Van die dagen

Ik word wakker met de gedachte aan Aart. Terwijl ik onder de douche sta zie ik het beeld van Aart op de medium care voor me. Ik probeer wakker te worden en de beelden van me af te schudden maar het lukt niet. Terwijl het warme water troostend over mijn schouders spoelt denk ik terug aan toen. Aan hoe ik kokhalzend naast zijn bed op de medium care stond omdat hij allemaal viezigheid op zijn beademingsmasker had zitten. Ik vond het zo erg dat ik moest kokhalzen, maar ik kon er gewoon niet naar kijken, ik heb het uur volgemaakt door ergens anders naar te staren, met tranen in mijn ogen. Ik was zwanger en gewoon erg gevoelig wat dat betreft, ik stond regelmatig te kokhalzen en had zelfs staan spugen in de parkeergarage van het ziekenhuis. De spanning hielp natuurlijk ook niet mee.
Ik denk terug aan die ochtend dat ik stond te spugen in de parkeergarage, ik had in een hotel geslapen, het was vroeg en ik had nauwelijks gegeten. De zwangerschapsmisselijkheid was een maand of anderhalf daarvoor al over gegaan, maar helaas was ik op dat gebied nog wel een stuk gevoeliger dan anders. Ik liep in de parkeergarage op weg naar mijn Aart die daar lag te wachten tot hij om 7 uur ’s ochtends naar de operatiekamer gebracht zou worden voor ik weet niet hoe lang. Toen ik halverwege was voelde ik ineens dat ik erg misselijk werd, ik wist dat ik moest eten en koos er voor om terug te rennen naar de auto waar ik eten had. Helaas was het te laat en achter de auto spuugde ik wanhopig uit wat ik nog in mijn maag had zitten. Gewapend met wat eten in mijn hand ging ik vervolgens gauw richting Aart, geen tijd te verliezen, ik kon nog maar heel even bij hem zijn voordat ze een zo grote operatie zouden doen dat ik niet eens zeker wist of hij daar wel levend uit zou komen.
Ik nam geen afscheid, maar in gedachten wel, ik bleef sterk voor hem, ik had de dag daarvoor de paniek in zijn ogen gezien. Dood gaan was zó niet het plan.
Het is gek, eens in de zoveel tijd komen al die gevoelens en gedachten weer even om het hoekje spieken. Ik leef mijn leven elke dag, met mijn nieuwe liefde, onze twee lieve kinderen, ik doe de dingen die ik moet en die ik wil. Ik voel me niet meer elke dag zo reddeloos verloren, ik voel me eigenlijk zelden nog reddeloos verloren, misschien wel niet. Maar toch, af en toe, bekruipen ineens die gedachten mij over tijden die ik het liefst zou willen vergeten.
Het is ook niet gek, het is er de tijd van het jaar voor en alles herinnert mij daaraan. Sinterklaas, de dag voor de grote operatie, toen ik nog een stuk marsepein bij hem bracht en een chocoladesinterklaas. De kerstboom opzetten, wat ik dat jaar thuis niet deed omdat ik de gedachte dat hij er niet was niet kon verkroppen. Dus deed ik thuis net alsof het een periode was als alle anderen. De kerstboom opzetten ook omdat hij er het jaar daarop niet meer was om al onze knotsgekke verzamelde kerstballen er weer in te hangen.
Maar ook de lucht, de kou, het donkere van de dagen, het sombere weer, het doet me denken aan toen. Toen viel er sneeuw op 6 december, behoorlijk veel ook, ik moest voorzichtig rijden.

Ik zou graag afscheid nemen van mijn herinneringen aan die periode, ze in een verre hoek parkeren. Ik zou graag alleen maar aan Aart willen denken zoals hij voor die periode was. Mijn lieve mopperende en humoristische Aart die met veel enthousiasme dingen wilde uitleggen, die over onderwerpen schreef waar ik heel eerlijk gezegd vaak geen fluit van begreep, omdat de geschiedenis er van rijke van ver voor mijn tijd.
Ik denk gelukkig ook vaak op die manier aan hem terug, dat is voor de normale dagen, de normale gelukkige herinneringen en soms de normale iets minder gelukkige dingen, want we hadden natuurlijk net als ieder ander stel gewoon ups en downs.
En dan op de bijzondere dagen, dan komt de rest. Zoals het ook hoort want die herinneringen zijn er nu eenmaal omdat wat gebeurd is is gebeurd.

Ik denk terug aan die nacht dat ik logeerde bij lieve vrienden, vlak na de operatie, het was niet goed gegaan en Aart was heel snel nog een keer geopereerd. Hij lag in coma op de intensive care, of misschien was hij al net een beetje wakker en naar de medium care verhuisd, dat weet ik niet meer precies. Maar ergens in die nacht dat ik wakker lag voelde ik ineens een plopje. En later nog een plopje. Het voelde alsof iemand stiekem aan de binnenkant van mijn buik aan mijn vel trok het terug liet veren: ‘plop’. Is dit mijn kindje? Dacht ik voorzichtig. Nog een paar plopjes later wist ik het eigenlijk wel zeker. Eindelijk voelde ik zelf ook leven in mijn al behoorlijk dikke buik. Die buik die in die week ook ineens heel hard groeide zodat ik aan het einde van de week veel dikker weg ging dan ik was gekomen. Misschien wel door de liefdevolle zorg van mijn vrienden.
Ik voelde me ineens niet meer alleen in de nacht, hoewel ik van de stress niet goed kon slapen genoot ik van het intieme moment met mijn nog ongeboren kind. Het eerste teken van leven, leven zo dicht bij de dood van zijn vader. En ik voelde zo veel liefde voor beiden.

En deze gedachte doet mij beseffen dat de liefde mij dit alles heeft laten doorstaan. De liefde hield mij overeind, gaf mij de krachten van een supervrouw, liet mij dingen doen die ik nooit gedacht had te kunnen doen of te kunnen doorstaan. De liefde voor die man die daar zachtjes lag dood te gaan al wisten we dat toen nog niet zeker, de liefde voor de man die zo dichtbij die dood was, die bang was ook. Die liefde hield mij overeind maar ook de liefde voor dat kleine mensje verstopt in mijn buik achter mijn placenta. De liefde die een enorme aanloop nam toen ik hem die eerste keer voelde drie jaar geleden. Toen ik ineens niet meer alleen was maar met zijn twee.
Die liefde die mij ook overeind hield in de tijd nadat Aart was overleden. het besef dat ik iets had om voor te leven. En uiteindelijk ook de nieuwe liefde die mij weer kracht gaf, die me het gevoel teruggaf om liefgehad te worden. Geliefkoosd word ik en daarom kan ik dit schrijven met alleen een brok in mijn keel en de mogelijkheid te kijken naar de pijn van toen zonder er nu door weggespoeld te worden. Want het is nu niet meer toen en het is ook niet meer als toen. En als ik verdrietig ben dan zijn er stevige armen om in weg te kruipen en een zoen van liefde droogt dan mijn tranen. Ja, zo is het nu.

Advertenties

Vernietmeerjaardag #3

Ik zit aan tafel achter mijn laptop, naast me op de grond speelt Lucas, 2,5 jaar is hij alweer en hij kletst honderduit. “lopen, lopen, lopen” hoor ik hem zeggen terwijl hij met een duplopoppetje over zijn net gebouwde toren wandelt.
Ondertussen dwaal ik in gedachten even weg naar Aart. Vandaag is de derde verjaardag die hij niet meer viert. Hij zou verheugd zijn geweest dat hij dat niet meer hoefde te vieren want dat ouder worden vond hij vreselijk. En hij zou best oud geworden zijn nu als hij nog geleefd had. Ouder dan hem lief was eigenlijk. Wat dat betreft zou je kunnen stellen dat het misschien wel beter is zo. Maar ja wat is beter, want was het niet ook beter geweest als hij er gewoon was geweest om die leuke voorleespapa voor Lucas te zijn?

Het is ook Lucas die me regelmatig doet beseffen dat Aart er niet meer is. Dan kijk ik in twee ondeugende ogen, die best wel lijken op die van zijn vader en dan besef ik dat hij zijn vader niet kent. Dat hij niet weet wie Aart was of wat Aart was. Hij kan nu naar de foto’s van Aart wijzen en zeggen: kijk papa Aaarrrrt, de r onhandig uitgesproken met een aardappel onder zijn tong. En soms vertel ik er dan bij dat papa Aart dood is, dan kijkt hij me serieus aan en zegt: ‘Ja papa Aart dood he’ om vervolgens vrolijk over te gaan op de orde van de dag. Gelukkig ook maar, hij is vrij en onbezorgd. Hij draagt niet de last van het verlies, hij kent het niet.
Dus draag ik zijn verlies bij het mijne in mijn hart, voel ik verdriet om wat er nooit geweest is, wat Lucas niet heeft verloren. Maar wat er wel geweest had kúnnen zijn en wat zo mooi had kunnen zijn. Papa Aart zou voorlezen en diepzinnige gesprekken voeren met ‘zijn zoon’, die alles na zou praten, de woorden proevend in zijn mond. Hij zou trots zijn en zeggen dat hij geweldig was, net zoals hij altijd trots was op zijn andere zoons. Hij zou over hem opscheppen en met hem knuffelen. Hij zou hem het woord onbetamelijk hebben geleerd. Hij zou hem verteld hebben dat hij van hem houdt elke keer opnieuw.

Het is ook gek om zo te denken, want het is er niet, het is er nooit geweest. Voor Lucas niet, voor Lucas bestaat de tijd uit gisteren en uit vandaag. Slechts gevoelens zijn de wazige herinneringen over vroeger. Dat er van hem gehouden is, altijd, dat zit in zijn bestaan.
Lucas zegt nu ‘papa’ tegen iemand anders, tegen mijn lief die ook echt zijn papa is. Die voor Lucas zorgt, hem troost als hij verdrietig is, knuffelt als hij naar bed gaat, poepluiers verschoont en zijn kleren wast. Die hem zelfs voorleest, elke dag weer, als een echte voorleespapa. Wel een beetje een dyslectische, soms produceert hij vreemde woorden, maar hij vindt het net zo belangrijk.

Ondertussen stapelt Lucas de duploblokjes steeds hoger terwijl hij zegt: ‘plakken, plakken, nog meer plakken’, hij praat honderduit. Hij pakt een auto en zegt: “de auto gaat even over meenemen, hij gaat helpen, er is puur (vuur), kijk eens, klik klak, klik klak, oh pallen (vallen)”. En ware spraakwaterval. En dan pakt hij een poppetje en zegt: “kijk papa, ga maar even zitten papa” en daarna pakt hij een ander poppetje en zegt: “kijk en dat is mama, mama ook zitten”.

Zijn leven is mooi, zijn leven is gewoon zoals het is, met een papa en een mama en een zusje waar hij gek op is. En er is ook een dooie papa en de mama van zijn zusje is ook dood. Zo is het gewoon, niks verdrietigs aan. Voor hem dan.

Gefeliciteerd Aart met je 3e vernietmeerjaardag. Ik ben alweer vergeten hoe oud je nu zou zijn geweest. Dat zou je wel deugd doen denk ik. We beginnen maar gewoon opnieuw met tellen, je sterven is nog zo jong. En het voordeel van vernietmeerjaardagen, wat niet is kun je eindeloos blijven tellen.

Verstoffen

Lieve Aart,

Het is alweer een hele tijd geleden dat ik hier schreef. Het is niet dat ik niet meer aan je denk hoor, je komt eigenlijk dagelijks wel voorbij, maar de urgentie is van mijn gedachten af, je dooie jij begint langzamerhand net zo veel bij mijn leven te horen als je levende jij dat deed. En het vervelende van dood is dat er niets nieuws meer bij komt, dus verzand het in de tijd en liggen de herinneringen aan jou soms een beetje te verstoffen. Want ik heb het momenteel heel druk met leven, zo druk dat ik soms geen tijd heb om je te vertellen wat ik je had willen vertellen. Alsof je een goede vriend bent die aan de zijlijn staat en meekijkt naar mijn leven. Alsof ik doormiddel van dit schrijven toch een beetje met je kan praten. Met de jou die in mijn gedachten leeft, stoffig maar niet weggestopt. Nee dat niet hoor.

Als ik met je kon praten zou ik je vertellen dat Lucas, onze zoon, alweer twee is. Dat hij de eigenwijsheid van zijn vader heeft en de ondernemendheid van zijn moeder, dat hij praat als Brugman, hoewel ik die nooit heb gekend en dat hij genoot van alle cadeautjes op zijn verjaardag. Dan zou ik je vertellen dat hij tegenwoordig zelf zijn tandpasta op zijn tandenborstel wil doen en dat hij een mening heeft over welke schoenen hij aan wil. Dan zou ik je aan het lachen maken door te vertellen dat hij graag danst met een dansrok aan en dat hij het lopen op rode glitterhakjes niet schuwt, maar dat hij ook vroemmm vroeemmmm doet met de auto’s en de planten ‘drinken’ geeft terwijl hij het geluid van lopend water probeert na te doen. Dan zou ik je vertellen hoe trots ik op hem ben omdat hij zo goed praat, omdat hij torens kan bouwen van wel vijf blokjes terwijl hij er maar drie hoeft en omdat hij alles onderzoekt. Ik zou je vertellen dat ik denk dat hij linkshandig is net als je middelste zoon en we zouden samen opscheppen naar elkaar hoe knap hij wel niet is.

Ik zou je vertellen dat ik pas nog op vakantie ben geweest met mijn nieuwe lief, zonder jou. En dat dat gek was, dat jij daar niet was, dat we niet samen deden wat we altijd deden op vakantie, zo vanzelfsprekend. Wat een vreemde gedachte is want zelfs als jij er wel was geweest hadden we niet kunnen doen wat we normaal deden omdat er nu een kind is. Maar dat was het grootste deel van ons leven samen niet het geval. In mijn herinneringen ben je nauwelijks papa, die kans heb je ook niet gehad, maar in die tien weken was je wel de papa die ik had gewenst voor mijn zoon, zo trots en liefdevol. Dus had ik  vakantie met mijn nieuwe lief en twee kinderen zoals wij dat ooit van plan waren te gaan doen, maar nooit hebben gedaan. ‘T was een heerlijke vakantie.

Ik zou je vertellen dat de zon weer straalt in mijn leven, dat ik gelukkig aan het worden ben. Dat ik nog steeds verdrietig ben, zo af en toe als het me ineens naar de keel grijpt, maar dat ik naar de toekomst kijk met een glimlach op mijn gezicht. En dat het raar is dat aan jou te vertellen, jij die altijd mijn grote liefde was. Dat ik nu dus gelukkig ben zonder jou. Maar dat het ook fijn zou zijn als ik je dat kon vertellen, dat ik kon zeggen: kijk Aart, ik ben echt die sterkte vrouw die jij zag in het ziekenhuis en daarna, waarvan jij de tranen droogde toen ik huilend zei dat ik zo bang was je kwijt te raken en waartegen je zei: ‘je bent een goede moeder en een sterke vrouw, ook zonder mij ga jij het redden.’ Kijk Aart, je had gelijk, het is gelukt, bijna twee jaar later en ik sta nog steeds had ik je willen zeggen.

En ik zou je willen vertellen over mijn nieuwe lief, dat hij zo zorgzaam is en dat hij zo’n leuke nieuwe papa is voor Lucas, papa de tweede hoor, no worries. Maar wel een hele goeie lieve papa, ik weet zeker dat jij niet beter gewenst zou hebben voor mij en voor je zoon. Als je op een wolkje zou zitten en naar beneden zou kijken zou je tevreden knikken en zeggen: ‘ik zei toch al dat jij een vent van je eigen leeftijd moest zoeken?’, want dat zei je echt.

En ik zou je vertellen dat Lucas je ‘papa Aardbei’ noemt en dan steeds lachend ‘nee togggg’ er achteraan roept, je zou heel hard lachen en trots zijn, heel trots omdat je zoon van twee een woordgrapje maakt. ‘Aartje naar zijn vaartje’ zou je denk ik zeggen en nog harder lachen. Ja we zouden lachen samen. Hoewel je eigenlijk niet zo van grappen over je naam hield.

Jammer dat ik moet doen alsof. Dat ik een brief schrijf aan het luchtledige, een brief aan mijn bestaan zonder jou.  Stoffig is niet vergeten Aart maar je kent mijn huishoudvaardigheden, het is wel behoorlijk stoffig.

Liefs,

Wendel

Papieren stem

Stel je eens voor dat je stom bent. Dan bedoel ik niet een idioot die rare dingen doet of iemand die gewoon algeheel niet aardig is maar stom stom, van niet kunnen praten stom. Ik heb nog nooit iemand ontmoet die niet kon praten maar ze moeten toch wel bestaan. Mensen die geen stem hebben, of die niets kunnen horen en dus niet weten dat ze een stem hebben. Het moet een vreemde wereld zijn als je wel begrijpt wat er gezegd wordt maar niet mee kunt doen.

Afgelopen donderdag heeft dokter Bob heel liefdevol in mijn stembanden zitten knippen en vervolgens een groot bord boven mijn bed laten hangen dat ik een spreekverbod had voor tweeeneenhalve dag. Vervolgens kwam de beste man ook nog twee keer gezellig een babbeltje maken, nou gezellig eenzijdig in dit geval dus. Mijn eerste kennismaking met niet mogen/kunnen praten (ik weet niet of ik het kon want ik mocht het niet). Volgens mij genoot hij er van.
Ik bleek gelukkig aardig goed te zijn in niet praten, of nou ja laat ik het zo zeggen, niet praten met mijn stem. Met mijn gebaren, gezicht, of nou ja eigenlijk met mijn hele lichaam, kon ik een heleboel duidelijk maken. Met behulp van de babygebaren die ik Lucas probeer te leren kwam ik op de uitslaapkamer een heel eind. Ik moest heel nodig plassen dus ik wees gewoon naar beneden en gebaarde een straaltje. Binnen no time stond er een zuster naast me met een po, oh jippie een po. Ik wilde nog zeggen dat ik het wel even op zou houden en dat ik liever niet op de po ging, of liever gezegd, dat ik niet zo’n zin had in een zeiknatte kont en met veel moeite liggend een straaltje zeik er uit te persen, maar ik wist niet zo goed hoe ik dát dan in gebaren moest uitdrukken. Dus hees ik mezelf, net wakker uit de narcose en met een infuus op een onmogelijke plaats aan de binnenkant van mijn hand, omhoog op de ondersteek en deed mijn zogezegde kleine boodschap. “nou dat was wel nodig mevrouw’ zei de zuster toen ze ‘m een kwartier later onder mijn inmiddels van een po-afdruk voorziene billen vandaan trok. Ik knikte maar van ja, want het gebaar voor ach lazer toch op kende ik nog niet. Oh en dat ik zelf mijn broekje wel weer aan kon doen zeker, eh ja dacht ik bij mezelf, maar eh…mag ik geen papiertje om de boel eerst eens even fatsoenlijk droog te deppen of doet men dat niet op uitslaapkamers?
Toen er later iemand kwam melden dat ik me toch al wel heel goed aan mijn spreekverbod hield had ik bijna de neiging om haar eens goed…nou ja om haar te kelen want praten mocht ik niet. Maar ja dat staat zo slordig.

Gelukkig mocht ik na het tweede praatje van dokter Bob naar huis, goddank, eindelijk naar huis waar ik gewoon begrepen werd. Nou dat was een deceptie, niemand snapte er ook maar ene jota van. De enige die net deed of er niets aan de hand was, was Lucas, die gebaarde vrolijk terug en maakte van de gelegenheid dankbaar gebruik om eens even wat kattenkwaad uit te halen.
De rest van het weekend bracht ik door terwijl ik verwoed krabbelde op een blocknootje of, zo af en toe als de batterij niet leeg was, typte op mijn Iphone. Hoe doen mensen dat die écht stom zijn? Zo kan een mens toch niet communiceren? Ongeveer 9/10e van de mensheid begrijpt de gebaren niet en de andere 1/10 van de mensheid kwam ik blijkbaar gewoon niet tegen. En probeer maar eens een discussie te voeren met iemand op papier. En dat diegene dan zelf gewoon kan praten, ook gewoon niet eerlijk, en dat die je dan niet uit laat eh…schrijven. En dat je dan vervolgens mokkend in een hoekje probeert alsnog je punt te maken en dat diegene het dan niet kan lezen omdat je in je frustratie even vergeten was dat je handschrift over het algemeen al vrij onleesbaar is, maar met een vleugje emoties erbij overgaat tot spijkerschrift. En dat je dan bij jezelf denkt “AAAAARGH”, maar dat je niet mag gillen.

Oh ja en probeer maar eens om dan na 3 dagen of zoiets weer te gaan praten, met mate, terwijl je eigenlijk zo veel te vertellen hebt van al die langzame uren dat dat niet mocht. En dat je stem dan klinkt alsof hij door de pastamachine is geweest en ook een octaafje hoger of zoiets. En probeer je dan eens voor te stellen dat je naar je koor gaat wat je niet missen kunt en dat je daar dan aan de kant een beetje mag zitten luisteren en kou mag lijden maar niet mee mag doen, als een muurbloempje aan de kant gezet. En dat je dan gezellig na gaat borrelen, oké oké, ik geef toe dat ik chocolademelk dronk en dat je dan niet mee kan praten behalve als het helemaal stil is, maar ja dat was het bijna niet. En dat je dan áls je eindelijk geluid heb weten te produceren wat op praten lijkt ook nog een sssshhht naar je hoofd krijgt, omdat je niet mag praten.

En dat je dan thuis komt en het is helemaal stil

en dat dan je Whatsapp het niet doet.

HET LEVEN IS NIET EERLIJK!

Het lot van een pak billendoekjes

Ik rook onraad toen een doordringende zwitsalgeur mijn neusgaten bereikte. Het was inderdaad al een tijdje stil, waardoor ik me had kunnen concentreren op het lezen van wat nieuwsartikelen. Reeds in de gang trof ik de eerste slachtoffers, zachte, vochtige welriekende doekjes, willoos verspreid over de vloer.
Slechts luttele meters verder trof ik ook mijn zoon die tevreden geluidjes maakte terwijl hij enkele witte zachte doekjes in een vergeten luieremmer deponeerde. Niet wéér!
Terwijl ik hem streng toesprak begon ik luierdoekjes bij elkaar te rapen. Mijn zoon, behulpzaam als altijd met zijn zeventien maanden, begon van overal uit de kamer doekjes te plukken. Een voor een bracht hij ze naar me toe waarbij hij telkens met een triomfantelijke blik wéér één onschuldig billendoekje in de lucht stak. Dankjewel schat, heel verwoed probeerde ik elk doekje weer terug in het pakje te stoppen. Het is tenslotte zonde om al die billendoekjes zo maar verloren te laten gaan, een pak van wel één euro, zomaar weg te gooien.
De doekjes bleven komen, hij had ze zorgvuldig verspreid door alle hoeken van de door hem bereikbare ruimten.
De apotheose kwam toen hij op de gang besloot om álle doekjes mee te nemen die hij vinden kon. Het bleef een tijdje stil, ik hoorde zacht gemompel en na enige tijd kwam daar mijn zoon weer om het hoekje van de deur te voorschijn, in zijn handen een grote wolk van die doekjes met allesdoordringende geur van zwitsal. Hij stak zijn handjes in de lucht en deponeerde de doekjes gauw bij mij. Toen ik naar de gang liep om de rest op te halen ontdekte ik dat hij ze allemaal had meegenomen, keurig verzameld in zijn kleine handjes met een blije lach.
Terwijl ik probeerde de doekjes terug te proppen in het nu ineens veel te klein geworden plastic pakje zag ik uit mijn ooghoek nog één doekjes in de handjes van mijn zoon. Ik stak mijn hand uit maar ik mocht het niet hebben, zíjn doekje. Hij snufte er eens lekker in, snoot zijn neus, poetste er wat dingen mee op en als ik in de buurt kwam hield hij het stevig vast.

Wat is dat toch met dreumesen en billendoekjes? Hoe vaak heb ik al niet de witte bergen van geurige natte proppen mogen betreden? Hoe vaak heb ik wel niet erger leed voorkomen toen ik dat handje in de richting van dat uitstekende witte plukje zag gaan? Het zijn ontelbare keren geweest. Ontelbare doekjes verdwenen op deze manier al onbruikbaar in de prullenbak. Maar ik pik het niet meer! Voortaan gaan ze terug in het pak waar ze vandaan kwamen. Ze mogen dan wel hun vrijheid geroken hebben, maar ik ruik ze ook. Nog steeds. En deze keer gaan ze niet meer netjes twee aan twee, nee, ik prop ze gewoon terug waar ze horen. En dan hoop ik dat ze snel hun aantrekkelijkheid verliezen voor de grijpgrage handjes van mijn zoon. Dan hoop ik keer op keer weer dat het billendoekjesleed zich niet zal uitstrekken over de gehele luierperiode. En als dat dan toch zo is, dan hoop ik maar dat die luierperiode snel voorbij is. Het potje staat al klaar, er wordt elke dag even op gezeten. “Plas dan” roep ik, maar nee, plassen op commando zit er nog niet in. En billendoekjes met rust laten helaas ook niet.

Moe

Illustratie: Wendel Jacobs

Illustratie: Wendel Jacobs

Eindeloos moe voel ik me, sleep ik me voort op mijn eigen benen. De woorden komen niet meer als vanzelf en de verhalen schrijven zichzelf niet net als mijn leven zichzelf niet schrijft. Uitgewrongen alleen voel ik me. Rouw is eenzaam, niemand die het snapt, niemand die het net zo voelt als ik. Niemand bij wie het zo doordrongen is als bij mij. Ja, natuurlijk zijn er ‘lotgenoten’, maar ze rouwen niet om dezelfde persoon als ik. Niemand rouwt om dezelfde persoon als ik. Ik rouw om mijn man, mijn echtgenoot, mijn geliefde, de man met wie ik tot op de dag dat hij overleed samen leefde, jarenlang, dag in dag uit bij elkaar. Vrienden, familie, we rouwen allemaal om een andere Aart.
Niemand mist het elke dag dat hij niet meer op zolder zit en niemand mist het om vanaf een verdieping lager naar hem te kunnen roepen, elke dag weer, behalve ik. Ik sleep niet alleen een heleboel liefde met mij mee, maar ook de onmacht, het verdriet en de radeloosheid die mij soms overvalt als ik eigenlijk een steunende schouder nodig heb maar die niet vind. Niet vind omdat ik niet vragen kan.
Ik ben moe, eindeloos moe. Moe van het gevecht rond de erfenis met iemand die ik niet begrijp. Het lijkt een meting te zijn van wie het belangrijkst was en wie het verdrietigst is. Ik wil niet vechten om iets waarin alleen verliezers zijn. Ik ben hem het laatst verloren, zij is hem dubbel verloren. Wie wint dat? Hoe meet je de grootte van verdriet? Wie heeft er het meeste recht op verdriet? Er zijn geen winnaars, ook de vader van haar kinderen is dood. Wat overblijft is een dubbel verlies. Lucas groeit niet alleen op zonder vader maar ook zonder zijn broers te kennen, zijn broers groeien op zonder hun kleine broertje te kennen. Waarom? De strijd blijft mij onduidelijk. Ik heb lang getwijfeld er iets over te schrijven ook, want mijn tegenstander is onzichtbaar, er is geen wederhoor mogelijk, slechts eisen kenbaar gemaakt via de notaris. Eisen waar geen vervolg aan gegeven wordt, het lijken willoze dolksteken in de hoop mij ergens een keer goed te raken zonder me echt uit mijn lijden te willen verlossen.
Ik ben moe, eindeloos moe omdat ik het pad alleen moet bewandelen wat ik samen had moeten bewandelen met hem. De strijd is niet mijn strijd maar een oude strijd met iemand die er niet meer is. Met iemand die nooit strijden wilde, met wie ruzie maken ook een ramp was omdat hij gewoonweg geen ruzie terúg maakte.

Ik ben ook moe van het alleen rouwen, moe van het mezelf bij elkaar houden met plakbandjes en touw in de hoop dat ik gewoon in elk geval zonder nieuwe scheuren door kan naar de volgende dag. Ik zou willen dat er af en toe iemand langs kwam met een rolletje duct-tape of een paar schroefjes en een schroevendraaier om me weer een beetje te helpen in elkaar zetten. Ik ben onherstelbaar kapot, maar niet onrepareerbaar. Je zult altijd de lijntjes van mijn aan elkaar gelijmde scherven zien. Provisorisch houd ik mezelf bij elkaar, soms vraag ik me later af hoe ik het deed.
Alleen doorleefde ik mijn eerste rouwverjaardag, de mensen die ik het liefste had niet om mij heen. Vergeten, niet aan gedacht, niet belangrijk genoeg of gewoon, omdat het mijn rouw is en niet de hunne, omdat het mijn geliefde was en niet de hunne. Ik weet het niet, maar eenzaam is het wel, dat rouwen. Het is een eenzaam verdriet want op het eind ben ik toch steeds de gene die alleen over is. Alleen zeg ik, terwijl ik een lief klein jongetje heb. Alleen is natuurlijk anders, maar alleen ben ik wel in mijn volwassenheid, in mijn volwassen behoeften en verdriet.
Niemand geeft mij een knuffel na een lange zware dag, niemand vraagt me hoe het was als ik thuis kom, niemand gaat altijd mee op vakantie als niemand anders kan, niemand maakt samen met mij plannen. Als ik zelf niets regel ben ik alleen, alleen op vakantie, alleen met oud&nieuw, alleen op mijn verjaardag, alleen met mijn rouw, alleen met mijn kind, alleen met mijzelf, elke dag.

Het is geen verwijt, oh god nee, het is geen verwijt. Het is een constatering met verdriet, een eenzame constatering, eentje waar misschien wel niets aan te doen valt. Alleen ben ik uiteindelijk toch. Want ook na die vakantie samen, na die fijne oud&nieuw samen met lieve vrienden, na een gezellig etentje of een fijne dag, ook daarna ben ik alleen. Lig ik alleen in mijn bed zonder armen om mij heen met dat gapende gat in mijn hart. Alleen.

Een jaar in een wensballon

wensballon

Een jaar geleden liep ik op een stralende zondagochtend de trap op naar zolder om Aart te gaan wekken die wel erg lang uitsliep deze dag. Het was half twaalf en ik wilde er graag op uit op deze eerste echt mooie zonnige dag van 2013. We hadden ons er op verheugd. Halverwege de trap zag ik hem zitten achter zijn bureau. Niet zoals normaal maar helemaal voorover. Mijn nekharen stonden overeind, er was iets heel erg mis. Bij hem gekomen zag ik dat het er niet goed uit zag, ik voelde in zijn nek, ijskoud, vlekken op zijn armen, tong uit zijn mond, blauwe lippen. Naast hem een bordje met een krentenbol met een hap er uit en koude koffie. Ik wist het gelijk, hij is dood en dit komt niet meer goed.
‘Wat moest ik ook alweer doen als ik hem dood vond’, dacht ik bij mezelf, ‘oh ja, 112 bellen’. De dame van de alarmcentrale vroeg mij hoe ik zo zeker wist dat hij dood was en liet me maar niet meer reanimeren. Het was geen seconde in mij opgekomen om hem te reanimeren, ik wist dat het volkomen kansloos was.

Ik ging bij Lucas kijken die een verdieping lager nog steeds heerlijk in onwetendheid lag te slapen. Ik ging naar beneden om de deur vast open te maken voor de ambulancebroeders, ik hing de alarmcentrale op want ik moest mensen gaan bellen. Ik moest niet alleen blijven. Ik was heel helder.
Binnen 5 minuten was er een motorambulance, ik bracht hem rustig naar boven, naar Aart die daar nog steeds aan zijn bureau hing. Ze controleerden met plakkers zijn hartslag, niks.
Lucas huilde, ik ging naar beneden om hem te gaan voeden. Met trillende handen goot ik de gekolfde melk in een flesje, het ging er overheen en ik was er verbaasd over dat ik zo trilde. Ik was toch zo kalm?

De rest van de dag is een iets grotere wirwar, minder scherp op mijn netvlies gebrand. Er is een voor en een na, er tussenin stond de tijd even stil. In mijn hoofd is die dag nog als gisteren. Ik weet nog dat ik hem om half 8 een mail stuurde over fietskarren. Omdat we wilden gaan fietsen met zijn drietjes en ik toch Lucas aan het voeden was. Daarna ben ik weer gaan slapen, en douchen. Het voelt zo nutteloos achteraf. Waarom zou je douchen en fietskarren uitzoeken terwijl je man dood op zolder ligt te liggen?

De ambulancebroeder vertelde mij dat hij ook niet meer ging proberen te reanimeren en dat dat echt wel wat zei. Er kwam nog een motorambulance, er kwam een dokter van de huisartsenpost. Het was een koele lulhannes die weinig informatie gaf en totaal niet meelevend was. Geloof ik. Ze hadden hem op de grond gelegd. Ik vroeg of hij er erg naar uit zag en ze zeiden van wel. Ik had hem al gezien maar durfde niet meer te gaan kijken.
Ik belde vrienden en familie, ze schrokken vreselijk, sommigen raakten in paniek. Ik bleef rustig, zei dat ze rustig aan moesten doen en zo. Pas toen ze kwamen moest ik huilen, een beetje.
Wat moet ik nu doen vroeg ik aan de dokter van de huisartsenpost. Een uitvaartondernemer bellen was het antwoord. Oh, werkt dat zo?
Ik googlede op “uitvaart Amersfoort” en vond er drie, welke moet ik nou kiezen vroeg ik aan de mensen om mij heen. Maakt het uit? Gewoon de eerste? Dood is toch dood.
Ik koos de middelste (ja ik maak gewoon reclame, moet kunnen toch?), die website sprak mij het meeste aan. Het was een gouden greep.

Binnen een paar uur was hij er, in een zwart pak waar hij zich voor verontschuldigde. Hij droeg normaal geen zwart pak maar hij kwam van een andere klus. Fijn, lekker plastisch.
Er werden spijkers met koppen geslagen. Aart zou niet thuis blijven, ik wilde dat niet, ik wilde niet het dode lichaam van mijn man in huis hebben en hem zien aftakelen, steeds minder ziel zien krijgen, ik wilde me niet vastklampen aan zijn lichaam terwijl hij er al niet meer was. Ik wilde afscheid nemen van mijn man in huis, nu hier en direct.
Hij werd opgehaald en met een hoop mankracht, gestommel en gerommel twee trappen naar beneden gebracht. Hij was groot en zwaar, het was moeizaam. Ik zette de babyfoon uit om het gestommel minder te horen, ik wilde niet zien hoe ze aan het klooien waren. Aart vond het ook niet fijn als ik de badkamer binnenliep als hij naar de wc ging.
Toen hij beneden was werd ik gewaarschuwd, ze hadden hem afgedekt en brachten hem naar buiten. Met mijn vrienden en aanwezige familie zwaaide ik huilend het busje met zijn lichaam uit. Het was het eerste afscheid. Het eerste laatste afscheid.

De rest van de dag kwamen er mensen binnen die mij huilend om de hals vielen, daar tussendoor was het grote geregel begonnen. Ik zocht een rouwkaart uit maar kon niets vinden wat ik mooi vond, ik zocht een kist uit. Ik weet niet eens meer wat ik allemaal geregeld heb die dag. ’s Avonds terwijl ik zat te kolven voor Lucas tekende ik een rouwkaart.

Het was nog niet geland, het besef dat hij dood was en nooit meer terug zou komen, ik zweefde een meter boven de grond, de mist trok pas een paar maanden later op. Vandaag is het een jaar verder, sommige dagen verwacht ik nog half en half dat hij binnen zal komen lopen. Hij is verschrikkelijk aanwezig in mijn hart, in ons huis. Ik zie zijn blik soms in Lucas’ ogen. Ik mis hem elke dag en ik ben verbijsterd over de hoeveelheid verdriet die ik met mij meedraag. Ik ben een jaar verder en ik kan me die dag een jaar geleden nog tot in detail herinneren. Het gevoel, de schok die pas later binnen kwam, al die mensen, de verwarring die als een deken over me heen lag.

Ik huil en het gat in mijn hart en in mijn buik doen zeer. Het voelt verschrikkelijk leeg en verschrikkelijk verdrietig. Ik mis de man met wie ik mijn jaren had willen slijten. Samen een gezin mee had willen vormen, een gezin wat wij maar 10 weken hebben kunnen zijn. Een gezin wat we eigenlijk maar twee weken hebben kunnen zijn. Twee weken toen Lucas eindelijk thuis was, wij onze weg gevonden hadden en Aart eindelijk weer een beetje begon op te knappen. Hij voelde zich beter dan maanden, was vrolijk, luisterde muziek, ruimde de zolder op terwijl ik in de kamer daarnaast zat te naaien en Lucas die sliep in zijn kamertje een verdieping lager. We hadden het goed en mooi en droomden samen over later, niet later in de verre toekomst, gewoon later over een week, over een paar maanden, verder keken we niet eens. Het was te ver vooruit, zelfs die gekoesterde vakantie naar Terschelling waar Aart zich aan vast geklampt had in die donkere maanden in het ziekenhuis heeft hij niet meer mogen meemaken. Samen fietsen met Lucas voorop, hij wilde dat zo graag. Hij heeft nooit gezien hoe Lucas zit te genieten, de wind door zij haartjes, de hobbels het geluid van zijn stem te laten bepalen. In gedachten fietst hij soms met ons mee. Hij had het prachtig gevonden. Hij was zo trots geweest. Hij moet het allemaal missen.
Wij moeten het allemaal missen.

Vanmiddag zijn Lucas en ik naar de Soesterduinen geweest. Ik wilde een wensballon oplaten met een brief aan Aart om hem te vertellen over ons jaar. Vanmorgen probeerde ik de brief te schrijven, Lucas was het er niet mee eens, probeerde de pen uit mijn handen te trekken, ging zitten huilen, sloeg op mijn papier. Het werd een rare brief, onleesbaar en met losse flarden. “Je kunt het toch niet meer lezen dus het maakt niet uit” schreef ik. Als ik dit bedacht had voor een goede vriend en Aart had mee gemoeten dan had hij flauwe grappen gemaakt en was alleen meegegaan omdat ik het zo graag wilde.
De Soesterduinen kon ik haast niet vinden, toen ik er was een grote lege vlakte, heerlijk, alle rust. Ik koos een mooi plekje bij een boom uit, haalde Lucas uit de draagzak van mijn rug en zette hem op de grond. Terwijl hij zand in mijn tas stopte probeerde ik die stomme wensballon aan te krijgen. Het was een hoop gestuntel, de wind begon aan te wakkeren en toen ik eindelijk een klein puntje aan had gestoken hoorde ik gegil. Ik zal een groep kinderen rennen…ze kwamen recht op MIJN boom af. Ze begonnen te klimmen in die boom. Daar zat ik dan met mijn alweer gedoofde wensballon en zonder mijn gewenste rust.
Ik propte de ballon in een tas, pakte mijn spullen en Lucas onder mijn arm, op naar een rustiger plekje. Lucas brullend en worstelend omdat hij net lekker zat te spelen.
Op een nieuw rustig plekje stak ik mijn ballon aan. Na heel lang proberen lukte het, de aansteker was bijna leeg, de wind woei steeds harder, de ballon klapperde in de wind, de brief vloog in de fik. Ik probeerde de ballon los te laten maar hij storte neer. De zijkant begon bruin te blakeren. Ik ving de ballon weer, trapte er op en gooide er zand overheen.
Het lukte niet… ik heb hem maar begraven.