Vol hoofd

De afgelopen weken was mijn hoofd zo vol dat ik niet meer helder kon nadenken. Zelfs schrijven lukte me bijna niet omdat je om te schrijven toch op zijn minst inspiratie en de mogelijkheid om dingen op een rijtje te zetten moet hebben. Dat had ik niet, ik had ze echt niet meer op een rijtje. Mijn balans was zoek en je kon me met één vinger omduwen. En dat gebeurde ook meerdere keren. Ik voelde me stomp, ik voelde me verdrietig, ik voelde me moe, ontzettend moe. En ik kon niet helder nadenken. Mijn hoofd zat zo vol dat er te pas en te onpas dingen uitliepen. Woorden, tranen, energie. Dan stond ik weer te praten onder de douche. Als ik dat doe weet ik wel weer hoe laat het is. Waterleiding lek en de hoofdkraan kapot! Dan voer ik gesprekken met mijn onzichtbare zelf tegenover me, vertel ik dingen aan mensen die ik misschien pas over een week zie, of net gezien heb. Ik loop letterlijk over van alles wat er niet meer bij past.
Tranen, tja, het is ook gek eigenlijk, want maanden lang kan ik er met moeite een traantje uitpersen en dan zit ik ineens avond aan avond te huilen. Lig ik snikkend in mijn bedje en weet ik het niet meer, vraag ik aan andere weduwen tips tegen dikke huilogen. Huilend omdat het gewoon allemaal even tegen zit, omdat het niet lekker gaat. Niet omdat ik Aart mis, die mis ik pas als ik huil, dan mis ik iemand om tegen aan te schoppen. Eh ik bedoel te leunen natuurlijk.
Energie, de grootste aderlating was die van de energie, ik geloof dat mijn bedrading ook een opknapbeurtje nodig heeft. Als het niet lekker gaat dan gaat mijn kraantje niet dicht maar wijdopen en in plaats van dat ik dan wat energie spaar wordt ik druk en stuiterig. Ik knal dan zowat door mijn eigen geluidsbarrière. Maandag bijvoorbeeld…ik had koor… iets waar ik week na week naartoe leef. Toink, toink, toink. En dan word ik zo moe van mezelf, figuurlijk, want ik vind mezelf niet echt heel leuk als ik zo stuiterig ben, maar ook letterlijk. Je kunt me op het laatst gewoon opvegen dan. En het eindresultaat; een halve nacht met tranen, huilen omdat ik zo niet wil zijn, huilen omdat Aart er niet is om er over te praten en om me te vertellen dat ik heus wel leuk ben, ondanks mijn ADHD, dankzij mijn ADHD, huilen omdat ik zo over mijn eigen voeten struikel, huilen omdat ik eigenlijk gewoon intens verdrietig ben…
Het gekke is, met al dat gehuil en die vermoeidheid ben ik afgelopen weken één ding vergeten. Aart. Hij was er wel hoor, dat gaat niet weg, maar blijkbaar zat ik mezelf zo in de weg met mijn verdriet, vermoeidheid en rouw dat het helemaal niet meer daarover ging. Eigenlijk als vanouds… Want als ik niet lekker in mijn vel zat ging ik altijd ruzie zoeken met Aart. Andersom gebeurde trouwens ook regelmatig, dan ging hij gewoon een beetje roeren en porren zodat er wat uit zou komen. En als we dan uiteindelijk knallende ruzie hadden dan kwamen alle opgespaarde tranen vrij en kon ik eindelijk mijn hart luchten.
Ok, alle opgespaarde tranen zijn nog niet vrij gekomen, maar ik heb wel knallende ruzie gemaakt met mezelf en tranen gehuild die er hoognodig uit moesten. Mijn hart heeft weer een klein beetje ruimte. Hehe!

De rust is weer een beetje terug, de tranen weer opgedroogd (niet dat ik daar zo blij mee ben) en mijn stuiterigheid is weer teruggebracht naar eh… nou ja, normaal stuiterig?
En nu die rust er weer is denk ik ineens weer aan Aart. Het zit ‘m in de kleine dingen. Ik denk aan wat Aart gedacht zou hebben of gezegd zou hebben. In de supermarkt kijk ik stiekem naar de dingen die hij lekker zou hebben gevonden en vandaag zat ik met Lucas in een bruin café te lunchen en ik dacht aan hoe wij dat normaal samen altijd deden. Onszelf trakteren op een broodje na een moeilijk gesprek. Eigenlijk klopt er geen barst van, ik zat echt genoeglijk herinneringen op te halen terwijl ik even daarvoor nog bij de notaris zat om te praten over de afhandeling van de erfenis. Aart zou zich hebben omgedraaid in zijn graf als hij had geweten wat voor een ellende ik daardoor op mijn bordje krijg. Gelukkig weet hij van niks, nu is het aan mij om dit naar eer en geweten af te handelen. En dan eet ik in mijn eentje een broodje in een café, en ben ik daar gewoon trots op. Ik ben niet alleen omdat ik zielig ben, ik ben alleen omdat ik weduwe ben, dan mag dat, dan mag je alleen zijn. En dus ga ik alleen een broodje eten in een café en geniet ik daar nog van ook. Van Aart geleerd jongens, van die geweldige man van mij!
Oké, mijn kind was ook bij mij, maar die lag in cognito verstopt in de wagen, mensen kunnen net zo goed gedacht hebben dat ik net alsof deed want hij heeft geen kik gegeven de hele tijd dat ik daar was. En ik was ook niet echt alleen, ik was met Aart en dacht aan hoe hij me geleerd heeft flexibel te zijn en van het leven te genieten. En toevallig is dat vandaag best goed gelukt!
En ik heb niet eens hardop tegen hem gepraat in dat café.

Advertenties

Zelf doen

Ja, daar zit je dan, tranen ergens diep verstopt in je keel proberen hun weg te vinden. Moe, ja ik ben moe en heel verdrietig. Ik weet vandaag even niet meer waarom, ik weet alleen dat ik ze voel, die opgesloten tranen diep in mijn keel. Ik wil ze graag huilen, maar komen doen ze niet, ze blijven halverwege steken en geven me het gevoel dat ik moeilijk kan slikken. Droge ogen, kúrkdroge ogen, geven aan dat ik van hen in elk geval niets hoef te verwachten.
Vanavond was Lucas aan het mopperen, hij was ook moe, we hadden gisteren een drukke (leuke!) dag, hij deed vandaag al drie slaapjes, maar het was niet genoeg. Ik merkte dat het gewoon even te veel was. Ik wilde gewoon even geen worstelpartij op het aankleedkussen bij het tandenpoetsen en uitkleden. Hij werkte daar uiteraard niet aan mee, want als je net ontdekt hebt dat je je ook om kunt draaien en weg kunt kruipen en dat er een heleboel spannende dingen op de commode liggen, dan blijf je niet netjes op je rug liggen natuurlijk. Ik voelde me boos, ik zei tegen hem dat ik graag wilde dat hij ophield omdat ik het al stom genoeg vind dat ik het élke dag weer moet doen, élke dag weer hetzelfde riedeltje. Ik wiiiihiiiil niet meer wilde ik het liefst roepen. Maar Lucas had zelfs geen boodschap aan de houtgreep. Het voorlezen bestond uit zo snel mogelijk de zinnen uit dikkie dik opdreunen en ondertussen proberen mijn kind er van te weerhouden de bladzijden aan flarden te scheuren. Gezellig joh. Ik legde hem gauw in bed en zei zoals elke avond: “slaap lekker Lucas, ga maar lekker slapen, tot morgen.” en maakte daarbij het gebaar voor slapen. Daarna verdween ik gauw uit zijn kamer, opgelucht dat hij niet begon te huilen. Hèhè, eindelijk even rust.

Tien minuten later miste ik hem alweer en sloop ik zijn kamer nog een keertje in om hem te zoenen. Half wakker nam hij ze in ontvangst om zich vervolgens nog eens lekker om te draaien. Hoe blij ik dan ook ben dat hij lekker is gaan slapen. Sommige avonden wil ik het liefst bij hem op zijn kamer gaan zitten en naar hem kijken en met hem knuffelen. Alleen het is zo zielig dat hij dan elke keer wakker wordt. Zijn behoefte is duidelijk een andere dan de mijne.

Ja, op zo’n avond voel ik me alleen, voel ik de vermoeidheid over me heen kruipen, voel ik de zwaarte van de voorbije dag maar ook de zwaarte van de komende. Dan voel ik ze drukken, die dagen met bijbehorende tranen en lijkt alles even hopeloos.

In feite zijn er ook genoeg dingen hopeloos. Ik zie bijvoorbeeld Aarts oudste kinderen nooit meer. Ik heb geschroomd hier over te schrijven omdat de situatie pijnlijk is en ik de zaken niet wil verergeren. Maar ik heb besloten hier toch, een heel klein tipje van de sluier op te lichten. Gewoon omdat ik echt verdrietig ben dat de zaken zo gelopen zijn. Dat Lucas zijn twee oudste broers nooit ziet, dat zijn twee oudste broers hem niet zien opgroeien, niet meegenieten van het opgroeien of Aart in hem herkennen zoals anderen dat doen. Ik ben verdrietig omdat de reden dat ze niet komen volgens mij niet ligt in het feit dat zij me niet willen zien, maar door de relatie van hun moeder met mij. Ik hoop dat ze snappen dat ondanks alles mijn deur nog steeds voor ze op een kier staat en dat ze op een dag weer bij me op de stoep staan.

Het afhandelen van de erfenis is ook hopeloos. Er worden dingen van mij geëist waar ik verdrietig van word, nog niet aan toe ben. Ik moet knopen doorhakken over dingen waarvan ik niet eens weet waar de knopen liggen. Het is raar want het gaat niet over mij, eigenlijk niet. Het gaat over Aart, over Aart en zijn kinderen. Over wat Aart voor ogen had, over de toekomst, een goede toekomst. Maar hoe kan ik nou bepalen over een toekomst waarvan ik niet weet hoe die er misschien uit ziet omdat ik de eigenaren van die toekomst nooit zie, nooit spreek. Ik weet niets over hun wensen en verlangens, niet wat ze nodig hebben of wat ze doen. Ik wil ze graag helpen, maar het vervelende is, ik zie ze niet, spreek ze niet. Ik kan ze niet vragen of ze herinneringen willen, of ze spullen willen hebben. Ik kan ze niet de gelegenheid geven om nog eens in zijn werkkamer rond te snuffelen voor ik deze uitruim. Ik kan ze niet vragen om samen mij dingen uit te zoeken. Ik kan ze niet knuffelen(ok, puberjongens zijn sowieso behoorlijk onknuffelbaar over het algemeen) en samen delen in het verdriet waarvan ik zeker weet dat zij het ook hebben. Het kan niet want ik zie ze nooit.
Er wordt aan mij getrokken, er hangen dingen boven mijn hoofd die ik niet mee wil maken maar om ze af te wenden moet ik dingen beslissen die ik nog helemaal niet kan beslissen in deze wirwar van emoties.

Ik moet het zelf doen. De verantwoordelijkheid is enorm want ik hak hier de knopen door. Ik maak de beslissingen en ik draag ook, helemaal alleen, de consequenties. Niet alleen voor mezelf, maar ook voor Lucas en die andere twee, die hier weliswaar misschien minder van voelen omdat ze er nauwelijks weet van hebben, maar ik heb touwtjes in handen die ik helemaal niet in handen wil hebben.
Ik wil niet kiezen. Ik wil gewoon dat alles weer goed komt.

 

Beetje rauw

23-10-2008

23-10-2008, trouwdag

Vandaag zat ik bij de psychiater, het was een raar en warrig gesprek. Ik kwam daar vanwege mijn ADHD en hij begreep maar niet wat ik nou eigenlijk zei. Ik denk dat het was omdat hij gewoon niet goed zat op te letten, maar het kán natuurlijk ook zo zijn geweest dat ik me ietwat warrig heb uitgelaten. Hij had mijn dossier gelezen, maar had duidelijk gemist dat ik weduwe was want op mijn meisjesnaam kon hij me niet vinden in het systeem van het ziekenhuis. Hij begreep er niets van, vroeg of hij mijn geboortedatum wel goed had en uiteindelijk na een hoop gedoe vroeg hij of ik soms getrouwd was geweest met iemand en die naam eerder had gebruikt… Eh ja, getrouwd ‘geweest’, ja. En ja, het ziekenhuis heeft mij inderdaad omgedoopt tot mevrouw Brouwer-Jacobs toen we tegelijk in het ziekenhuis lagen. Het is verwarrend, is mijn huwelijk voorbij? Je sluit een huwelijk tot de dood je scheid. Ik kan wel stellen dat dat gebeurd is dus dan zou dat voorbij zijn. Maar ik ben wel voor de rest van mijn leven weduwe. Bah wat een rotwoord; het dekt precies de lading.
De conclusie was dat ik maar in januari terug moest komen in ‘het nieuwe ziekenhuis’, eerst maar eens werken aan mijn PTSS (oh heb ik posttraumatische stressstoornis dan? Waarom weet ik niets van die diagnose?) en nadenken over wat ik wil (ik wil wél magische pillen maar geen ellende meer, is dat nou zo veel gevraagd?).

Morgen. Morgen heb ik EMDR. Een beetje vaagsoortige therapie waarmee men vaak snelle en goede resultaten boekt in het geval van trauma’s. Misschien komt daar mijn PTSS dan wel daar vandaan? Of misschien heb ik dat inderdaad wel gewoon. Eenentwintig weken en twee dagen geleden (nee dat houd ik niet bij, dat moest ik natellen in mijn agenda) liep ik rond half twaalf de trap naar zolder op om Aart te wekken die in de logeerkamer sliep. Dat deed hij omdat hij al zijn energie nodig had om te herstellen en het er niet bij kon hebben om een paar keer per nacht wakker te worden van onze lieve kleine Lucas. We vonden het allebei jammer maar hadden er ons bij neergelegd en namen elke avond afscheid onderaan de zoldertrap. Dat hadden we de avond ervoor ook gedaan en ik had nog een keer gezegd dat ik hem zo miste bij me in bed, hij heeft me nog extra stevig geknuffeld. Hij miste mij ook ’s nachts.
Ik kwam boven en vanaf de trap zag ik Aart al zitten; ik wist het gelijk. Hij is dood. Mijn eerste gedachte: “Oh nee, nu is gebeurd waar ik zo bang voor was.”, het gebeurde alleen op een voor mij totaal onverwachts moment. Ik was echt in de veronderstelling dat hij aan het uitslapen was. Ik bedacht me dat ik 112 moest bellen. Ik voelde nog even in zijn nek, koud, echt dood, zoals ik al wist, belde 112 en zei: “Ik heb zojuist mijn man dood gevonden.”, ze hebben me nog gevraagd hoe ik dat zo zeker wist dat hij dood was. Geloof me, dat wist ik zeker, dat kon ik voelen en heel goed zien.

Nu, eenentwintig weken en twee dagen later is dat beeld nog steeds bij mij, het achtervolgt me, elke dag weer. Het sleurt me erbij op het moment dat ik net even rustig zit, het bezorgd me kippenvel in bed en angstige momenten om Lucas, het bezorgd me akelige gedachten, hartkloppingen en vooral heel veel onrust. De angst die ik toen voelde, de schok die er toen door me heen ging, die ervaar ik nog dagelijks, bevroren in de tijd. De rest van mij is verder gegaan, verder met verwerken, maar dat ene beeld is als een plaat die is blijven hangen. Een diepe groef waar ik niet meer uit kan klimmen. Niet zelf.
Dus heb ik morgen voor de eerste keer EMDR. Het houdt me bezig en het houdt me vast zoals dat beeld me vast houd. Of misschien houd ik het wel vast, koester ik het als mijn laatste intieme moment met Aart.
Ik hoop dat vanaf morgen een klein beetje los mag laten, dat ik het mezelf gun om weer een beetje verder te gaan, een beetje verder van Aart vandaan, omdat het moet. Omdat ik niet kan leven terwijl ik zo omstrengeld wordt. Omdat bevroren liefde zo verstikkend wordt.

Ja auw!

Meneer en mevrouw Traan

tranen2

Ze zijn al zo lang ik me kan herinneren onderdeel van mijn leven; meneer en mevrouw Traan. Ze waren er als ik verdrietig was of boos was, ze streelden mijn wangen als het me even te veel werd en verwarmden mijn gezicht als niets ging zoals het moest. Ze stonden aan mijn zijde bij frustraties en bij spannende momenten. Ze zaten zachtjes te wiebelen achter mijn oogleden op mooie momenten, rolden soms onverwachts of biggelden bij ontroerende momenten. Soms lieten ze het ook afweten op de momenten dat ik ze het hardst nodig had, maar altijd op het moment dat ik dacht dat ik ze kwijt was kwamen ze weer.
Meneer en mevrouw Traan, niet altijd gewenst aanwezig maar zo vergroeid met mijn leven dat ik niet zonder ze kan. Als de spanning me even te veel werd kwam mevrouw Traan om me te troosten, ze hielp me de spanning af te vloeien. Meneer Traan was er altijd, natte wangen als gevolg van zijn wijze gesproei.
De afgelopen maanden lieten ze het afweten. Ze waren ze er vaker niet dan wel. In de steek gelaten als ik me voelde smeekte ik of ze terug wilde komen. Meneer en mevrouw Traan zijn eigenwijze mensen, ze komen niet op commando en ze blijven niet weg op commando. Soms als ze kwamen, als ongenode gasten, totaal onverwachts, gingen ze bovenop me zitten en smoorden me en dan wenste ik dat ze weer gingen. Als ze gingen zoals ik wenste dan smeekte ik later of ze weer wilden komen en dan vocht ik met ze tot de laatste snik.

Ik was boos op meneer en mevrouw Traan, ze frustreerden me. Ik had ze nodig maar ze waren er niet voor me, ik wilde ze voelen maar juist op die momenten waren ze zo ver weg. Tranen, ik verlangde naar ze, warme zilte tranen, natte wangen, een snotneus en dikke oogleden. Bergen tissues en hoofdpijn de volgende dag, ik wilde leed zoals je dat met tranen lijd in rechtstreekse pijn.
Maar meneer en mevrouw Traan zijn niet te dwingen. Pas nu ik ze los laat, nu alles in mij weer een beetje losser wordt, nu pas komen ze weer. Schuifelend en stapje voor stapje sluipen ze voorzichtig weer mijn leven binnen. Ze kijken om het hoekje of het wel veilig is, geschrokken door de intensiteit van mijn verdriet. Voorzichtig snotter ik, druppel ik en moet ik af en toe naar de tissues grijpen en hoe zeer ik ze ook verfoei op sommige momenten, ik ben blij dat meneer en mevrouw Traan weer in mijn leven zijn. Zonder hun ben ik niet mezelf, ben ik niets waard ben ik zonder gevoel en zit ik op slot.

Ik voel me wankelen, de krampachtig pogingen staande te blijven heb ik gestaakt. Liever val ik met meneer en mevrouw Traan in een grote plas. Het biedt de mogelijkheid je er af en toe even in te verdrinken maar uiteindelijk ook de mogelijkheid om in ze te spetteren en te stampen met mooie rode regenlaarzen. Liever dat dan blijven staan en nooit meer in beweging te komen.

Random

20130922-005019.jpg

Ik heb hier al vaker over geschreven, maar in mijn hoofd ploppen vaak zo maar gedachten op. Nou heb ik daar sowieso last van, dat hoofd van mij is moeilijk te sturen en gaat vaak totaal zijn eigen gang. Ik vraag me wel eens af of ik er überhaupt wat over te zeggen heb, soms lijkt het alsof ik een dwarse puber op mijn nek heb. Stuurs en nukkig doet mijn hoofd dan precies het tegenovergestelde van wat ik wil. Wil ik ergens niet aan denken dan doet het dat juist wel, wil ik tranen dan blijft het droog, kurkdroog, wil ik ze niet dan kun je beter een dweil meenemen. Wil ik rechts dan gaat mijn hoofd links. Ja echt, gisteren bij de huisarts nog, tweede deur rechts zei ze, maar daar was helemaal geen deur! Toen bleek dat ze links bedoelde, tenminste, de links die mijn hoofd had bedacht. Dat samen met het feit dat ik aan het einde van het consult niet meer wist waarom ik ook alweer bloed moest prikken moet niet een bijster goeie indruk hebben gegeven. Of juist wel misschien, van die chaos in mijn hoofd. Het is maar net wat je wil zien. Volgende keer zou ze het voor me opschrijven.

Nu to the point, dat er om heen geschrijf heeft ook maar één doel; proberen het er niet over te hebben. Maar dat wil ik dus juist wel want ik wil het graag uit mijn hoofd hebben en op papier in plaats van andersom. Dat hoofd moet zich maar even koest houden.

De laatste dagen heb ik ze ineens weer veel, die zo maar ineens opploppende gedachten over Aart. Net liep ik naar de badkamer om nog maar even een keer te gaan plassen voor het slapen gaan en ineens zag ik Aart voor me, boven, dood. Niet echt bevorderlijk voor een goede nachtrust. Terwijl ik de gedachte probeerde weg te drukken, uit te wissen dacht ik aan de babyfoon, dat die nog aan staat en plop, een gedachte over het geluid wat door de babyfoon klonk toen Aarts lichaam van zolder naar beneden gebracht werd. Uiteraard had mijn hoofd er ook een beeld bij, dat soort beelden van dingen die je niet echt gezien hebt zijn helaas maar al te vaak door de verbeelding nogal heftig ingekleurd.
Toen ik weer in bed lag ging mijn fantasie helemaal met me op de loop. Ik stelde me voor hoe het zou zijn geweest als Aart naast me in bed was doodgegaan en hoe dat dan zou moeten met de ambulancebroeders en hun arbowet. Ik vroeg me af of de brandweer er wel bij zou kunnen komen hier aan de achterkant en ik zag voor me hoe ze hem al reanimerend probeerden af te voern. Ja nee fijn hoofd, heel nuttige gedachten ook. Please give me a break!

Gisteren zat hij ook in mijn droom; hij zat aan tafel maar was niet écht mijn man en deed vervelend met andere mensen. Iemand vroeg mij hoe het ging en ik zei: “jaaa, goehoed. Naar omstandigheden.” en die voor mij onbekende persoon zei: “nee, hoe gaat het écht? Hoe voel jíj je?”, na twee keer slikken zei ik snikkend: “Het doet zó’n verrekte pijn!”. Au, hoofd, dat doet pijn!

Misschien komt het omdat Lucas gisteren zijn eerste verhalfjaardag vierde. Hij kreeg van mij zijn eerste hapje, een stronkje broccoli. Ik ben zo trots! Tegelijk met de deceptie dat de gene met wie ik het wilde delen het gewoon nooit meer zal kunnen zien.

Misschien komt het ook doordat ik deze week een vrijgezellenfeest en gisteren bijbehorende bruiloft had. Het was zó leuk! Zo gezellig en mooi! Ik heb oprecht plezier gehad maar ineens is je trouwring zo nadrukkelijk aanwezig en de bijbehorende man zo nadrukkelijk afwezig. Zijn ring in het bakje bij zijn bril in plaats van aan zijn lange sierlijke pianohanden.

Nu denk ik aan zijn handen. Hoe die door mijn haren woelden als ik weer eens te veel gedachten had. Dan viel ik langzaam tóch in slaap, de gedachten uit mij geaaid.
Waar is die vent toch als je hem nodig hebt?

Dag maandag

bluemonday

Dag maandag, ik huil je gedag. Dinsdag wil ik niet weer zó’n dag.
Dag blauwe maandag, ik wil geen blauwe dinsdag, woensdag, donderdag, vrijdag, zaterdag of zondag, laat die dagen maar kleuren dan huil ik ondertussen deze maandag gedag.
Een dag zonder zonnestralen, alleen maar regen in mijn hoofd. Zelfs met zingen was je er nog maandag. Ik doe er niet meer aan mee, kies maar gewoon een andere dag.
Dag maandag met je moeie gevoel, dag met je hoofdpijn, dag met je ziel onder je arm en dag met het inwendige huilen. Dag maandag, je hebt lekker pech want ik heb je hardop uitgehuild. Uitgehuild en afgeschud.
Weg maandag. Ik zweer je vannacht is het dinsdag en slaap ik warm onder mijn dekbed, tranen opgedroogd op mijn wangen en als ik wakker word dan schijnt de zon. Al is het maar vanbinnen en dan ga ik zingen.

Dag!

Geliefden

20130822-040457.jpg

Boven in bed ligt een lief stel. Lief omdat ze mijn vrienden zijn en lief omdat ze geliefden zijn. Lief omdat ze lief voor elkaar zijn en elkaar stangen waar nodig. Ergens is dat bijzonder geruststellend. De wereld is niet vergaan want er is nog liefde. ‘Ware liefde!’ riep Aart vaak, alsof het een soort bezwering was die dat moest bewerkstelligen. Het werkte in ieder geval prima en we bezegelden dat vaak door onze trouwringen tegen elkaar aan te stoten.
Elke liefkozing die ze van elkaar stelen geeft mij een warm gevoel en tegelijk weemoedige pijn. Het zijn de liefkozingen van mensen die al jaren samen zijn, zo gewoon. Nu ze er niet meer zijn tussen mij en Aart is voor mij de vanzelfsprekendheid ineens voorbij.
Elke nacht liggen ze boven samen in bed (denk ik, ik kan niet door het plafond heen kijken) en ik lig beneden, alleen in het grote bed en staar naar het plafond. Ik zou er bijna tussenin willen kruipen, de liefde voelen. Het besef dat het niet zo lekker zal liggen in de spleet van de twee tegen elkaar geschoven bedden houd mij tegen.
Op zulke momenten doe ik mijn bedlampje aan en kijk naar mijn slapende baby, zo mooi en onschuldig, zo veel liefde. En toch kan het niet vervangen wat ik mis omdat mijn liefde voor Lucas een andere liefde is. Samen zijn en je toch eenzaam voelen is een verdriet wat ik de laatste tijd pas echt goed heb leren kennen. Ik sta aan de zijlijn van de liefde.

Fietsend over het eiland met mijn vrienden schrijf ik een beetje heen over de paden die we vorig jaar samen volgden. We zitten op hetzelfde terras, we fietsen over dezelfde paden. Vandaag aten we bij het restaurant waar we vorig jaar besloten dat dít het goede leven was en dat we er helemaal niet zo ver voor hoefden te reizen.
Deze winter, toen de hel op aarde was losgebarsten stelde het vooruitzicht van ons geplande bezoek aan het eiland ons gerust en we bedachten dat we onze vrienden mee zouden nemen naar dit restaurant om ze te bedanken voor alle steun en goede zorgen. Dat was toen het nog samen was. Nu gingen we met z’n drieeneenhalven om ze nog meer te bedanken. het was heerlijk genieten, een gezellige avond maar ook die schim van Aart die stiekem een beetje naast me zat. Ik zou hem willen knuffelen, rozig en ietwat aangeschoten van de drank en nagenietend van deze fijne avond.

Nu zo alleen in bed voelt de nacht zo leeg, maar overdag zijn daar mijn lieve vrienden die zachtjes een heel klein beetje het gat vullen. Met hun aanwezigheid. En met liefde.

Jan-Willem, Emmy, bedankt voor al die goede zorgen, bedankt voor de fijne week die jullie me bezorgen. Bedankt voor de liefde.