Vernietmeerjaardag #2

Wendel + Lucas + UrnVrijdag was het alweer zo ver, Aarts tweede vernietmeerjaardag. De tweede keer dat hij niet meer jarig was, de tweede keer dat hij het niet níet kon vieren, de tweede keer dat ik moest bedenken wat ik eigenlijk op die dag wilde doen, de tweede keer dat ik dat eigenlijk niet wist. Het was wél de eerste keer dat ik al wist wat er komen ging, een doodnormale dag, bijna als alle anderen, niets om je van te voren erg druk om te maken, niet substantieel in elk geval. Dus keek ik er weliswaar niet reikhalzend naar uit maar zag ik er ook niet als een berg tegenop zoals vorig jaar.
Die verjaardag is sowieso een gek ding, Aart was bepaald geen fan van jarig zijn dus echt vieren wilde hij het eigenlijk nooit. Sterker nog, hij hoopte altijd dat zo veel mogelijk mensen het zouden vergeten zodat zijn inmiddels middelbare leeftijdsstatus niet extra benadrukt zou worden.
Overigens deed ik daar niet aan mee, verjaren moet gevierd worden! Ik hing slingers op, kocht cadeautjes en taart, zong verjaardagsliedjes voor hem en ik feliciteerde hem uitbundig. Zonde toch om een reden voor cadeautjes en feest zo maar aan je voor bij te laten gaan.
Ook heb ik een keer stiekem een feestje voor hem georganiseerd. Ik kan me niet eens meer precies herinneren hoe oud hij toen werd, dat gedoe met die cijfertjes ben ik nooit erg goed in geweest (ik heb zelfs met een rekenmachientje uit zitten rekenen hoe oud hij nu zou zijn geworden en hoe oud hij was toen hij overleed). Zoals gewoonlijk zat hij lekker op zolder te werken. Ik had hem gezegd dat ik een verrassingsfeestmaal voor hem ging koken dus dat hij op een gegeven moment niet meer naar beneden mocht. De gasten, ik meen een stuk of 6, kwamen vervolgens zonder aan te bellen een voor een zachtjes binnen geslopen. Op een gegeven moment riep ik naar boven dat het eten klaar was en of hij wilde komen. Om te voorkomen dat hij in een boxershort en een hemd naar beneden zou komen had ik wel gezegd dat ik hem bij een feestmaal natuurlijk wel aangekleed aan tafel verwachtte. Hij kwam naar beneden, al duurde dat even want dat aankleden moest nog gebeuren en ik weet niet meer precies waar in huis, maar ergens daar beneden bezorgden we hem een hartverzakking (gelukkig wisten we nog niks van al die latere hartproblemen) door ineens met een grote groep tevoorschijn te duiken. Bíjna draaide hij op zijn hakken weer om om weg te rennen, niet omdat hij het niet leuk vond, maar omdat hij zich schaamde voor zijn tamelijk afzichtelijke sandalen die hij nooit en te nimmer aan had getrokken als hij had geweten dat er gasten waren.
Geen idee meer overigens wat ik gekookt had, maar ik kan me nog wel herinneren dat ik er enorm lang mee bezig was en dat ik de boodschappen her en der had moeten verstoppen omdat hij anders door de hoeveelheden zo wel had kunnen raden dat er iets op handen was. Het werd een zeer geslaagde avond waarbij we genoten van het gezelschap en het eten.

Deze keer werd de 10 oktober een heel andere dag. Geen Aart meer om het mee te vieren maar misschien toch wel een reden voor een klein feestje? Ik besloot, met een andere man aan mijn zijde, het crematorium te vereren met een ‘ver(r)assingsbezoekje, of nou ja, dat ‘verassen’ was natuurlijk al weer even geleden gebeurd, maar dat bezoek nog niet. Het crematorium, de begraafplaats en alles er omheen, ik was er nog nooit geweest. Al die tijd stond Aarts as daar in een een asbus te verstoffen in een hoekje van de zogenaamde ‘algemene nis’, iets waar ik me een soort donkere steriele kelder met roestvrij staal en stellingkasten bij voorstel. Niet echt een plekje voor Aart, hij was tenslotte verre van algemeen, maar hij was dood, niet meer dan een hoopje stof in een blikkie, niet echt een staat van zijn waarin je nog protest kunt maken dus liet ik het zo.
Met een andere man aan mijn zijde, wat een vreemde situatie had kunnen zijn maar het niet was omdat het zo prettig voelde om gesteund te worden door iemand die ik lief heb, toog ik dus afgelopen vrijdag naar het crematorium om, in een ‘spreekkamer’ na een kopje thee gedronken te hebben, naar een plastic urn met metalen deksel te staren met daarin de as van Aart. Tja, was ik daar nou zo bang voor geweest al die tijd? Er was helemaal niets aan te zien, gewoon een stemming zwart geval van plastic met wat officiële tekenen van dat het mijn man daadwerkelijk geweest is. Zijn naam stond er op en zijn crematienummer. Ja die eer hebben alleen de gecremeerden, een speciaal nummer voor hun alleen, uniek in hun soort, veel minder algemeen gebruikelijk dan bijvoorbeeld een sofienummer.
Na deze ‘ontmoeting’ bracht de mevrouw van de urn ons in haar mooie blauwe begrafenisuniformjas in een golfkar naar het andere eind van het terrein om te kijken naar de plaatsen waar ik Aarts as eventueel al dan niet tijdelijk zou kunnen neerplanten. Ik begaf mij in de wereld van de strooiveldjes (die ik overigens niet gezien heb), urnenmuren, een urnenheuvel en een urnentuin. Van het woord urn alleen al word ik niet vrolijk maar eerlijk is eerlijk, het viel me alleszins mee. Het is eigenlijk helemaal geen nare plek om te zijn, omgeven door dood, doden en daar dan weer de nabestaanden van. Het was eigenlijk een hele mooie serene plek. Slenterend liep ik met die andere man aan mijn zijde en twee kinderen in ons kielzog langs al die plekken en kwam tot de conclusie dat het, voorlopig in ieder geval, helemaal zo gek nog niet zou zijn om daar ergens een wat mooier plekje voor de as van Aart te zoeken. Ik wil immers niet in Aarts voetsporen treden en wachten tot het crematorium na de zoveelste aanmaning om te betalen voor de algemene nis, waarin de as van zijn vader stond opgeborgen, voorstelt om de as op zo’n veld te mikken om er maar vanaf te zijn. Iets wat ze overigens gewoon jaren eerder hadden moeten voorstellen want dat had een hoop geld gescheeld. Niet omdat hij niet van zijn vader hield, maar gewoon omdat die as hem niets meer zei dan dat het een confrontatie met de dood was.

Na dit bezoek togen wij richting de stad voor een lunch en taart. Tenslotte kun je niet genoeg redenen hebben om iets te vieren. De geboortedag van Aart vieren is een goede reden. Zonder geboorte was er geen Aart geweest in mijn leven en hoe moeilijk het ook soms was met hem en hoe pijnlijk het nu ook is om hem te moeten missen, om te leven in de wetenschap dat hij Lucas niet zal zien opgroeien en Lucas nooit zijn vader echt zal kunnen leren kennen. Het was het allemaal waard. Proost!

Advertenties

Favoriete vieze aftershave

Als een plaat die was blijven hangen leefde ik de laatste maanden mijn leven. Doen wat je moet doen met je hoofd boven water. Meer was er niet, de wereld stond een beetje stil. Stiller dan die stond vlak na Aart overlijden. Moe gestreden met mijn eigen leven, ingezakt en lichtelijk futloos. Monter hief ik elke keer mijn hoofd om door te gaan, ik deed mijn best. Maar in feite stond alles stil, glipte de dingen zachtjes aan een beetje door mijn vingers.
Tijd voor verandering besloot ik al een tijd geleden. Ik moest de zaken aanduwen om weer in beweging te komen, ergens beginnen want anders zou er niets gebeuren. Het begon met de tuin, de tuin die al jaren aan groot onderhoud toe was. Aart en ik wilden ‘m volledig opnieuw laten inrichten maar we kwamen er nooit uit en ook dat stond stil. Inmiddels ligt er een nieuw ontwerp, is mijn tuin leeggehaald en wordt hij weer langzaam opgebouwd. Ik ging op vakantie, twee keer maar liefst en tussendoor gingen ook de tuinzaken door.
Er ontstond een klein vonkje in mij, een vonkje dat weer levenslust voelde, een klein beetje energie, zin om door te gaan.
En bij zin om door te gaan hoort ook zin om af te sluiten, losse eindjes af te hechten, er een mooie knoop in te leggen. Tijd om orde te scheppen in de chaos maar vooral tijd om iets te doen aan de spullen van Aart die nog door het hele huis zwerven. Alsof ik mezelf er aan wilde blijven herinneren dat hij dood is, alsof ik mezelf een beetje straf door in elke ruimte dingen te zien om verdrietig van te worden, dingen uit vervlogen tijden. Gek genoeg zag ik ze al tijden niet meer, al die spullen, genegeerd door de tijd verdwenen ze in de achtergrond. Maar ze stonden er nog wel en vroegen aan de rand van mijn gedachten steeds om aandacht. Onrust brengend in mijn toch al niet erg rustige hoofd. Alsof je ongemerkt kilo’s zand met je mee sleept en op den duur niet eens meer weet dat je dat doet.
Het is tijd voor rust, het is tijd dat Aart een plekje krijgt. Een plekje in mijn hart heeft hij al, nu moet hij nog een plekje in huis krijgen. Want voor een dooie man neemt hij wel erg veel ruimte in. Ruimte die tijdenlang gepast was, ruimte die hij ook innam in mijn hoofd. Maar langzamerhand is dat toch anders geworden, de randjes van het gapende gat minder rafelig, geen constant bloedverlies. De waas van verdriet langzaam opgetrokken, ik kan weer kijken. Ik kan weer zien, vooruit.

Ik ruim de badkamer op, vooral mijn eigen zooi maar ook nog wat van Aart, netjes weggestopt in een hoekje, maar wel continue aanwezig. Het is mijn badkamer nu, mijn huis ook. Met gekleurde kussen op de bank alleen kom ik er niet. De ruim ik de badkamer op. Ik gooi zijn spullen weg, hup in de prullenbak er mee. Zijn favoriete vieze after shave gaat ook. Als hij die op had wilde ik hem nooit zoenen omdat hij stonk. Bah! Ik ruik aan zijn lekkere after shave, die had hij ook. Weemoed bekruipt me. Ik ruik de geur, een hele bekende geur. Maar zonder de geur van Aart is het ‘m niet. De geur die vervlogen is, zelfs in mijn herinnering.

Ik wil sneller dan ik kan, hup weg er mee, ik wil weer ademen, leven, voelen, huilen, lachen. Ik wil ruimte en wel nu. Ik zal geduldig moeten zijn, tijd heeft ook zijn grenzen maar de grote schoonmaak is begonnen, in mijn huis en in mijn hoofd. Het is tijd.

Dokter Bob

Sinterklaasgedicht van Aart aan mij over dokter Bob, jaren geleden.

Sinterklaasgedicht van Aart

Een jaar of zeven geleden deed dokter Bob zijn intrede in huize Brouwer. Na al heel wat heupgelazer kwam ik bij een serieuze orthopeed in Amersfoort terecht. Na de eerste of tweede afspraak vroeg Aart mij wanneer ik weer naar dr. Bob moest. Verwarring alom want ik was er toch echt van overtuigd dat deze dokter Hans heette. Ik verbeterde hem en zei dat ik dacht dat zijn voorletter J. vast voor Johannes stond, Hans dus. Maar tot mijn irritatie én hilariteit bleef het dokter Bob. Toen dokter Bob me doorverwees naar andere specialisten kwam ik er achter dat dokter Bob diep zat bij Aart. Ze heetten namelijk allemaal dokter Bob voor Aart. Het was wel makkelijk, er kwamen er zo veel voorbij dat we écht niet al die namen konden onthouden. Één arts werd door Aart na een eerste ontmoeten onmiddellijk weer onttroond, de beste man was de titel dokter Bob niet waardig. Aart vond het maar een pennenlikker en een ambtenaar, dag dokter Bob.

Hoewel het hem gruwelijk irriteerde dat ik van dokter naar dokter moest, omdat hij nu eenmaal zelf een hekel had aan ziek zijn, ziekten, ziekenhuizen en alles waar maar het woord dokter of ziekenhuis in voor kwam, was hij wel mijn trouwe steun en toeverlaat. Hij ging elke enigszins belangrijke afspraak mee om als mijn tweede paar oren en kritisch echtgenoot te functioneren. Hij stelde de vragen die ik vergat en samen bespraken we wat er nóu toch weer ging gebeuren. Bij slecht nieuws of wederom onzekerheid troostte hij mij met een dikke knuffel. En daarna moest ik er maar over ophouden want er over práten wilde hij niet.

Toen ik op een gegeven moment wel 4 dr. Bobs had begon hij wel een beetje te zuchten te te steunen. Maar naar dokter Bob in Delft ging hij altijd trouw mee. Hij wilde met eigen ogen zien dat zijn vrouw daar goed behandeld zou worden, wie in mijn vrouw snijdt, snijdt in mij leek hij soms wel eens te denken. Hij legde dr. Bob regelmatig het vuur aan de schenen over de te verwachte resultaten. En toen dokter Bob besloot de boel maar eens uit de kom te trekken teneinde er in te kunnen hakken en zagen zat Aart in de centrale hal op mij te wachten tot ik van de uitslaapkamer af mocht. Hij zat aan mijn bed en maakte steevast grapjes met de buren. Of over de buren.

De voorgaande maanden heb ik het bewust rustig gehouden met alle dokter Bobs, ik had wel even wat anders aan mijn hoofd.  Maar nu is het grote feest weer begonnen. Dokter Bob #1 sneed in mijn vinger om die grote bult weg te halen die in de weg zat, de tweede bobbel ‘crushte’ hij en passant nog even met zijn vingers. Dokter Bob #2 stuurde me naar dokter Bob #3 die me een 4th opinion gaf en weer terugstuurde naar dr. Bob #2 die daarop besloot met te pesten met een fijn onderzoekje met naalden in gewrichten, contrastvloeistof en een half uur doodstil liggen in een mri-herrieding. Dokter Bob #4 die overigens zeker weten Hans heet, pielt ondertussen in mijn ADHDerige hoofd met medicijnen waar ik bar slecht op reageer en dr. Bob #5 probeert vanaf die zelfde kant mij aan het slapen te krijgen. Ik reis van Ede naar Zeist naar Delft en ook het ziekenhuis in Amersfoort verblijd ik met bezoekjes. En ik weet het zeker, Aart was boos geweest. Boos op al die dokter Bobs dat ze me zo pijnigden. En dan had ik stoer gezegd dat het heus allemaal wel goed zou komen, gewoon even tanden op elkaar.

Maar hemeltjelief, wat zou ik graag Aarts dokter Bob gemopper willen horen, zijn oordeel willen horen over wat de medicatie met me doet en vooral gewoon, gezellig samen in de auto naar Delft, Voorburg, Leiderdorp of andere uithoeken. En dan gezellig keuvelend na afloop een strand opzoeken, een wandelingetje maken, onze geliefde zeelucht opsnuiven, knuffelen en zoenen op het strand. Want op het strand moet er altijd gezoend worden, dat vraagt er gewoon om. En daarna naast elkaar aan een tafeltje, een beetje tegen elkaar aan zittend genieten van heerlijke sushi. Aart onder het genot van sake, want ik rijd toch en ik onder het genot van, ja iets fris dus. En dan ’s avonds naar huis rijden in het donker en na 10 minuten gesnurk naast je horen terwijl hij je wel wakker zou houden tijdens de rit naar huis.
Ik mis dokter Bob, ik mis zijn hardnekkige aanwezigheid in huize Brouwer. Nu is het gewoon dokter Hans, dokter, Ralph, dokter voornaamonbekend, dokter Reinier (enz.) want er is geen Aart om ze stug allemaal dokter Bob te noemen. Ik mis twee armen die me altijd steunen.

Verlangen naar wat nooit had zullen zijn

IMG_0862

Soms verlang ik naar het ideale gezin, naar die relatie met die man waar ik na 37 jaar nog van houdt, met wie ik wel onenigheid maar nooit ruzie heb. Dan verlang ik naar het hebben van een vakantiehuisje aan zee waar ik elk weekend en elke vakantie met mijn man en kinderen naar toe ga, wat ik heb ingericht met wrakhout en als we dan terug komen in ons DIY (do it yourself) huis waarin we zelf de meubels hebben opgeknapt, dan kruipen we lekker tegen elkaar aan bij de open haard elke avond, want het verveeld nooit en op zondagmorgen krijg ik dan ontbijt op bed. We hebben drie hartstikke leuke kinderen met blonde haren, een meisje en twee jongens, of twee meisjes en een jongen? Een tweeling misschien?

Ik lees over ze in tijdschriften en slik een brok weg. Verdriet omdat Aart en ik dat niet meer hebben, een gevoel van heimwee naar toen. Dat ideale gezin van de boekjes waar je brokken van krijgt in kelen bij het lezen. Maar het is niet waar, het klopt niet. Wij hadden niet dat ideale gezin en de kans dat we dat wel zouden krijgen was echt nihil, zo zaten wij gewoon niet in elkaar.

Ten eerste was daar het leeftijdsverschil, natuurlijk kan ik dat romantiseren, oh hij was zo jong van geest. Maar dan lieg ik, hij was gewoon Aart, 55 jaar al wilde hij daar echt niks van weten. Hij vond zichzelf een oude lul en eerlijk gezegd was hij dat af en toe ook. Mijn lieve oude lul, dat wel en gelukkig bleef hij in vele opzichten ook nog gewoon die kleuter die hij altijd al in zich had. Dan stelde hij zich aan als een klein kind met een heel hoog stemmetje, soms vroeg hij of hij bij zijn vriendjes mocht spelen. Natuurlijk had hij mij toestemming niet nodig, maar of ik hem dan ook wilde brengen en halen. Hij ging met soldaatjes spelen, gelukkig maar, dan had ik ook af en toe even het huis voor mezelf alleen.

Ruzie hadden we zeker wel, toen we samenwoonden in een behekst eenkamerappartementje 3-hoog achter in Amsterdam maar ook toen we gewoon in een eengezinswoning trokken met zijn tweetjes en alle ruimte hadden. Dan was ik boos omdat hij niet praatte en hij praatte niet omdat hij boos was dat ik boos was. Dat was geen onenigheidje, dat was gewoon vuurwerk met vonken en duizendklappers. Niet dat Aart zo van dat vuurwerk was, die hield liever zijn mond en dan kreeg hij van mij die duizendklapper, want ik kon daar niet zo goed tegen. En ruzie over troep, hij was boos op mij dat ik er zo’n zooi van maakte, ik weer boos op hem dat hij niet een beetje meehielp. Ja, we hebben heel wat tropenjaren gehad, een wonder eigenlijk dat we überhaupt ooit nog aan trouwen en een kind toe zijn gekomen zou je bijna zeggen.

Elke avond samen tegen elkaar aan bij de openhaard zat er ook niet zo in bij ons. Eigenlijk zaten we zelden samen beneden. Aart haatte televisie en van de openhaard krijg ik prikogen en gaat het stinken in huis. We waren wel bijna elke dag samen thuis dus misschien was het ook wel ter voorkoming van al te veel ergernissen. Ik zat dan in mijn atelier en hij op zijn werkkamer een verdieping hoger. Regelmatig kwam hij langs gewandeld om even bij me te buurten of riepen we om beurten dingen naar elkaar door onze open deuren. Andere keren kroop ik in de leunstoel naast zijn bureau en kletsen we. Soms stuurde hij me weer weg als hij moest werken en dan smeekte ik hem of ik mocht blijven als ik heel stil zou gaan zitten lezen. Mijn smeekbedes was hij niet tegen opgewassen dus dat mocht altijd. Soms lukte het me wel om me te begraven in een boek maar regelmatig verzuchte Aart na een uur dat ik toch weg moest (“je moet weg” zei hij dan letterlijk). Niet kletsen is best moeilijk hoor als je naast zo’n leuke man zit die je van alles wil vertellen!

Dat vakantiehuisje droomden we vaak van, maar eigenlijk waren we totaal ongeschikt voor zoiets. Een huisje aan zee, waar hij kon gaan schrijven en ik illustreren. Waar we de hele zomer zouden doorbrengen. Ja dromen hadden we genoeg samen maar meestal kwam er bar weinig van terecht. Een combinatie van mijn gebrek aan aandacht, ik was in het begin altijd enthousiast maar als iets niet gelijk van de grond kwam vergat ik het gewoon weer, en zijn gebrek aan initiatief. Ja, hoe zeer hij ook een gentlemen was die deuren voor me open hield, mijn jas aanpakte en mijn stoel aanschoof, intitiatief nam hij bijna nooit. Ik was degene die hém verraste met een nachtje weg, die voorstelde om ergens te gaan eten of om er op uit te gaan, die hem ontbijt op bed bracht en die voorstelde om op reis te gaan of op vakantie en die dat vervolgens uitzocht én boekte. Hoezo romantisch?

Maar hoe verschillend we ook waren, we waren wel gewoon verschrikkelijk verliefd op elkaar in het begin. En naarmate die jaren vorderden veranderde verliefd langzaam in lief. Hij werd liever voor mij, praatte wat meer, ik liever voor hem, dan vroeg ik of hij iets wilde terugzeggen vóór ik zou ontploffen. En naarmate we beter met elkaars kronkels om konden gaan gingen we steeds meer van elkaar houden. We kropen bijna in elkaar en hadden het goed samen. Aart zou trouwens braken als hij deze laatste zin had gelezen. Zondagochtend kreeg ik meestal geen ontbijt op bed, maar deden we andere hongerige dingen.

Als we samen op reis of vakantie waren dan waren we op ons best. Geen beslommeringen van thuis, ergernissen over elkaars troep, niet hoeven koken of huishouden of rekeningen betalen maar gewoon alleen maar genieten en bij elkaar zijn. We konden heel goed bij elkaar zijn. Toen we eens de hele maand september rondreisden weken we nauwelijks van elkaars zijde. Niet dwangmatig, we genoten juist heel erg van elkaars aanwezigheid en van elkaars genieten. Nog steeds moest ik Aart nog ongeveer de berg op slépen, maar we deden het wel. Achteraf was hem die berg op slepen tamelijk riskant, hij had waarschijnlijk toen al dat aneurysma en andere hart- en vaatproblemen, maar gelukkig waren wij (lang) in onwetendheid.

En initiatief nam hij ook op het juiste moment toen hij midden in een van mijn befaamde huilbuien voor me op de grond op zijn knieën ging zitten en me ten huwelijk vroeg. Ik mocht vervolgens het hele huwelijk regelen, maar hé, wat wil een vrouw nog meer? En trouwen met Aart was ook heel romantisch, wie wil er nou niet met een gentleman trouwen? En toen kregen we ook nog een kind!
Het einde had moeten zijn: toen leefden ze nog lang en gelukkig. Maar het werd, helaas zoals we elkaar beloofden bij ons huwelijk: tot de dood ons scheidt. En nu mis ik mijn rare niet zo ideale echtgenoot en het maffe maar dolgelukkige gezin dat wij waren gaan vormen. En droom ik stiekem over hoe het nooit had kunnen zijn want niemand kan bewijzen dat het niet zo was geworden.

Gescheiden

Regelmatig word het weduwezijn vergeleken met een scheiding door mensen die proberen een poging te wagen het te begrijpen of door mensen die het gevoel hebben met hun scheiding iets vergelijkbaars meegemaakt te hebben. Maar al te vaak ontsteken weduwen in woede omdat ze dat niet vergelijkbaar vinden. Mij maak je niet boos met die vergelijking, iedereen zoekt herkenning en er is ook gewoon een duidelijke overlapping wat mij betreft. Daar kun je als weduwe ook best wat aan hebben. Maar dat neemt niet wel dat er natuurlijk ook verschillen zijn. Ik wil iedereen graag hier uitnodigen om er over te praten. Weduwen die hier nog toevoegingen op hebben, maar ook juist gescheiden vrouwen die hier anders tegen aan kijken (of het zelfde), die overeenkomsten zien of juist nog andere verschillen.

De moeilijkheid zit hem in het feit dat er inderdaad ontzettend veel overeenkomsten (kunnen) zijn. Bijvoorbeeld bij dames (en heren) die ineens verlaten worden door hun man (of vrouw). Van de ene op de andere dag zijn ze geen partners meer, verliezen ze de gene van wie ze dachten te houden. Of op z’n minst dachten een relatie mee te hebben. Het gaat natuurlijk niet altijd zo abrupt, maar het komt toch ook regelmatig voor. Ik ken meerdere dames die met jonge kinderen en zonder man zitten omdat betreffende man de benen heeft genomen.
Als je man overlijd ben je ook van de ene op de andere dag je geliefde kwijt, heb je ook het besef dat je het voortaan zonder hem moet rooien, dat je vanaf dat moment alleen bent.
In beide situaties krijg je een flinke schok te verwerken, iets waar je nog heel lang van ondersteboven kunt zijn en waar je beschadigd van kunt raken. In beide gevallen moet je een verlies gaan verwerken en ga je een periode van intens verdriet door.

Maar er zijn natuurlijk ook verschillen. Dingen die het een anders maken dan het andere.
Bijvoorbeeld de schade, als je man je van de ene op de andere dag verlaat kan ik me zo maar voorstellen dat je zelfvertrouwen een flinke deuk op loopt. In gevallen van suïcide is dit trouwens denk ik ook het geval. Het maakt dat je aan jezelf gaat twijfelen, je vraagt je ook misschien wel af of liefde wel voor je is weggelegd. Ik weet het niet precies, het is mij niet overkomen, het is voor mij net zo als voor de gescheiden vrouw om te raden naar hoe het is om weduwe te zijn denk ik.
Als je man overlijd wordt je vertrouwen in het leven geschaad. Je wordt geconfronteerd met de vergankelijkheid van het leven en dat raakt aan ontzettend veel. De angst dat je zelf ook zoiets kan overkomen of nog veel erger, de angst dat je kinderen of andere dierbaren zoiets kan overkomen. Ik sta regelmatig met hartkloppingen aan Lucas’ bedje omdat ik ineens als de dood ben dat hij niet meer ademt. Nou schijnt dat ook wel een beetje moeder eigen te zijn, maar dit kwam bij mij pas in volle hevigheid opzetten na Aarts overlijden.

In beide gevallen ben je ineens alleen. Heb je verdriet en is de gene die je moet troosten juist de veroorzaker van het verdriet. Het verschil is wel dat je met je overleden man nooit meer kunt praten, tenzij je geloofd in het paranormale, maar daar zijn dus nogal wat kunstgrepen voor. Met je ex kun je nog wel praten, helaas misschien wel, want dat is misschien wel het laatste waar je op zit te wachten. Maar die persoon is er nog wel.
En waar ik als weduwe er heel wat voor over zou hebben om nog een keertje ruzie met mijn man te kunnen maken is dat waarschijnlijk het laatste waar je op zit te wachten met je ex. Maar het kán nog wel!

Ook een verschil is dat ik als weduwe voor eeuwig geliefde ben. Ik zal altijd in de wetenschap zijn dat mijn man ontzettend veel van me hield en ik van hem. Dat werd ruw verstoort door die stomme dood, maar het blijft voor altijd bij me. Het is ook iets wat ik me wil blijven herinneren, iets wat ik in elk geval een beetje vast wil houden. Terwijl dit bij scheidingen juist vaak kapot gemaakt is. Het houden van geknakt, vertrouwen in de liefde gebroken. Niet elke weduwe heeft dat geluk misschien, maar het is wel een tendens.

Uiteindelijk maakt het mij niet uit, iedereen is verschillend, iedere weduwe rouwt anders en iedere scheiding raakt anders. Verdriet is verdriet. Er zijn altijd overeenkomsten en verschillen en wat mij betreft moeten wij alleenstaande vrouwen en moeders elkaar gewoon steunen in zware tijden.

Vol hoofd

De afgelopen weken was mijn hoofd zo vol dat ik niet meer helder kon nadenken. Zelfs schrijven lukte me bijna niet omdat je om te schrijven toch op zijn minst inspiratie en de mogelijkheid om dingen op een rijtje te zetten moet hebben. Dat had ik niet, ik had ze echt niet meer op een rijtje. Mijn balans was zoek en je kon me met één vinger omduwen. En dat gebeurde ook meerdere keren. Ik voelde me stomp, ik voelde me verdrietig, ik voelde me moe, ontzettend moe. En ik kon niet helder nadenken. Mijn hoofd zat zo vol dat er te pas en te onpas dingen uitliepen. Woorden, tranen, energie. Dan stond ik weer te praten onder de douche. Als ik dat doe weet ik wel weer hoe laat het is. Waterleiding lek en de hoofdkraan kapot! Dan voer ik gesprekken met mijn onzichtbare zelf tegenover me, vertel ik dingen aan mensen die ik misschien pas over een week zie, of net gezien heb. Ik loop letterlijk over van alles wat er niet meer bij past.
Tranen, tja, het is ook gek eigenlijk, want maanden lang kan ik er met moeite een traantje uitpersen en dan zit ik ineens avond aan avond te huilen. Lig ik snikkend in mijn bedje en weet ik het niet meer, vraag ik aan andere weduwen tips tegen dikke huilogen. Huilend omdat het gewoon allemaal even tegen zit, omdat het niet lekker gaat. Niet omdat ik Aart mis, die mis ik pas als ik huil, dan mis ik iemand om tegen aan te schoppen. Eh ik bedoel te leunen natuurlijk.
Energie, de grootste aderlating was die van de energie, ik geloof dat mijn bedrading ook een opknapbeurtje nodig heeft. Als het niet lekker gaat dan gaat mijn kraantje niet dicht maar wijdopen en in plaats van dat ik dan wat energie spaar wordt ik druk en stuiterig. Ik knal dan zowat door mijn eigen geluidsbarrière. Maandag bijvoorbeeld…ik had koor… iets waar ik week na week naartoe leef. Toink, toink, toink. En dan word ik zo moe van mezelf, figuurlijk, want ik vind mezelf niet echt heel leuk als ik zo stuiterig ben, maar ook letterlijk. Je kunt me op het laatst gewoon opvegen dan. En het eindresultaat; een halve nacht met tranen, huilen omdat ik zo niet wil zijn, huilen omdat Aart er niet is om er over te praten en om me te vertellen dat ik heus wel leuk ben, ondanks mijn ADHD, dankzij mijn ADHD, huilen omdat ik zo over mijn eigen voeten struikel, huilen omdat ik eigenlijk gewoon intens verdrietig ben…
Het gekke is, met al dat gehuil en die vermoeidheid ben ik afgelopen weken één ding vergeten. Aart. Hij was er wel hoor, dat gaat niet weg, maar blijkbaar zat ik mezelf zo in de weg met mijn verdriet, vermoeidheid en rouw dat het helemaal niet meer daarover ging. Eigenlijk als vanouds… Want als ik niet lekker in mijn vel zat ging ik altijd ruzie zoeken met Aart. Andersom gebeurde trouwens ook regelmatig, dan ging hij gewoon een beetje roeren en porren zodat er wat uit zou komen. En als we dan uiteindelijk knallende ruzie hadden dan kwamen alle opgespaarde tranen vrij en kon ik eindelijk mijn hart luchten.
Ok, alle opgespaarde tranen zijn nog niet vrij gekomen, maar ik heb wel knallende ruzie gemaakt met mezelf en tranen gehuild die er hoognodig uit moesten. Mijn hart heeft weer een klein beetje ruimte. Hehe!

De rust is weer een beetje terug, de tranen weer opgedroogd (niet dat ik daar zo blij mee ben) en mijn stuiterigheid is weer teruggebracht naar eh… nou ja, normaal stuiterig?
En nu die rust er weer is denk ik ineens weer aan Aart. Het zit ‘m in de kleine dingen. Ik denk aan wat Aart gedacht zou hebben of gezegd zou hebben. In de supermarkt kijk ik stiekem naar de dingen die hij lekker zou hebben gevonden en vandaag zat ik met Lucas in een bruin café te lunchen en ik dacht aan hoe wij dat normaal samen altijd deden. Onszelf trakteren op een broodje na een moeilijk gesprek. Eigenlijk klopt er geen barst van, ik zat echt genoeglijk herinneringen op te halen terwijl ik even daarvoor nog bij de notaris zat om te praten over de afhandeling van de erfenis. Aart zou zich hebben omgedraaid in zijn graf als hij had geweten wat voor een ellende ik daardoor op mijn bordje krijg. Gelukkig weet hij van niks, nu is het aan mij om dit naar eer en geweten af te handelen. En dan eet ik in mijn eentje een broodje in een café, en ben ik daar gewoon trots op. Ik ben niet alleen omdat ik zielig ben, ik ben alleen omdat ik weduwe ben, dan mag dat, dan mag je alleen zijn. En dus ga ik alleen een broodje eten in een café en geniet ik daar nog van ook. Van Aart geleerd jongens, van die geweldige man van mij!
Oké, mijn kind was ook bij mij, maar die lag in cognito verstopt in de wagen, mensen kunnen net zo goed gedacht hebben dat ik net alsof deed want hij heeft geen kik gegeven de hele tijd dat ik daar was. En ik was ook niet echt alleen, ik was met Aart en dacht aan hoe hij me geleerd heeft flexibel te zijn en van het leven te genieten. En toevallig is dat vandaag best goed gelukt!
En ik heb niet eens hardop tegen hem gepraat in dat café.

Zelf doen

Ja, daar zit je dan, tranen ergens diep verstopt in je keel proberen hun weg te vinden. Moe, ja ik ben moe en heel verdrietig. Ik weet vandaag even niet meer waarom, ik weet alleen dat ik ze voel, die opgesloten tranen diep in mijn keel. Ik wil ze graag huilen, maar komen doen ze niet, ze blijven halverwege steken en geven me het gevoel dat ik moeilijk kan slikken. Droge ogen, kúrkdroge ogen, geven aan dat ik van hen in elk geval niets hoef te verwachten.
Vanavond was Lucas aan het mopperen, hij was ook moe, we hadden gisteren een drukke (leuke!) dag, hij deed vandaag al drie slaapjes, maar het was niet genoeg. Ik merkte dat het gewoon even te veel was. Ik wilde gewoon even geen worstelpartij op het aankleedkussen bij het tandenpoetsen en uitkleden. Hij werkte daar uiteraard niet aan mee, want als je net ontdekt hebt dat je je ook om kunt draaien en weg kunt kruipen en dat er een heleboel spannende dingen op de commode liggen, dan blijf je niet netjes op je rug liggen natuurlijk. Ik voelde me boos, ik zei tegen hem dat ik graag wilde dat hij ophield omdat ik het al stom genoeg vind dat ik het élke dag weer moet doen, élke dag weer hetzelfde riedeltje. Ik wiiiihiiiil niet meer wilde ik het liefst roepen. Maar Lucas had zelfs geen boodschap aan de houtgreep. Het voorlezen bestond uit zo snel mogelijk de zinnen uit dikkie dik opdreunen en ondertussen proberen mijn kind er van te weerhouden de bladzijden aan flarden te scheuren. Gezellig joh. Ik legde hem gauw in bed en zei zoals elke avond: “slaap lekker Lucas, ga maar lekker slapen, tot morgen.” en maakte daarbij het gebaar voor slapen. Daarna verdween ik gauw uit zijn kamer, opgelucht dat hij niet begon te huilen. Hèhè, eindelijk even rust.

Tien minuten later miste ik hem alweer en sloop ik zijn kamer nog een keertje in om hem te zoenen. Half wakker nam hij ze in ontvangst om zich vervolgens nog eens lekker om te draaien. Hoe blij ik dan ook ben dat hij lekker is gaan slapen. Sommige avonden wil ik het liefst bij hem op zijn kamer gaan zitten en naar hem kijken en met hem knuffelen. Alleen het is zo zielig dat hij dan elke keer wakker wordt. Zijn behoefte is duidelijk een andere dan de mijne.

Ja, op zo’n avond voel ik me alleen, voel ik de vermoeidheid over me heen kruipen, voel ik de zwaarte van de voorbije dag maar ook de zwaarte van de komende. Dan voel ik ze drukken, die dagen met bijbehorende tranen en lijkt alles even hopeloos.

In feite zijn er ook genoeg dingen hopeloos. Ik zie bijvoorbeeld Aarts oudste kinderen nooit meer. Ik heb geschroomd hier over te schrijven omdat de situatie pijnlijk is en ik de zaken niet wil verergeren. Maar ik heb besloten hier toch, een heel klein tipje van de sluier op te lichten. Gewoon omdat ik echt verdrietig ben dat de zaken zo gelopen zijn. Dat Lucas zijn twee oudste broers nooit ziet, dat zijn twee oudste broers hem niet zien opgroeien, niet meegenieten van het opgroeien of Aart in hem herkennen zoals anderen dat doen. Ik ben verdrietig omdat de reden dat ze niet komen volgens mij niet ligt in het feit dat zij me niet willen zien, maar door de relatie van hun moeder met mij. Ik hoop dat ze snappen dat ondanks alles mijn deur nog steeds voor ze op een kier staat en dat ze op een dag weer bij me op de stoep staan.

Het afhandelen van de erfenis is ook hopeloos. Er worden dingen van mij geëist waar ik verdrietig van word, nog niet aan toe ben. Ik moet knopen doorhakken over dingen waarvan ik niet eens weet waar de knopen liggen. Het is raar want het gaat niet over mij, eigenlijk niet. Het gaat over Aart, over Aart en zijn kinderen. Over wat Aart voor ogen had, over de toekomst, een goede toekomst. Maar hoe kan ik nou bepalen over een toekomst waarvan ik niet weet hoe die er misschien uit ziet omdat ik de eigenaren van die toekomst nooit zie, nooit spreek. Ik weet niets over hun wensen en verlangens, niet wat ze nodig hebben of wat ze doen. Ik wil ze graag helpen, maar het vervelende is, ik zie ze niet, spreek ze niet. Ik kan ze niet vragen of ze herinneringen willen, of ze spullen willen hebben. Ik kan ze niet de gelegenheid geven om nog eens in zijn werkkamer rond te snuffelen voor ik deze uitruim. Ik kan ze niet vragen om samen mij dingen uit te zoeken. Ik kan ze niet knuffelen(ok, puberjongens zijn sowieso behoorlijk onknuffelbaar over het algemeen) en samen delen in het verdriet waarvan ik zeker weet dat zij het ook hebben. Het kan niet want ik zie ze nooit.
Er wordt aan mij getrokken, er hangen dingen boven mijn hoofd die ik niet mee wil maken maar om ze af te wenden moet ik dingen beslissen die ik nog helemaal niet kan beslissen in deze wirwar van emoties.

Ik moet het zelf doen. De verantwoordelijkheid is enorm want ik hak hier de knopen door. Ik maak de beslissingen en ik draag ook, helemaal alleen, de consequenties. Niet alleen voor mezelf, maar ook voor Lucas en die andere twee, die hier weliswaar misschien minder van voelen omdat ze er nauwelijks weet van hebben, maar ik heb touwtjes in handen die ik helemaal niet in handen wil hebben.
Ik wil niet kiezen. Ik wil gewoon dat alles weer goed komt.