doe ik ook hoor, ik moet gelijk denken aan astrologen. Maar eigenlijk is het een heel filosofisch gedachtengoed Aart, dat zou jou toch moeten aanspreken. Het betekend dat alles met elkaar in verbinding staat. Ik probeer alleen nog te bedenken welke filosoof dat zei om jou te overtuigen Aart, want filosofisch onderwijs zou je vast wel goed hebben gevonden.
En hé het is een neo-montessorischool, neo betekend nieuw dus dan zal het wel goed zijn toch? Trouwens, je was het wel niet altijd met me eens, maar uiteindelijk stond je toch altijd achter mijn keuzes toch?
Ja? Dus jouw zegen heb ik? Zeg nou maar gewoon ja.

Best gek, je kind is 1 jaar geworden, je hoort mensen om je heen het hebben over schoolkeuzes en ik bedenk me dat ik misschien toch nog maar eens moet kijken hoe het zit. De school waar mijn oog op viel, maar waar ik verder nog niet naar heb gekeken vermeld op de website niet echt iets over wachtlijsten. Ik stuur ze toch maar even een berichtje. Ze blijken wel wachtlijsten te hebben, oh shit! Na een beetje heen en weer melden krijg ik het volgende bericht van het secretariaat:

“Voor het schooljaar waar je zoon onder valt 2016-2017 is op dit moment (nog) geen wachtlijst. Om zeker te zijn van plaatsing is het zeker raadzaam om een vooraanmelding te doen.”

Dus zo geschiede dat mijn 1-jarige school voor-ingeschreven is. Op een montessorischool hier in de buurt, een school die me prettig lijkt alleen waarvan ik totaal nog niet kan inschatten of het ook wat voor Lucas is.

En dan besef je ineens dat je eigenlijk helemaal niet zo goed weet wat aart belangrijk vond. Ik weet dat hij het vrije school onderwijs maar niets vond. Maar goed, Aart was ook bang voor alles wat riekte naar zweverigheid. Oeh, nu zou ik een klap voor mijn kop hebben gekregen. Ok correctie, Aart was nóóit bang, maar wel ietwat licht enigszins sceptisch zeg maar.
Over het Montessori-onderwijs heb ik hem nooit gehoord. Ik denk dat hij er ongeveer net zo tegenover had gestaan als tegenover het Christendom. Aart was een volslagen Atheïst.

Dat is misschien een geruststelling, Aarts oudste zoon zat ooit op een Christelijke basisschool en hoewel het jong op een dag verzuchte toen hij een mooie zonsondergang zag dat dat God was vond hij dat een prima keuze omdat het een heel geschikte school was. Zijn middelste zoon belande ooit uiteindelijk op een Katholieke school, Katholiek maar wel precies wat hij nodig had en een erg prettige school, was zijn conclusie.
Hij zou dat Montessorigedoe misschien maar weinig hebben gevonden, hij zou yoga en mindfullness, vieringen en kosmisch onderwijs echt om de kriebels van te krijgen hebben gevonden. Maar ik denk niet dat hij het een probleem had gevonden zolang de school de juiste omgeving bied voor zijn zoon om te leren. Ja waarschijnlijk zou ik hem wel hebben kunnen overtuigen maar dan vervolgens wel acht jaar lang cynische opmerkingen moeten hebben aanhoren als Lucas in bed lag.
Ja, ik denk dat ik zijn zegen wel heb. Nu nog een keer gaan kijken en afwachten of ik denk dat het inderdaad een geschikte school voor Lucas is. Want je kunt dat bij een dreumes toch wel wat moeilijk beoordelen vind ik.

 

Taart (een jaar geleden)

Een jaar geleden was ik jarig. Ik kan me er gek genoeg erg weinig van herinneren. Ik weet niet meer of Aart nou wel of geen taart voor me had, of hij wel of geen cadeautje had, of hij voor me heeft gezongen of slingers opgehangen. Ik weet alleen nog dat hij er was. Toen nog wel. We hadden net een kindje gekregen, zeven weken oud en net drie en een halve week samen thuis als gezin. Ik weet nog dat ik moe was, ja dat zeker.
Een paar dagen later vierde ik mijn verjaardag in een pannenkoekenhuis waar iedereen die dat wilde een stuk appeltaart en wat te drinken kon krijgen. Het was anders dan anders want normaal vierde ik het altijd uitgebreid thuis. Dan kookten Aart en ik voor 20 mensen couscous of pasta en waren we dagen bezig met voorbereiden. Maar ja Aart kon niet meehelpen en ik had gewoon geen zin. Dus werd het een compromis. En het was een geslaagd feestje! Aart had een goeie dag, hield het gewoon vol.
Het is gek om daar aan terug te denken. Aan toen en hoe alles nog ‘goed’ was. Relatief goed dan natuurlijk want er zweefden nog wat onweerswolkjes rond, maar we hadden toch, zei het voorzichtig vertrouwen in de toekomst, al hadden we wel angst dat we niet zo’n lange toekomst zouden hebben als we wilden. Maar toch wel nog gewoon een toekomst. Je weet wel, zo eentje met geluksmomenten, tegenslagen en ruzies.

Vandaag ben ik jarig, dertig jaren tel ik nu. Er zijn dagen, nee weken, dat ik me veel ouder voel. Bejaard en weduwe dat klopt sowieso beter, misschien dat mijn gevoel daar rekening mee houd. Zulke dagen als vandaag zijn altijd een moment waarop je even stil staat in de tijd. Je denkt terug aan wat er tot nu toe geweest is. In mijn geval is er een soort verbijstering, zo lang lijkt mijn vorige verjaardag nog helemaal niet geleden. Wat was ik toen naief, bewust misschien wel. Precies vijfentwintig dagen later werd mijn aarde ondersteboven geschud en nu bijna een jaar later weet ik soms nog steeds niet wat onder en wat boven is.
Toch is mijn dag niet hopeloos mislukt, niet reddeloos verloren. Ik ben wél gewoon jarig, ik vier vandaag dat mijn leven dertig jaren telt. Sommige jaren waren heel kort, of juist heel lang en het laatste jaar was allebei tegelijk.
Vandaag kocht ik mijn eigen taart en zong ik mezelf toe. Bij hieperdepiep hoera stak mijn zoon gelukzalig zijn armpjes in de lucht en zei: “hoeaaaa!”.
Een beter verjaardagscadeau had ik me toch niet kunnen wensen?

Hieperdepiep hoera! Ik leef!
Oké, ik vóel me nog niet echt jarig maar soms helpt het om jezelf er even aan te herinneren.

Onhebbelijk

Illustratie: Wendel Jacobs (2008)

Illustratie: Wendel Jacobs (2008)

Sommige mensen hebben, hoe lief je ze ook vind toch ook een behoorlijke lijst onhebbelijkheden. Ik ben daar gelukkig niet één van, ik ben een heel hebbelijke vrouw en heb totaal geen slechte eigenschappen. Blader maar eens naar pagina 1024 van mijn gebruiksaanwijzing, dan zul je het zien.
Aart daarentegen barste van de onhebbelijkheden, je mist ze als kiespijn.
Oké, ik spreek nu niet de waarheid. Juist de onhebbelijkheden mis ik enorm, omdat ze bij de man horen van wie ik houd en hem maakte wie hij was.

Zo kreeg hij het voor elkaar om op de ik geloof eerste officiële ontmoeting met zijn schoonouders een paasei te beschilderen met dooie beesten in een boom. Dat was op dat moment, ten tijde van één of andere veeziekte, een nieuwsitem.
Op dat moment wist ik echt niet wat ik er van vinden moest, ik schaamde me voor die overduidelijke sabotage van onze traditie van het paaseieren schilderen. Nu moet ik gniffelen om het moment en ben ik stiekem trots dat hij zelfs van paaseieren schilderen een journalistieke bezigheid kon maken. Hij had talent!

Ook kon Aart absoluut niet masseren. Elf jaar lang heb ik het hem als een drillsergeante geprobeerd bij te brengen, maar nog steeds snapte hij niet dat het niet prettig was als hij om de twee seconden hard op een andere plek ging porren en dat als ik kreunde van de pijn van een zich voorzichtig ontspannende spier, dat hij dan juist nog even door moest gaan. Ik moet hem wel credits geven dat hij het zo lang met me heeft volgehouden, want hij vond masseren écht geen leuke bezigheid.

Het ouderwetse gentlemanschap wat Aart vaak sierde had ook een andere kant. De emancipatie leek af en toe volledig aan hem te zijn voorbij gegaan. Hoewel hij vaker kookte dan ik en zijn eigen overhemden streek bleef hij stelselmatig verkondigen dat hij vond dat ik dat moest doen. Ik als vrouw hoorde hem na een lange werkdag te vertroetelen, zijn sloffen en een krantje moesten al voor hem klaar liggen, een potje pruttelend eten op het vuur en uiteraard een hele rits gestreken overhemden in de kast.
Dat moet een deceptie voor hem zijn geweest want als ik ergens niet voor in de wieg ben gelegd is het wel om een goede huisvrouw te zijn. Zijn overhemden hingen zelden gestreken in de kast. Sterker nog, meestal lagen ze in een berg bij de schone was; die kreukels die je dan krijgt, daar kon geen strijkbout tegenop.
Ik heb hem in een goede bui nog wel een keer zijn pantoffels gebracht hoor, je moet elkaar toch een beetje plezieren in een relatie af en toe.

Ik kan nog wel een tijdje doorgaan, maar ik houd het bij nog één onhebbelijkheid, want over de doden niets dan goeds toch?
De ergste onhebbelijkheid vond ik wel zijn belabberde timemanagement. Dan heb ik het niet over de eindeloze hoeveelheid stukken die hij de nacht voor de deadline schreef want dat moest hij zelf weten, bovendien waren ze altijd voor de deadline klaar en had ik er, behalve dat ik dan om drie uur ’s nachts een stel kouden voeten moest verwarmen, niet heel veel last van.
Nee ik heb het over die ontelbare keren dat hij een kwartier voordat we weg moesten nog in zijn boxershort en T-shirt achter zijn bureau zat en altijd als ik hem er aan herinnerde dat we bijna weg moesten zuchtte hij (nog zo’n onhebbelijkheid) en sprong hij vervolgens ‘nog even gauw’ onder de douche om vervolgens nog lekker tien minuten te gaan poedelen, nog kleren uit te moeten zoeken en dan nog ‘gauw even’ een boterham te gaan eten. En als ik geluk had en hij was wel een keer klaar op de tijd dat we weg moesten dan moest hij steevast ‘nog even’ naar de wc terwijl ik al in de auto zat te wachten.
In Steenwijk, waar het wc-raampje grensde aan de oprit heb ik een keer ongeduldig de motor gestart en heb heel asociaal gas zitten geven. Hiiiiiiing, hiiiiiiiiiiiing, hiiiiiiiiiiiiingngngng. Aart vertelde later dat hij bijna over de rand van de pot had gepiest van het lachen.
Maar het irritantste van dit hele verhaal was dat ík vervolgens het verwijt kreeg dat hij zich met mij ‘altijd’ moest haasten. Hij had een gruwelijke hekel aan zich haasten, maar waarom hij dan niet gewoon op tijd begon met zich klaar maken om weg te gaan is mij nog steeds een raadsel.

Ja, het was een onmogelijke man, irritant, bazig en koppig, de gebruiksaanwijzing was zoek, hopeloos. Ik vind doodgaan trouwens ook een tamelijk onhebbelijke eigenschap.
Ik mis bazig en koppig, ik mis gezucht bij alles wat hij niet wilde maar toch deed, ik mis zijn sabotage van mijn planning. Hoewel zijn zoon een waardig opvolger is, dat moet gezegd. Ik kom zélden nog echt op tijd. Slapen terwijl je nog boodschappen moet doen. Je kleren onder spugen terwijl je net schone aan hebt. ‘Nog éven’ gauw die luier vol poepen op het moment dat we weg gaan. Aard(/t)je naar zijn vaartje noemen ze dat geloof ik.

Stil van buiten

Het is stil, buiten is het stil, hier binnen is het stil. Hier is het stil. Maar van binnen is het dat niet. In mij woedt een storm die mij maant tot stilstand. Die maakt dat ik deze weken niet zo goed kan schrijven, niet kan tekenen. Daarvoor moet er beweging zijn, letters en ideeën moeten vloeien. Misschien is dit wel een eerste stap. Ik moest wel schrijven want de stilte overweldigde mij.
Ik lag in bed met mijn ogen dicht, klaar wakker maar toch met droomgedachten. Hersenspinsels voortkomend uit mijn angsten.
Ik zei laatst dat ik somber was. “Moet ik mij zorgen maken?” vroeg mijn behandelaar mij. Niet begrijpend keek ik hem in eerste instantie aan. Of ik suïcidaal was bedoelde hij. Ik zei lachend nee. Net in bed bedacht ik mij dat ik hem had willen zeggen dat dat pas zou gebeuren als Pasen en Pinksteren op één dag zouden vallen en dan waarschijnlijk nog niet. ‘Maar wel als Lucas doodgaat’ zegt vervolgens één van mijn hersenspinsels. Waarna ik me vervolgens voorstel hoe dat zou voelen en voor me zie hoe ik mezelf van een brug werp of nee te bloederig, een hand vol pillen slik. Hmmm verkeerde onderwerp, ik probeer mijn gedachten te sturen naar een wat zonnigere richting. Ineens is het wel zonnig, maar ben ik weer op die mooie zondagmorgen in juni, ik sta in de deuropening te wachten, ik hoor een sirene. Ik bedenk me weer hoe ik mensen belde om te vertellen dat ik Aart gevonden had, dood en of ze wilden komen al is het maar omdat ik met mijn trillende handen de melk voor Lucas niet in een flesje krijg. Mijn ouders, mijn zusje, vriendinne, Aarts beste vriend en zijn lieve vrouw. Ongeloof en paniek, verdiet en ik sta te trillen maar blijf rustig. Ik moet praktisch blijven. Mijn baby slaapt op de eerste verdieping.
Er komt een motorambulance aan, in mijn gedachten zijn het er twee, maar in werkelijkheid kwam die tweede later pas.
Het volgende moment ben ik ineens weer aan de telefoon met de alarmcentrale, maar het gaat anders dan hoe het was, ik moet hem gaan reanimeren maar ik durf niet, hij is te zwaar, ik kan het niet.

Ik lig te trillen in bed, mijn hart klopt in mijn keel. Ergens in de verte voel ik opgesloten tranen.
Hersenspinsels, ze overvallen me in het donker, als de hele wereld slaapt en ik ook niets liever wil dan dat. In de schemering tussen waken en slapen, als ik mijn harnas heb afgelegd en kwetsbaar probeer te gaan slapen grijpen ze mij, houden mij af van wat ik wil en nodig heb en vertellen mij wat ik overdag soms nog een beetje weg kan duwen: auw.

Alleen

Alleen. Daar zit ik dan, een loodzware week achter de rug met een belastingaangifte waar je u tegen zegt, gesprekken over de afhandeling van de erfenis, een naar onderzoek aan mijn heup een doodziek kind, nieuwe medicatie en ga zo maar verder. Ik ben moe en toe aan rust. Rust kreeg ik ook want op de een of andere manier gaan allerlei leuke afspraken niet door, allemaal met een andere goede reden. Het komt goed uit, ik heb ook zin om lekker in de tuin in de zon te gaan zitten met een boek en geen gesleep of gedoe met een kind dat eigenlijk nog niet zo lekker is.

Waarom voel ik me dan ineens zo verschrikkelijk verdrietig? Waarom overvalt mij ineens een gevoel van eenzaamheid? Terwijl Lucas zit te spelen zit ik hier stiekem een potje te huilen. Ik heb ineens helemaal geen zin meer in dit weekend, ik wil geen zon. Ik wil vies pestweer zodat ik een goede reden heb om met mijn boek in bed te kruipen, diep onder de dekens met mijn elektrische dekentje aan wat mij opwarmt.

Eigenlijk raakt het aan een gevoel wat ik al een hele tijd bij mij draag. Eenzaamheid. Een gevoel wat ik maar niet van me af kan schudden, iets wat ik bij me heb, elke dag weer. Het maakt niet uit hoeveel mensen ik om me heen heb, hoe fijn iedereen me ook steunt. Ik voel me voortdurend alleen. Zelfs de aanwezigheid van Lucas kan me daarbij niet helpen. Ik kan het wel een stukje van me afschuiven, even wegdenken voor een tijdje. Ik kan genieten van de leuke dingen die ik doe, het zijn ook kleine oplaadmomentjes. Het is ook niet zo dat ik elk moment dat ik alleen ben, ’s avonds op de bank, andere weekenden dat ik (meestal bewust) geen afspraken heb, huilend in een hoekje weg kruip. Ik vind dat helemaal niet zo erg. Maar soms overvalt mij dat gevoel van alleen zijn, helemaal alleen.

Het was ook eigenlijk Aart die dat intense gevoel van eenzaamheid bij mij verbrak toen ik een relatie met hem kreeg. Het is een gevoel wat ik al jaren bij mij draag, ingegeven door het bewustzijn dat niemand mijn ooit echt helemaal zal begrijpen. Zelfs ikzelf niet. Maar Aart kwam er dicht bij in de buurt. Niet dat hij alles maar dan ook alles van me wist en snappen deed hij het al helemaal niet. Maar bij hem vond ik een soort rust in die eenzaamheid, voelde ik me eindelijk niet meer alleen op de wereld. En ik weet niet wat het is, maar zo voel ik me nu wel weer. Ik ben op mezelf aangewezen, ik ben op mezelf teruggeworpen. Ik ben de enige die er altijd is en altijd zal zijn zolang ik leef. De enige op wie ik dus ook echt kan bouwen. Ik kán ook op mezelf bouwen, de tijd heeft me geleerd dat ik een sterke vrouw ben, ik heb vertrouwen in mijn kunnen en weet van mijn onkunde.

Maar die eenzaamheid, die sluipt weer stiekem onder mijn huid. Het is een gevoel wat ik af en toe op een zijspoor kan zetten als ik merk dat mensen er voor me zijn, als ik me gekoesterd voel. En hoe eenzamer ik me voel, eenzaam diep vanbinnen, want verder naar de oppervlak heb ik nergens last van, hoe eenzamer ik me voel, hoe groter de behoefte om gekoesterd te worden. Liefde, de liefde van Aart koesterde me, ik voelde me gewenst en ik kon het gevoel van eenzaamheid opzij schuiven. Ik was me er altijd van bewust dat het er was, ergens diep van binnen. Maar het was een overbodig gevoel geworden, want ik werd gekoesterd, het gevoel bedekt met de mantel der liefde.

Nu vervaagt die liefde, zachtjes uitgevlakt door de tijd en nog maar een schaduw van wat hij daadwerkelijk was. Liefde die ik nog geef vooral, die ik uitstraal maar die niet ontvangen word en niet geretourneerd door Aart. Wel in gedachten, maar niet in het lijfelijke gevoel van twee armen om je heen die je áltijd weer dat geborgen gevoel kunnen geven, die je koesteren en die samen met jou de weg van de eenzaamheid bewandelen. Want eenzaam, dat waren we samen.