Dat jij er bent

En in weer zo’n donkere eenzame nacht sluip ik naar het kamertje van mijn zoon. Míjn zoon! Ik leg hem recht, dek hem nog eens toe, streel over zijn haartjes en wring me in een onmogelijke bocht over de rand van zijn ledikantje om zijn hoofdje te kussen. Ik hoor een zachte zucht. Ik leg zijn speentje terug in bed, zijn knuffels recht en zachtjes fluister ik: “ik ben zo blij dat jij er bent”.
Hij hoort me niet, hij ligt onschuldig diep te slapen en ik ben blij dat hij het allemaal niet meekrijgt. Die verdrietige doorwaakte nachten waarin ik spook en ik in bed liggen afwissel met zachtjes rondsluipen.
Ik ben zo blij dat hij er is, dat ik mijn liefde nog op hem kan botvieren. Dat ik ’s nachts getroost kan worden door hem even zachtjes aan te raken. Mijn kind, mijn zóón.
Hij kan mij niet vertellen dat het allemaal wel goed komt met mooie woorden. Hij slaat geen troostende arm om me heen. Hij trekt hoogstens aan mijn haar als hij de kans krijgt of probeert eens een hapje uit mijn arm en brabbelt papapapapa. Hij hoeft dat ook niet te doen, hij is mijn kind en als ik hem zie wéét ik dat het goed komt. Het, ja, datgene wat nu enigszins ondefinieerbaar maakt dat het niet goed ís. Als ik naar hem kijk denk ik aan al die mooie momenten die wij samen nog gaan krijgen. Aan hoe ik hem zal vertellen over papa, hoe verliefd die op hem was en hoe hij hem mee nam naar zijn werkkamer op zolder om hem te laten slapen in de wasmand. Hoe hij dan uren naar hem zat te kijken en totaal vergat wat hij daar aan het doen was. Hoe hij glom van trots als hij het over hem had.
En als ik naar hem kijk en hem driftig hoor brullen dan denk ik: als jij op je vader én je moeder lijkt krijg ik nog heel wat met je te stellen. En stiekem moet ik dan een beetje glimlachen, we waren me een stelletje.